23/1800 ZW
Datum uitspraak: 16 september 2026
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 mei 2023, 22/2606 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht de ZW-uitkering van appellant per 18 januari 2022 heeft beëindigd. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat om passende functies te vervullen zodat hij onveranderd recht heeft op een ZWuitkering. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv de ZW-uitkering terecht heeft beëindigd.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.H. Beishuizen hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer van de Raad heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 juli 2024. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Beishuizen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.C. van Beek.
De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst en dr. J.A Bouwens, psychiater, benoemd als deskundige. Daarbij heeft de Raad erop gewezen dat Bouwens desgewenst advies kan inwinnen bij een bij zijn organisatie werkzame verzekeringsarts. Bouwens heeft op 17 april 2025 gerapporteerd.
Partijen hebben hun zienswijze gegeven op het rapport van Bouwens. De Raad heeft in de reactie van appellant aanleiding gezien voor een nadere vraagstelling aan Bouwens en er nogmaals op gewezen dat de Raad geen bezwaar heeft tegen de inschakeling van een verzekeringsarts.
Bouwens heeft op 23 juni 2025 gereageerd op de opmerkingen van appellant op zijn rapport van 17 april 2025 en alsnog een verzekeringsgeneeskundig onderzoek laten plaatsvinden. Op 24 mei 2026 heeft verzekeringsarts drs. T.J. Cheng een rapport uitgebracht.
Het Uwv en appellant zijn in de gelegenheid gesteld op het rapport van verzekeringsarts Cheng hun zienwijze te geven. Appellant heeft niet inhoudelijk gereageerd op het rapport van Cheng. Het Uwv heeft naar aanleiding van dit rapport nadere stukken ingediend.
Appellant heeft vervolgens de Raad verzocht uitspraak te doen zonder nadere zitting. De Raad heeft het Uwv laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of het Uwv het daarmee eens is. Het Uwv heeft ingestemd met een afdoening zonder nadere zitting. De Raad heeft de zaak daarom niet behandeld op een nadere zitting en het onderzoek gesloten.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
Appellant heeft voor het laatst gewerkt als IT-coördinator voor gemiddeld 39,77 uur per week. Op 9 november 2020 heeft hij zich ziekgemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling heeft appellant het spreekuur bezocht van een arts. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 december 2021. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor zijn laatste werk. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens voor appellant functies geselecteerd. Het Uwv heeft bij besluit van 17 december 2021 de ZWuitkering van appellant met ingang van 18 januari 2022 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
Bij besluit van 21 april 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de primaire arts appellant op het spreekuur heeft gesproken, een anamnese heeft afgenomen, het dossier heeft bestudeerd en een onderzoek heeft verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier ook bestudeerd en het gestelde in bezwaar en ter hoorzitting van 5 april 2022 meegewogen. De rechtbank heeft overwogen dat er geen reden is te oordelen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd. De (verzekerings)artsen hebben rekening gehouden met de door appellant genoemde klachten en hebben op inzichtelijke wijze gemotiveerd dat de in de FML beschreven beperkingen voldoende zijn. Appellant heeft volgens de rechtbank niet met nieuwe medische gegevens die zien op de datum in geding aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van zijn gezondheidstoestand op de datum in geding en meer beperkingen had moeten aannemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar aanvullende rapport van 20 februari 2023 gemotiveerd waarom aan het rapport van de door appellant ingeschakelde deskundige, psychiater M. van Beem, niet de waarde kan worden toegekend die appellant daaraan toekent. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelet op de overwegingen in het rapport van 20 februari 2023 en gelet op de bevindingen van de arts kort voor de datum in geding en haar eigen bevindingen naar aanleiding van de hoorzitting tot haar conclusies heeft kunnen komen en dat wat appellant heeft aangevoerd geen reden geeft om aan die conclusies te twijfelen. De rechtbank heeft ook geen reden gezien voor het oordeel dat het Uwv de functionele mogelijkheden van appellant niet juist heeft vastgesteld. Voorts heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep naar aanleiding van de bezwaargronden van appellant op inzichtelijke wijze (aanvullend) gemotiveerd dat de belasting van de in bezwaar voorgehouden functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt. Er is evenmin reden om de conclusies van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in twijfel te trekken. Ook is de rechtbank niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt, zodat deze functies voor hem geschikt moeten worden geacht.
Het standpunt van appellant
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 februari 2023, dat na het onderzoek ter zitting is ingebracht. Volgens appellant heeft het Uwv onvoldoende rekening gehouden met zijn beperkingen, waarbij hij heeft benadrukt dat de visie van de door hem ingeschakelde deskundige, psychiater Van Beem, lijnrecht staat tegenover de visie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Volgens appellant had dit voor de rechtbank aanleiding moeten vormen zelf een deskundige te benoemen. Appellant heeft de Raad verzocht alsnog een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Appellant heeft in hoger beroep niets aangevoerd met betrekking tot de afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding door de rechtbank.
Het standpunt van het Uwv
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
Het deskundigenonderzoek
Omdat bij de Raad, mede op basis van de psychiatrische expertise, twijfel bestond of voor appellant voldoende beperkingen zijn aangenomen, heeft de Raad aanleiding gezien om een onafhankelijke deskundige, psychiater Bouwens, te benoemen. Bouwens heeft in zijn rapport van 17 april 2025 geconcludeerd dat er op 18 januari 2022, naast een lichte ASS, geen objectieve aanwijzingen voor een afzonderlijk ernstig psychiatrisch toestandsbeeld bestonden. Volgens Bouwens vertoonde appellant geen significante depressieve, angstige of psychotische symptomen. Eventuele beperkingen betroffen met name ASS-gerelateerde sociale en stresscoping-problemen. Objectieve energetische of cognitieve beperkingen werden niet vastgesteld. Een nauwkeurige urenbeperking kon volgens Bouwens psychiatrisch niet worden onderbouwd.
In reactie op het rapport van Bouwens heeft appellant naar voren gebracht dat Bouwens veel bevindingen noteert met betrekking tot de huidige situatie van appellant en dat duidelijk is dat de klachten en beperkingen van appellant de laatste tijd enorm zijn afgenomen. Verder durft Bouwens volgens appellant geen harde uitspraken te doen over de datum in geding en wordt door de artsen van het Uwv en door de door appellant geraadpleegde deskundige Van Beem een aanzienlijk slechter beeld van de situatie van appellant geschetst dan door Bouwens. Verder stelt appellant dat Bouwens niet voldoet aan de gegeven opdracht om de vaststelde beperkingen expliciet te bespreken en van commentaar te voorzien. Tot slot benadrukt appellant dat Bouwens wel te kennen geeft het aannemelijk te vinden dat appellant ten tijde van de datum in geding niet in staat kon worden geacht om acht uur per dag te werken. Volgens appellant moet hem het voordeel van de twijfel worden gegeven. Appellant heeft de Raad verzocht om de vraag of aanleiding is voor het aannemen van een urenbeperking nader te laten onderzoeken door een verzekeringsgeneeskundige.
In reactie op het rapport van Bouwens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv geen aanleiding gezien om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.
Bouwens heeft – op verzoek van de Raad – gereageerd op de brief van appellant. Hij heeft toegelicht dat hij – doordat hij appellant niet heeft geobserveerd op de in geding zijnde datum – tot zijn oordeel heeft moet komen op basis van wat hij zelf heeft kunnen vaststellen en de externe informatie. Hij erkent dat dit leidt tot een marge van onzekerheid. Op basis van de informatie heeft hij gereconstrueerd wat op de in geding zijnde datum consistent en aannemelijk was over het toestandsbeeld van appellant en beargumenteerd tot welke uitspraken hij rondom de beperkingen in het functioneren op zijn vakgebied heeft kunnen komen.
Vervolgens heeft verzekeringsarts Cheng onderzoek verricht. Cheng heeft aanleiding gezien voor het aannemen van aanvullende beperkingen op het item 1.8.1: geen afleiding door activiteiten van anderen, met als toelichting: geen prikkelrijke omgevingen (zowel visueel als auditief), dus geen machinegeluiden, volle kantoortuinen, drukke hal met veel mensen of omgevingen met menigtes. Geen rumoerige omgevingen. Daarnaast geldt volgens Cheng voor appellant een beperking op item 2.11: beroepsmatig vervoer, met als toelichting geheel geen gemotoriseerde voertuigen (ook geen heftruck of brugkraan). Hij is van oordeel dat appellant onder passende omstandigheden in staat zou moeten zijn geweest om ongeveer 40 uur per week te werken.
Naar aanleiding van het rapport van Cheng heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de FML gewijzigd en de twee door Cheng genoemde aanvullende beperkingen overgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens geconcludeerd dat de op 16 december 2021 geselecteerde functies niet langer geschikt zijn voor appellant, zodat onvoldoende passende functies resteren. Hij heeft vervolgens het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) opnieuw geraadpleegd en heeft nieuwe functies binnen dezelfde SBC-codes geselecteerd en vastgesteld dat de restverdiencapaciteit van appellant – per 18 januari 2022 – nog steeds meer dan 65% bedraagt.
Appellant heeft naar aanleiding van het rapport van Cheng volstaan met de mededeling dat hij zich niet kan vinden in het rapport van Cheng en dat diens visie niet overeenkomt met de penibele situatie waarin hij ten tijde van de datum in geding verkeerde. Naar aanleiding van het gewijzigde standpunt van het Uwv heeft appellant volstaan met de mededeling dat hij zich niet kan vinden in de bevindingen van het Uwv.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de beëindiging van de ZW-uitkering in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW behoudt een betrokkene na 52 weken van ongeschiktheid tot werken zijn ZW-uitkering, als hij als gevolg van ziekte minder kan verdienen dan 65% van zijn laatstverdiende loon (maatmaninkomen). Dit percentage wordt berekend door het maatmaninkomen te vergelijken met het loon dat hij kan verdienen in passende functies. Bij deze beoordeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de systematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Ook deze beoordeling is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek. Beide aspecten worden hieronder besproken.
Procedureel
De beroepsgrond van appellant dat de rechtbank hem in de gelegenheid had moeten stellen te reageren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 februari 2023 alvorens het onderzoek te sluiten slaagt. De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst om het Uwv in de gelegenheid te stellen een verzekeringsarts bezwaar en beroep te laten reageren op het door appellant ingediend rapport van Van Beem. Het Uwv heeft het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 22 februari 2023 aan de rechtbank toegezonden. Bij brief van 27 februari 2023 is dit stuk aan de gemachtigde van appellant toegezonden, waarbij direct te kennen is gegeven dat de rechtbank heeft bepaald het onderzoek ter zitting achterwege te laten. Het verzoek van appellant om heropening van het onderzoek zodat een nadere reactie van de door hem ingeschakelde deskundige op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep bij de beoordeling zou kunnen worden betrokken, heeft de rechtbank afgewezen. Niet gebleken is dat de rechtbank partijen heeft gewezen op het recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Dit leidt tot de conclusie dat de rechtbank niet op juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu Van Beem alsnog op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gereageerd en de Raad op verzoek van de Raad een deskundige heeft benoemd, behoeft de zaak naar het oordeel van de Raad geen nadere behandeling door de rechtbank. De Raad zal de zaak zonder terugwijzing afdoen.
Medische beoordeling
Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter de conclusies van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. De rapporten van de deskundigen geven blijk van een zorgvuldig onderzoek en deze zijn inzichtelijk en consistent. De deskundigen hebben dossierstudie verricht, appellant onderzocht en de beschikbare medische informatie kenbaar bij hun boordeling betrokken. Ook anderszins zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven de rapporten niet te volgen.
In zijn rapport heeft Bouwens toegelicht dat uit de beschikbare informatie van behandelaars voldoende duidelijk blijkt dat het bestaan van een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld naast de klachten, symptomen en gedragingen passend bij autisme, vrijwel geheel kan worden uitgesloten. Ernstige cognitieve beperkingen in de zin van duidelijke afwijkingen in de aandachts- of geheugenfuncties konden niet worden geobjectiveerd. Ook andere ernstige problemen zoals een verstoring in de realiteitstoetsing en stoornissen in de vorm van het denken waren er niet. Wel acht hij het aannemelijk dat de aanhoudende problemen in de sociale communicatie en interactie en sterke behoefte aan routine en patronen (die zich uit zodra routines en patronen verstoord raken) er ook op de in geding zijnde datum waren. Er zou dan ook rekening moeten worden gehouden met problemen in de sociale communicatie en sociale interactie, zoals het hanteren van negatieve emoties van anderen, het omgaan met conflictsituaties en samenwerken. Dit geldt ook voor het uiten van emoties en het inschakelen van hulp. Bouwens heeft geen duidelijke energetische beperkingen kunnen vaststellen. Wel acht hij het mogelijk dat appellant zich door oplopende stress fors uitgeput en vermoeid heeft gevoeld. Bouwens vermoedt dat appellant niet acht uur op een dag optimaal kan functioneren. Een veel kwantitatievere uitspraak op dat gebied zou hij niet kunnen onderbouwen.
Wat appellant in reactie op het rapport van Bouwens naar voren heeft gebracht, geeft geen aanleiding om de conclusies van Bouwens niet te volgen. Voor zover appellant met zijn stelling dat Bouwens veel bevindingen noteert met betrekking tot de huidige situatie van appellant, terwijl zijn klachten en beperkingen de laatste tijd enorm zijn afgenomen bedoelt te betogen dat de bevindingen van Bouwens geen betrekking hebben op de datum in geding, wordt appellant hier niet in gevolgd. Bij zijn beantwoording heeft Bouwens duidelijk gemaakt dat zijn bevindingen wel degelijk betrekking hebben op de datum van 18 januari 2022. Ook blijkt uit het rapport dat Bouwens zich bewust was van het feit dat de situatie van appellant op de datum in geding slechter was, nu expliciet is vermeld dat appellants situatie vanaf 2024 langzaam wat beter is geworden. In zijn beschouwing en bij de beantwoording van de vragen geeft Bouwens duidelijk weer dat hij een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld – naast de klachten, symptomen en gedragingen passend bij autisme – vrijwel geheel kan uitsluiten. Ook geeft hij te kennen op welke gebieden volgens hem wel beperkingen aangewezen zijn. Bouwens heeft bovendien opgemerkt dat hij het klachten- en symptomenbeeld dat door Van Beem in november 2022 is beschreven, niet beduidend veel vindt afwijken van de beschrijving van het beeld op 18 januari 2022, zoals geschetst door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep). Duidelijke energetische beperkingen die een urenbeperking rechtvaardigen, heeft Bouwens evenmin kunnen vaststellen.
Appellant heeft geen argumenten naar voren gebracht waarom de bevindingen van Cheng niet juist zouden zijn.
Het Uwv heeft de conclusies van de deskundigen vertaald in beperkingen voor de datum in geding en neergelegd in de FML van 22 juni 2026. In overeenstemming met de conclusie van Cheng zijn in de FML ook beperkingen aangenomen op de items 1.8.1 (geen afleiding door activiteiten door anderen) en 2.11 (beroepsmatig vervoer). Appellant heeft geen (medische) informatie ingediend op grond waarvan aan de juistheid van de FML getwijfeld moet worden. Geconcludeerd wordt daarom dat de aangepaste FML voor de datum in geding een juist beeld geeft van de beperkingen van appellant en zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten.
Arbeidskundige beoordeling
Met het rapport van 1 juli 2026 heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overtuigend gemotiveerd dat appellant met de in 4.7 genoemde aanpassingen in de FML niet meer geschikt is voor de geselecteerde functies, maar dat een nieuwe CBBS-raadpleging drie nieuwe functies, binnen dezelfde SBC-codes heeft opgeleverd, die wel passend zijn te achten. Er bestaat geen aanleiding om aan de juistheid van het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep te twijfelen.
Conclusie en gevolgen
5. Het hoger beroep slaagt dus niet. Omdat het bestreden besluit pas in hoger beroep is voorzien van een toereikende medische en arbeidskundige onderbouwing, wordt geoordeeld dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb is genomen. Aannemelijk is dat appellant hierdoor niet is benadeeld, omdat ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan een besluit met gelijke uitkomst zou zijn genomen. Onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb zal de schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb daarom worden gepasseerd. Het bestreden besluit kan dus in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak zal – voor zover aangevochten – worden bevestigd met verbetering van gronden. Dit betekent dat de beëindiging van de ZW-uitkering in stand blijft.
De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden voor de beroepsfase begroot op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,-, en wegingsfactor 1) en voor hoger beroep op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de reactie op het deskundigenrapport van Bouwens met een waarde per punt van € 934,-) voor verleende rechtsbijstand. Dit bedraagt in totaal € 4.203,-.
De door appellant gemaakte deskundigenkosten komen in aanmerking voor vergoeding tot een bedrag van € 3.081,58 (inclusief omzetbelasting).
In totaal dient het Uwv dus € 7.284,58 aan proceskosten te vergoeden. Verder dient het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-
bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
-
veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 7.284,58;
-
bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van M.S. van Veller als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) M.S. van Veller