RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1680
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, namens deze de Omgevingsdienst Brabant Noord, het college
(gemachtigden: mr. E.C.S.F. Frenken en mr. S.B.Y. van den Berg)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA)
(gemachtigde: mr. L. Van Els)
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres tegen de aan het COA1 verleende omgevingsvergunning voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter als gevolg van de realisatie van een asielzoekerscentrum op bedrijventerrein [naam] , gelegen aan de [adres] te [woonplaats] .
Eiseres is het niet eens met de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar in het besluit van 22 april 2026 (het bestreden besluit). Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank laat echter wel de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat zij van oordeel is dat eiseres onvoldoende feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft verricht, waaruit blijkt dat zij het rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt. Om die reden klopt de conclusie van het college, dat eiseres geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb is, naar het oordeel van de rechtbank wel, alleen de motivering van die conclusie was ontoereikend.
Procesverloop
2. Op 4 februari 2025 heeft het COA een omgevingsvergunning ingediend voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter.
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning met het besluit van 12 augustus 2025 verleend. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Met het bestreden besluit van 22 april 2026 heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Hier heeft eiseres nader op gereageerd.
Op 4 september 2026 heeft eiseres, hangende het beroep, ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer SHE 26/2659.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek gelijktijdig op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] namens eiseres, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van het COA.
Feiten en omstandigheden
3. Het COA is voornemens om een tijdelijk asielzoekerscentrum (AZC) te realiseren op het bedrijventerrein [naam] , gelegen aan de [adres] te ’ [vestigingsplaats] (de locatie). Het COA heeft daartoe bij de gemeente ’s-Hertogenbosch op 16 januari 2025 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa).2 Deze bopa-vergunning is op 4 november 2025 verleend.3
De locatie betreft een (ten tijde van de aanvraag) grotendeels braakliggend terrein, centraal gelegen binnen het bedrijventerrein. De locatie is, zo volgt uit waarnemingen in juli 2024, ook het foerageergebied van de steenmarter, met voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter. Om het terrein bouwrijp te maken moeten de binnen de locatie bestaande opstallen, het hekwerk en de aanwezige vegetatie worden verwijderd.
Op 4 februari 2025 heeft het COA daarom ook een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend4 voor een flora- en fauna-activiteit op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de Omgevingswet. De aanvraag ziet op het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter op de locatie. De aanvraag heeft het COA op onder meer 15 juli 2025 aangevuld.
Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit met het besluit van 12 augustus 2025 verleend. In de omgevingsvergunning worden verschillende vereiste maatregelen beschreven, zoals het realiseren van alternatieve verblijfplaatsen voor de steenmarter in het compensatiegebied en het versterken en verbeteren van de bestaande groenstructuren5 die de steenmarters gebruiken om het compensatiegebied6 te bereiken.
Met het bestreden besluit van 22 april 2026 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen de omgevingsvergunning van 12 augustus 2025 – overeenkomstig het advies van de door hen ingestelde bezwaarcommissie7 – niet-ontvankelijk verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat eiseres geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb is.
Beoordeling door de rechtbank
Geschilpunt
4. In geschil is de vraag of het college het bezwaar van eiseres op goede gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard door haar niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb aan te merken.
Toetsingskader
5. Uit artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, volgt dat uitsluitend aan belanghebbenden het recht is toegekend om beroep in te stellen bij een bestuursrechter.8
Artikel 7:1, eerste lid, van de Awb bepaalt dat degene aan wie het recht is toegekend beroep in te stellen bij een bestuursrechter, alvorens beroep in te stellen, bezwaar dient te maken.
Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat belanghebbende is: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Op grond van het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
Bespreking beroepsgronden
6. Eiseres voert aan dat het college de niet-ontvankelijkverklaring in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd en niet zorgvuldig heeft voorbereid, aangezien het college niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom eiseres niet als belanghebbende in de zin van de Awb kan worden aangemerkt. Voor de belanghebbendheid is beslissend welke belangen het bestreden besluit raakt en of de stichting die belangen statutair en feitelijk in het bijzonder behartigt. Deze omgevingsvergunning ziet op aantasting van vaste voortplantings- en rustplaatsen van de steenmarter binnen Groot-Meerendonk en bevat voorschriften over bestaande groenstructuren, een groenzone, compensatie, alternatieve verblijfplaatsen, beheer en monitoring. Daarmee raakt de vergunning volgens eiseres rechtstreeks aan haar statutaire doelstelling om de kwaliteit van ‘bestaande natuurgebieden’ in Groot-Meerendonk te behouden, te versterken dan wel te herstellen. In een stedelijke omgeving wordt de kwaliteit van de plaatselijke natuur mede bepaald door samenhangende groenzones, groenstructuren, ecologisch functionerend leefgebied en de verbindingen tussen die onderdelen. De materiële natuurkwaliteit valt hier binnen artikel 3, eerste lid, onder c, van de statuten. De vergunning gaat immers niet slechts in abstracte zin over soortenbescherming, maar reguleert ook de aantasting, verplaatsing, versterking en het beheer van concrete plaatselijke natuurwaarden binnen het statutaire werkgebied. De groenstructuren hebben een functie als leef- en foerageergebied voor de steenmarter. Een ruimtelijke ingreep waarbij dergelijke structuren verdwijnen, raakt de ecologische kwaliteit en samenhang van het gebied, aldus eiseres.
Voorts voert eiseres, samengevat, aan dat in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel in het bestreden besluit ten onrechte geen beoordeling van haar feitelijke werkzaamheden heeft plaatsgevonden om te bepalen of zij het betrokken belang daadwerkelijk behartigt. Zij wijst op het verweerschrift, waarin het college haars inziens erkent dat zij haar achterban informeert over ontwikkelingen in de buurt, deelneemt aan door de gemeente georganiseerde bijeenkomsten, overleg voert met de gemeente en zo nodig juridische stappen onderneemt. Daarmee staat volgens eiseres vast dat zij daadwerkelijk activiteiten verricht ter verwezenlijking van haar statutaire doelstellingen. De feitelijke werkzaamheden van eiseres betreffen ook contacten met organisaties op het gebied van natuur en ecologie en het infomeren van bewoners daarover. Haars inziens voldoet zij gelet daarop aan alle vereisten van het begrip belanghebbende van artikel 1:2 van de Awb.
Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat een rechtspersoon op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb alleen belanghebbende kan zijn als deze enerzijds krachtens zijn statutaire doelstelling en anderzijds blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Volgens het college is hier niet aan het eerste vereiste van statutaire doelstelling voldaan omdat uit artikel 3 van de statuten van eiseres niet volgt dat zij zich inzet voor het behoud, de bescherming en verbetering van de kwaliteit en diversiteit van de natuur. De term ‘leefbaarheid’ in artikel 3, eerste lid, onder a en c, van de statuten is volgens het college evenmin specifiek genoeg om te concluderen dat eiseres aan het (eerste) vereiste van statutaire doelstelling voldoet. Alleen al hierom heeft het college eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Pas in het verweerschrift9 en ter zitting van de rechtbank heeft het college het nadere standpunt ingenomen dat evenmin wordt voldaan aan het tweede vereiste van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Volgens het college houden de door eiseres verrichte feitelijke werkzaamheden onvoldoende rechtstreeks verband met de belangen die door het bestreden besluit worden beschermd. Het college wijst erop dat het begrip belanghebbende van artikel 1:2 van de Awb twee cumulatieve voorwaarden heeft, en dat dus aan beide voorwaarden moet zijn voldaan om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt.
Oordeel rechtbank
7. De rechtbank overweegt als volgt. Het gaat hier om een omgevingsvergunning voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van de steenmarter. De steenmarter was blijkens het zich onder de gedingstukken bevindende ‘Activiteitenplan steenmarter’10 actief in de groenzone die zich aan de (zuid)oostzijde van het bedrijventerrein [naam] , in de wijk Groot-Meerendonk bevond. Die groenzone bestond uit opgaande vegetatie en ruigte. De omgevingsvergunning reguleert ook het verwijderen van die vegetatie op de locatie en het realiseren van een compensatiegebied en versterken van bestaande groenstroken elders. Dit raakt naar het oordeel van de rechtbank de in artikel 3, onder c, van de statuten van eiseres neergelegde doelstelling om de kwaliteit van de bestaande natuurgebieden11 te behouden dan wel te versterken dan wel te herstellen in, specifiek, de wijk Groot-Meerendonk. Het standpunt van het college, dat eiseres alleen al omdat zij niet aan het in artikel 1:2 van de Awb neergelegde vereiste van statutaire doelstelling voldoet, niet-ontvankelijk in haar bezwaar is, kan dus geen standhouden.
Dit betekent dat het college het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. Dat is in strijd met de artikelen 3:2 en artikel 7:12 van de Awb. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.
De rechtbank zal hieronder onderzoeken of zij met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kan laten. Daarover overweegt zij als volgt.
In het kader van de vraag of eiseres al dan niet belanghebbende is, moet ook worden vastgesteld of eiseres voldoende werkzaamheden heeft verricht die kunnen worden aangemerkt als feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb, waaruit blijkt dat zij het rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang in het bijzonder behartigt. Het gaat hierbij dan om feitelijke werkzaamheden die zien op “de kwaliteit van de bestaande natuurgebieden12 te behouden dan wel te versterken dan wel te herstellen in, specifiek, de wijk Groot-Meerendonk” aangezien dát doel in de statuten een link heeft met onderstaande omgevingsvergunning. Niet voldoende is dus, zoals eiseres in haar reactie op het verweerschrift13 bepleit, dat verweerder erkent dat uit haar feitelijke werkzaamheden blijkt dat zij haar overige statutaire doelstellingen behartigt.
Volgens vaste rechtspraak14 moet bij de beoordeling of een rechtspersoon feitelijke werkzaamheden verricht waarmee zij een bepaald belang in het bijzonder behartigt, worden uitgegaan van de feitelijke werkzaamheden die de rechtspersoon heeft verricht tot uiterlijk de dag voor het einde van de termijn waarbinnen bezwaar kan worden gemaakt, dus in dit geval tot 24 september 2025. Feitelijke werkzaamheden van eiseres van ná die datum dienen dus buiten beschouwing te worden gelaten. Voor werkzaamheden van voor die datum geldt dat aan werkzaamheden verricht in het jaar vóór het instellen van bezwaar het meeste gewicht toekomt.15
Verder geldt op grond van vaste rechtspraak16 dat alleen het in rechte opkomen tegen besluiten niet wordt aangemerkt als het verrichten van feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb. Dat geldt ook voor werkzaamheden die daarmee verband houden, zoals het indienen van zienswijzen over ontwerpbesluiten, het vergaren van informatie ten behoeve van bestuursrechtelijke procedures en het via de website informeren van derden over aanhangige of afgeronde procedures.
Concluderend: het gaat er dus om dat er (naast het indienen van zienswijzen en het voeren van procedures) door eiseres vanaf haar oprichting op 17 februari 2025 tot aan 24 september 2025 voldoende relevante feitelijke werkzaamheden ter verwezenlijking van het statutaire doel “de kwaliteit van de bestaande natuurgebieden te behouden dan wel te versterken dan wel te herstellen in de wijk Groot-Meerendonk” zijn uitgevoerd. De rechtbank zal hier in de volgende overwegingen nader op ingaan.
Uit de stukken blijkt dat eiseres op haar website17 vermeldt dat zij als initiatiefgroep regelmatig contact heeft gehad met de gemeente en andere betrokken partijen en hun zorgen hebben gedeeld over onderwerpen zoals de inrichting van het gebied en de impact op de natuur in en rond de wijk. Zij gaat op haar website ook specifiek in op Meerendonk en de natuur aldaar.18 De enkele vermelding op haar website hiervan is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende om als verrichte relevante feitelijke werkzaamheden te worden aangemerkt. Ook blijkt uit de website niet op welke datum deze berichten zijn geplaatst.
Uit een e-mail van 15 mei 202519 met onder meer de zinsnede ‘jullie vereniging’ blijkt dat eiseres een mail heeft gestuurd aan waarschijnlijk de voetbalvereniging (geanonimiseerd) aan wie zij heeft gevraagd om van gedachten te wisselen over de gemeentelijke plannen voor Groot-Meerendonk, waaronder de ontwikkeling van een nieuwe wijk meer ruimte voor onder meer groen. Daarnaast blijkt uit een door eiseres overgelegd appbericht dat begint met ’t omwonendenoverleg stelde je twee vragen’20 blijkt dat inwoners vragen hebben gesteld over aanvullende onderzoeken van het COA op onder meer bodem, stikstof, flora en fauna. Onduidelijk is echter aan wie het appbericht is gericht en het appbericht is ongedateerd zodat niet is vast te stellen of dit in de te beoordelen periode valt.
Dat in het “omwonendenoverleg Pettelaarpark” van 19 februari 2025 zou zijn gesproken over de steenmarter en vervolgens door eiseres als stichting zelf (dus niet door de omwonenden/inwoners zoals is vermeld in productie 9.10 en de notulen)21 stukken over ecologie zouden zijn opgevraagd, blijkt niet of onvoldoende uit de notulen van dat overleg. Uit door eiseres overgelegde screenshots22 blijkt dat zij de inloopavonden van 25 maart 2025 en 23 april 2025 heeft bijgewoond, maar uit de stukken blijkt niet of het daarbij ook over een aan het statutaire doel rakend onderwerp ‘de kwaliteit van de bestaande natuurgebieden te behouden dan wel te versterken dan wel te herstellen in de wijk Groot-Meerendonk’ ging, en evenmin wat daarbij de inbreng van eiseres was.In de door eiseres overgelegde productie 1223 wordt melding gemaakt van een appbericht van 20 februari 2025 waarin staat: “Gisteren omwonendenoverleg gehad, meest opvallende is dat onderzoeken naar bodem en ecologie nog lopen” maar het appbericht zelf ontbreekt zodat dit niet controleerbaar is.Het appbericht24 van 21:22 uur waarin wordt gesproken over lopende onderzoeken over onder meer bodem en flora en fauna, wat begint met ‘Op 27 augustus jl’ mist een jaartal zodat niet is vast te stellen of dit in de te beoordelen periode valt, en uit het appbericht is niet af te leiden dat dit inderdaad een correspondentiebericht met de gemeente is zoals eiseres stelt.
De mailwisseling met IVN van 21 januari 202625 valt buiten de hier te beoordelen periode tot aan 24 september 2025, en uit de inhoud blijkt niet dat deze, zoals eiseres stelt, over de natuurwaarden van Groot-Meerendonk handelt.Het e-mail en appverkeer van 29 april 202626 over de vraag waarom de sportspot nabij speeltuin Z’uitje is verwijderd en of het terrein wordt ingezaaid met gras valt eveneens buiten de hier te beoordelen periode.Het chronologisch overzicht dat eiseres heeft overgelegd bij de aanvullende beroepsgronden van 7 juli 2026 kan, voor zover dit ziet op data vóór de oprichting van eiseres als Stichting – op 17 februari 2025 – ook niet worden meegenomen bij de beoordeling of eiseres voldoende feitelijke werkzaamheden heeft verricht, omdat zij voor 17 februari 2025 nog niet bestond als rechtspersoon in haar huidige vorm.
Zoals hiervoor al uiteen is gezet27 wordt het in rechte opkomen tegen besluiten en daarmee verband houdende werkzaamheden, niet aangemerkt als het verrichten van feitelijke werkzaamheden in de zin van artikel 1:2, derde lid, van de Awb.
De rechtbank concludeert dat eiseres in de te beoordelen periode vanaf haar oprichting op 17 februari 2025 tot aan 24 september 2025 onvoldoende feitelijke werkzaamheden heeft verricht op het terrein van ‘de kwaliteit van de bestaande natuurgebieden te behouden dan wel te versterken dan wel te herstellen in de wijk Groot-Meerendonk’ om te kunnen zeggen dat zij dit belang blijkens haar feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt. Dit betekent dat eiseres niet voldoet aan het vereiste van artikel 1:2 van de Awb en niet als belanghebbende, ten aanzien van deze omgevingsvergunning, kan worden aangemerkt.
De rechtbank laat daarom de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, dat het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk is, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb wel de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat ook als naar de relevante feitelijke werkzaamheden van eiseres wordt gekeken de conclusie luidt dat zij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.
Nu het rechtsgevolg ‘niet ontvankelijk’ in stand blijft, betekent dit dat het college geen inhoudelijk besluit op de bezwaren van eiseres hoeft te nemen.
9. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden.
De rechtbank ziet geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Eiseres is zowel in bezwaar als beroep vertegenwoordigd door haar voorzitter/bestuurder en niet door een professioneel gemachtigde, terwijl van overige te vergoeden proceskosten niet is gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 april 2026;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Grimbergen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.H. Snoeij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht (Awb)
1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2. (…)
3. Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.
artikel 3:2 van de Awb
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
artikel 7:1 van de AwbDegene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken, tenzij (…).
artikel 7:12 van de Awb
1. De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.
artikel 8:1 van de Awb
Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.
artikel 8:72 van de Awb
1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.
2. De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.
3. De bestuursrechter kan bepalen dat:
-
de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of
-
(…)
4. De bestuursrechter kan, indien toepassing van het derde lid niet mogelijk is, het bestuursorgaan opdragen een nieuw besluit te nemen (…).
Statuten van Stichting Groot Meerendonk (statuten)
artikel 3 van de statuten
Doel
1. De Stichting heeft ten doel:
a. het behoud, de bescherming en de versterking van de identiteit, de (sociale) leefbaarheid, de sociale cohesie, de infrastructuur en de veiligheid van de wijk Groot-Meerendonk;
b. het behoud van de cultuurhistorische waarde van de wijk Groot-Meerendonk;
c. de kwaliteit van de bestaande natuurgebieden te behouden dan wel te versterken dan wel te herstellen in de wijk Groot-Meerendonk, en voorts al hetgeen in de ruimste zin met één en ander verband houdt, daartoe behoort en/of daartoe bevorderlijk kan zijn.
2. De Stichting tracht haar doel onder meer te bereiken door:
a. het beoordelen van plannen van de gemeente en/of de provincie en zonodig actie ondernemen;
b. het participeren in de ontwikkeling van omgevingsvisies, omgevingsplannen en in algemene zin (pro)actief reageren op zaken die impact kunnen hebben op een aangenaam en veilig woonklimaat, waaronder mede kunnen worden verstaan voornemens tot opvang en huisvesting van vluchtelingen;
c. het verstrekken van informatie en duiding van overheidsvoornemens en ontwikkelingen in de omgeving aan de inwoners van de wijk Groot-Meerendonk. Indien er sprake is van invloed van de gemeente 's-Hertogenbosch wordt dit bij voorkeur gedaan in samenspel met de gemeente. Indien hier geen sprake van is, kunnen initiatieven worden gestart om de participatie van de gemeente, provincie of andere bestuursorganen in de voortrajecten van de besluitvorming te bevorderen;
d. het gevraagd of ongevraagd uitbrengen van advies bij de bevoegde instanties of personen ter behartiging van in de doelstelling omschreven belangen in gevallen waarbij dit wenselijk wordt geacht;
e. Het gebruiken/inzetten van alle andere wettige middelen, zoals het stimuleren of (doen) voeren van procedures voor en door (groepen van) bewoners.
3. De Stichting dient het algemeen belang.