ECLI:NL:RBNNE:2026:4259

Datum uitspraak
06-10-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Rechtsgebied
Strafrecht; Materieel strafrecht
Zaaknummer
18-102962-26
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring t.a.v. voorhanden hebben (vuur)wapens, opzettelijk aanwezig hebben hard- en softdrugs en in voorraad hebben valse bankbiljetten met oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven. Veroordeling tot gevangenisstraf 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.102962.26

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 oktober 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd (uit anderen hoofde) te [instelling 1] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 september 2026.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. N.J.H. Lina, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Potijk.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 april 2026 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten:

  • een pistool van het merk Blow, type TR34, zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool en/of

  • (een) wapen (onderde(e)l(en)) van categorie III onder 1 van de wet wapens en munitie, te weten een bijbehorende patroonmagazijn en/of

  • munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 4 april 2026 te Groningen opzettelijk een of meer bankbiljetten van vijftig euro (ongeveer 196 stuks voorzien van hetzelfde serienummer [nummer] ) en/of een bankbiljet van twintig euro (1 stuks voorzien van het serienummer [nummer] ) dat/die hij, verdachte, zelf heeft nagemaakt en/of vervalst en/of waarvan de valsheid en/of vervalsing hem, toen hij deze ontving bekend was met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 4 april 2026 te Groningen, althans in Nederland opzettelijk en wederrechtelijk een of meer muntspeciën en/of munt- of bankbiljetten van vijftig euro (ongeveer 196 stuks voorzien van hetzelfde serienummer [nummer] ) en/of een bankbiljet van twintig euro (1 stuks voorzien van het serienummer [nummer] ), welke bestemd was/waren om als wettig betaalmiddel in omloop te worden gebracht, in omloop heeft gebracht en/of teneinde deze in omloop te brengen heeft ontvangen, zich heeft verschaft en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft vervoerd, ingevoerd, doorgevoerd en/of heeft uitgevoerd;

3.

hij op of omstreeks 4 april 2026 te Groningen en/of (elders) in Nederland, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad

  • een hoeveelheid bruine brokjes en/of kristalachtig poeder (ongeveer 12,13 gram, 0,74 gram, 0,37 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of

  • een hoeveelheid wit poeder (ongeveer 19,76 gram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 4 april 2026 te Groningen en/of (elders) in Nederland, althans in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 50,76 gram, 142,34 gram en 13,12 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

5.

hij op of omstreeks 4 april 2026 te Groningen en/of (elders) in Nederland, althans in Nederland, een wapen(s), van categorie I, onder 1° of 3° van de Wet wapens en munitie, te weten

- een slagwapen en/of ploertendoder van metaal, voorzien van een rubberen handvat met grip, met in het handvat een uitschuifbare staaf met een verzwaard uiteinde,

voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd voor het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2 primair en subsidiair. Verdachte heeft verklaard dat het valse geld bestemd was voor een drillrapvideo van een vriend en dat hij dit nergens anders voor heeft willen gebruiken of gebruikt. Het aangetroffen rolletje in zijn jas maakt dit niet anders en zou ook kunnen worden verklaard doordat verdachte mogelijk op weg was naar de vriend van de drillrap. Derhalve ontbreekt het oogmerk om het valse geld als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven.

De raadvrouw heeft zich ten aanzien van de overige feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht feiten 1, 2 primair, 3, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

  1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 22 september 2026;

  2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2026, opgenomen op pagina 38 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2026087983 d.d. 13 mei 2026, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] ;

  3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2026, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] ;

  4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 6 mei 2026, opgenomen op pagina 50 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;

  5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal forensisch technisch onderzoek valse bankbiljetten d.d. 23 april 2026, opgenomen op pagina 81 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] ;

  6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 7 april 2026, opgenomen op pagina 72 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] ;

  7. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt rapport d.d. 7 april 2026, opgenomen op pagina 77 van voornoemd dossier, betreffende het onderzoek naar verdovende middelen verricht door ing. [deskundige] ;

  8. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt rapport d.d. 7 april 2026, opgenomen op pagina 78 van voornoemd dossier, betreffende het onderzoek naar verdovende middelen verricht door ing. [deskundige] ;

9. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt rapport d.d. 7 april 2026, opgenomen op pagina 79 van voornoemd dossier, betreffende het onderzoek naar verdovende middelen verricht door ing. [deskundige] ;

10. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt rapport d.d. 7 april 2026, opgenomen op pagina 80 van voornoemd dossier, betreffende het onderzoek naar verdovende middelen verricht door ing. [deskundige] ;

11. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 april 2026, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] ;

12. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 april 2026, opgenomen op pagina 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] .

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 2 primair:

Uit de onder 1 en 2 genoemde bewijsmiddelen kan het volgende worden afgeleid. Verdachte heeft verklaard dat hij op het moment van ontvangst van het geld wist dat dit vals was. Tijdens de doorzoeking in de kamer van verdachte zijn de valse bankbiljetten gevonden op het bed in een envelop (met daarin ook een bankpas op naam van verdachte) én in de zak van een jas (waarin ook het paspoort van verdachte zat) die aan een draaikast hing. De som van het inbeslaggenomen nepgeld bedraagt 9.820,-.

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat wel sprake is van het oogmerk om de valse bankbiljetten als echt en onvervalst uit te geven dan wel te doen uitgeven, gelet op de voormelde wijze van aantreffen van (met name) het gedeelte vals geld in verdachtes jaszak. Hieruit kan worden afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte daadwerkelijk de bedoeling heeft gehad om het valse geld uit te geven. Daarbij acht de rechtbank het scenario van verdachte dat het valse geld louter bestemd was voor het opnemen van een (drill)rapvideo ongeloofwaardig, ook aangezien dat door geen enkel stuk in het dossier wordt ondersteund. Ook de suggestie dat verdachte het valse geld in zijn jaszak had omdat hij wellicht onderweg was naar de vriend van de drillrap, is niet onderbouwd en vindt geen steun in het dossier.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1, 2 primair, 3, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat: 1.

hij op 4 april 2026 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te

weten:

  • een pistool van het merk Blow, type TR34, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en

  • een wapenonderdeel van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een bijbehorende patroonmagazijn en

  • munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie voorhanden heeft gehad;

2 primair.

hij op 4 april 2026 te Groningen opzettelijk bankbiljetten van vijftig euro (196 stuks voorzien van hetzelfde serienummer [nummer] ) en een bankbiljet van twintig euro (1 stuk voorzien van het serienummer [nummer] ), waarvan de valsheid hem, toen hij deze ontving, bekend was, met het oogmerk om deze als echt en onvervalst uit te geven en/of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

3.

hij op 4 april 2026 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad

  • een hoeveelheid bruine brokjes en/of kristalachtig poeder (12,13 gram, 0,74 gram, 0,37 gram), van een materiaal bevattende MDMA en

  • een hoeveelheid wit poeder (19,76 gram), van een materiaal bevattende cocaïne,

zijnde MDMA en cocaïne, telkens middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op 4 april 2026 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad 50,76 gram, 142,34 gram en 13,12 gram, hoeveelheden van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

5.

hij op 4 april 2026 te Groningen een wapen van categorie I, onder 3° van de Wet wapens en munitie, te weten

- een ploertendoder van metaal, voorzien van een rubberen handvat met grip, met in het handvat een uitschuifbare staaf met een verzwaard uiteinde, voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

2 primair. bankbiljetten waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben;

3. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

4. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

5. handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van de duur van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden verbonden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat het onvoorwaardelijke deel van een op te leggen gevangenisstraf de duur van de door verdachte reeds uitgezeten voorlopige hechtenis niet zal overschrijden. Daarnaast heeft zij bepleit een groot gedeelte van een op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke zin op te leggen, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, en eventueel een taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 augustus 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich op schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool, een bijbehorend kogelmagazijn, -patronen en een ploertendoder. Het ongeoorloofde bezit van het vuurwapen en de munitie brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en versterkt daarnaast in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid. Daarbovenop betrof het een omgebouwd (alarm)pistool, hetgeen in geval van gebruik kan leiden tot extra onvoorspelbaarheid en gevaarzetting met alle mogelijke gevolgen van dien.

Daarnaast heeft verdachte opzettelijk aanwezig gehad ruim dertien gram MDMA, bijna twintig gram cocaïne en meer dan tweehonderd gram hasjiesj. Het onwettig beschikken over deze verdovende middelen draagt bij aan de instandhouding van onderliggende criminaliteit, namelijk het drugscircuit en de vele daarmee gepaard gaande vormen van criminaliteit. Ook leveren harddrugs een ernstig gevaar op voor de volksgezondheid, omdat ze verslavend zijn en regelmatig gebruik daarvan nadelige gevolgen heeft voor het welzijn.

Tot slot heeft verdachte een flinke hoeveelheid valse bankbiljetten, waarvan hij, toen hij deze ontving, wist dat ze vals waren, met de bedoeling om het geld als echt en onvervalst uit te geven, in voorraad gehad.

Het uiteindelijk in omloop brengen van vals geld berokkent het vertrouwen in papiergeld en het monetaire verkeer grote schade en dupeert eveneens de latere onwetende bonafide ontvanger in ernstige mate.

Tevens ondervindt het handelsverkeer als geheel door het later in omloop brengen van valse bankbiljetten hinder en nadeel.

De rechtbank rekent verdachte dit alles aan.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van voornamelijk andersoortige delicten.

De rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies gedateerd op 24 augustus 2026. Daaruit volgt dat -onder meer- de financiën, het psychosociaal functioneren, middelengebruik en mogelijk zijn sociale netwerk als delictgerelateerd worden beschouwd. Verdachte kent al langere tijd problemen op meerdere leefgebieden; er is sprake van instabiliteit op het gebied van wonen, werken en inkomen.

Verdachte heeft geen opleiding afgerond. Hij beschikt op dit moment niet over vaste huisvesting, waardoor het voor hem onmogelijk is om een uitkering aan te vragen, dagbesteding of structuur op te bouwen, of toegang te krijgen tot aanvullende hulpverlening en andere voorzieningen. Daarnaast zijn er signalen van mogelijke onderliggende problematiek, zoals een licht verstandelijke beperking.

Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog en het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingecalculeerd als gemiddeld. In het kader van het schorsingstoezicht bij de reclassering komt verdachte zijn afspraken grotendeels na en blijft actief in het contact.

Er worden geen contra-indicaties gezien voor een eventuele gevangenisstraf. Voorts wordt opgemerkt dat kortgeleden meerdere taakstraffen negatief zijn geretourneerd.

Geadviseerd wordt tot oplegging van een (deels) voorwaardelijke straf, met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, inspannen voor dagbesteding en beheersing van het middelengebruik.

Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven te willen meewerken aan de vorenbedoelde voorwaarden.

Motivering oplegging van de strafsoort en -duur

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). De oriëntatiepunten van het LOVS voor het voorhanden hebben van een pistool, categorie III.1, in een woning en het aanwezig hebben van harddrugs, tussen de tien en vijftig gram, gaan respectievelijk uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden en een onvoorwaardelijke taakstraf van tachtig uren.

Voor het aanwezig hebben van een paar honderd gram softdrugs en het voorhanden hebben van een ploertendoder staan in oriëntatiepunten van het LOVS geldboetes van telkens enkele honderden euros.

Gelet op het bovenstaande, de aard en ernst van de feiten en de persoon van verdachte is de rechtbank van oordeel dat slechts de oplegging van een gevangenisstraf van enige duur is aangewezen. Gezien de inhoud van het reclasseringsadvies acht de rechtbank het opleggen van andere strafsoorten, een geldboete dan wel een taakstraf, niet passend. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de helft van de gevangenisstraf in voorwaardelijke zin als stok achter de deur op te leggen, gelet op enerzijds het als hoog ingeschatte recidiverisico en anderzijds de problematiek van verdachte op meerdere leefgebieden waarvoor hulpverlening noodzakelijk is.

Concluderend kan de rechtbank zich in de eis van de officier van justitie vinden, met uitzondering van de duur van de proeftijd.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest. De rechtbank legt daarbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden op, een en ander zoals hierna in het dictum is bepaald.

Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis wordt met ingang van heden opgeheven.

Inbeslaggenomen goederen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de wapens en drugs moeten worden onttrokken aan het verkeer en de weegschaal en telefoons dienen te worden geretourneerd aan verdachte (als beslagene).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de weegschaal en vier telefoons terug te geven aan verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: twee stuks verdovende middelen (12,1 gram MDMA en 0,74 gram MDMA), de ploertendoder, het pistool en de twee stuks patronen (patroonhouder, munitie en kogelpatronen), vatbaar voor onttrekking aan het verkeer met betrekking tot welke feiten 1, deels 3 en 5 zijn begaan en zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: vier telefoons en twee weegschalen, moeten worden teruggegeven aan verdachte (tevens beslagene) nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57 en 209 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 13, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vier (4) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op (2) twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  1. zich blijft melden op afspraken met de reclassering [instelling 2] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.;

  2. zich laat behandelen door de AFPB Van Mesdag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start bij ingaan van de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en/of andere problematiek.;

  3. verblijft in/bij de beschermde woonvorm van het Leger des Heils te Groningen of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering het verblijf nodig vindt. Het verblijf start zodra er plek beschikbaar is. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.;

  4. zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk of dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.;

  5. meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit

urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltests. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:

  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de inbeslaggenomen goederen, te weten:

  • 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: 12,1 gram), voorwerpnummer G1928004;

  • 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: 0,74 gram), voorwerpnummer G1928011;

  • 1 STK Ploertendoder, voorwerpnummer G1928003;

  • 1 STK Pistool, voorwerpnummer G1928022;

  • 1 STK Patroon, voorwerpnummer G1928025;

  • 1 STK Patroon, voorwerpnummer G1928026.

Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven goederen, te weten:

  • 1 STK GSM, voorwerpnummer G1927987;

  • 2 STK Weegschaal, voorwerpnummer G1928018;

  • 2 STK GSM, voorwerpnummer G1928016;

  • 1 STK GSM, voorwerpnummer G1928015.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. H.H. Kielman en mr. T.M.L. Wolters, rechters, bijgestaan door mr. M. Huiskamp, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 oktober 2026.

Mr. T.M.L. Wolters is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »