RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18.043638.26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken
d.d. 11 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juli 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Flach, advocaat te Groningen.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Zoer.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode 3 augustus 2025 tot en met 10 februari 2026 te Groningen, althans in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] ,
door veelvuldig en/of (bijna) dagelijks
-
die [slachtoffer 1] (via Whatsapp en/of Facebook) berichten te sturen
-
die [slachtoffer 1] spraakberichten te sturen
-
berichten over die [slachtoffer 1] op zijn, verdachtes, Facebookpagina te plaatsen
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2
hij in of omstreeks de periode 3 augustus 2025 tot en met 10 februari 2026 te Groningen, althans in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] ,
door veelvuldig en/of (bijna) dagelijks
-
die [slachtoffer 2] (via Whatsapp) berichten te sturen
-
die [slachtoffer 2] spraakberichten te sturen
-
voor de deur van de woning van die [slachtoffer 2] te staan
-
berichten over die [slachtoffer 2] op zijn, verdachtes, Facebook pagina te plaatsen
met het oogmerk die [slachtoffer 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
3
hij in of omstreeks de periode 1 september 2025 tot en met 10 februari 2026 te Groningen, althans in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] ,
door veelvuldig en/of (bijna) dagelijks
-
die [slachtoffer 3] te bellen
-
die [slachtoffer 3] berichten (via Whatsapp) te sturen
-
zich voor en/of rondom de woning van die [slachtoffer 3] te begeven
-
die [slachtoffer 3] te achtervolgen en daarbij te roepen dat hij, verdachte, haar en/of haar kinderen de dood in zou jagen
-
een handgeschreven brief in de brievenbus van die [slachtoffer 3] achter te laten
-
de (minderjarige) zoon van die [slachtoffer 3] te bedreigen met de woorden dat hij, verdachte, zijn moeder zal neersteken
-
de auto en/of woning van die [slachtoffer 3] te filmen en/of vervolgens op zijn, verdachtes,
Facebookpagina te plaatsen
met het oogmerk die [slachtoffer 3] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
4
hij op of omstreeks 18 december 2025 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een trapreling/leuning, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Nationale Politie, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
5
hij op of omstreeks 30 januari 2026 te Groningen, althans in Nederland, opzettelijk iemand, te weten
[slachtoffer 4]
-
in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding
-
door een toegezonden en/of aangeboden geschrift en/of afbeelding heeft beledigd, door het volgende bericht op zijn, verdachtes, Facebookpagina te plaatsen:
'honger!!! geen eten geen roken wat is het volgende ik moet toch verplicht naar de mesdag he wijkagent [slachtoffer 4] ik vind jou een kankerflikker samen met je vriendje [naam 1] respectloze hond die je bent' in elk geval woorden en/of gedragingen van gelijke beledigende aard en/of strekking,
terwijl deze belediging werd aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1, 2, 3, 4 en 5.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 3 betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte aangeefster of haar kinderen heeft bedreigd met fysiek geweld. Verdachte heeft dit ontkend en de verklaring van aangeefster op dit punt wordt niet ondersteund door ander bewijs. Verdachte heeft nooit gedreigd met geweld richting anderen, ook niet bij de feiten 1 en 2. Ten aanzien van de feiten 4 en 5 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ter terechtzitting heeft verdachte ten aanzien van feit 2 ontkend dat hij bij aangeefster voor de deur van de woning heeft gestaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Nu verdachte de feiten 1, 4 en 5 duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank ten aanzien van deze feiten met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De opgave luidt als volgt:
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 juli 2026;
-
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d.10 december 2025, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2026001416 d.d. 12 februari 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;
-
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 18 december 2025, opgenomen op pagina 106 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van
[getuige] ;
4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 31 januari 2026, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van
[slachtoffer 4] .
Ten aanzien van de feiten 2 en 3 past de rechtbank de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
Ten aanzien van feit 2:
1. De door verdachte ter zitting van 28 juli 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb aangeefster in de ten laste gelegde periode veel WhatsApp-berichten en spraak-berichten gestuurd. Ook heb ik berichten over aangeefster op mijn Facebookpagina geplaatst.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 2 februari 2026 met bijlage, opgenomen op pagina 118 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van
[slachtoffer 2] :
[verdachte] is begonnen met appen. Ook plaatste hij berichten op Facebook. Hij vertelde dat ik de hoer uithang, een kankerwijf ben. Hij dreigde boos te worden als ik de kinderen niet zou brengen. Dit is in september 2025 begonnen. Alle berichtten op Facebook zijn openbaar en voor iedereen zichtbaar.
Onderstaand een opsomming van de berichten:
- 16/11/2025:
Dit is mijn ex. Foto zichtbaar van mij. Beledigende taal en beschuldigingen van mishandeling en prostitutie.
-
25/1/2026: live filmpje, [verdachte] vertelt hierin dat binnen een uur eigendommen en geld terug gebracht moeten worden. Als dit niet gebeurt, dan gebeurt er wat. Hierna filmt hij een mes in de muur.
-
26/1/2026: live filmpje, waarin de volledige naam van mij genoemd wordt, beschuldigd van geld afhandig maken, beledigende teksten.
-
29/1/2026: belediging met foto van mij en mijn kinderen.
-
29/1/2026: beledigende teksten en bedrieging (de rechtbank begrijpt: bedreiging).
-
29/1/2026: foto gepost op facebook van mij met mijn zoon.
Op 26/12/2025 zou [verdachte] bij mij voor de deur gestaan hebben. Dit heb ik zelf niet gezien maar dit geeft hij wel toe in een spraakbericht. Dit spraakbericht heb ik op 15 januari 2026 ontvangen via WhatsApp.
In WhatsApp noemt [verdachte] zichzelf [naam 2] . Ik heb [verdachte] vijf keer verzocht mij met rust te laten. Dit doet hij niet.
Onderstaand meerdere berichten via WhatsApp:
26/11/2025: spraakbericht, bedreiging door [verdachte] naar mij. Hij zegt letterlijk: “Ik zweer het je. Als jij niet hier actie op gaat ondernemen, ben je voor mij, dame!”
16/1/2025: spraakbericht, refereert naar bericht dat ik de vorige keer om 10.00 uur weg was. [verdachte] geeft aan langs te komen. [verdachte] vertelt dat ik niet weet wanneer hij komt. Scheldt met kankerwijf. [verdachte] klinkt erg boos en scheldt veel met kanker.
Op 7/12/2026 heb ik [verdachte] geblokkeerd. Op 15/1/2026 heb ik hem gedeblokkeerd, hierna begint het weer.
De foto's en video's hebben jullie opgenomen met de telefoon. Deze video's en foto's kunnen worden gebruikt voor het onderzoek.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2026, opgenomen op pagina 135 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Aangeefster heeft onder andere drie filmfragmenten1 ter beschikking gesteld aan de politie ten behoeve van het opsporingsonderzoek. Ik zag op de beschikbare camerabeelden het volgende:
Bestand 1:
Ik zag een opname van een beeldscherm van een mobiele telefoon. Ik zag de volgende tekst onder in beeld staan: " [verdachte] was live.". Ik hoorde [verdachte] het volgende zeggen: "Het uur, mijn eigendommen terugbrengen en mijn geld. Ik ga het niet eens zeggen. Politie, kom dit keer niet. Ze vroegen mij gister of ik een gevangene wou mishandelen.
Omdat die vervelend was. Hun het niet mogen doen, maar mij toestemming gaven. Imagine. Wie de schoen past trekt hem aan. Kijk, let op. Geloof me, als ik je hoofd vind. Mag je voelen wat ik ook gevoeld heb, een half jaar terug".
Ik zag dat nadat [verdachte] de zin uitsprak "Ik ga het niet eens zeggen" [verdachte] zijn camera richting een muur draaide. Ik zag een keukenmes dat met de punt van het lemmet in de muur stak.
Bestand 2:
Ik zag een opname van een beeldscherm van een mobiele telefoon. Ik herkende op het beeldscherm de applicatie WhatsApp. Ik zag in de kop de tekst " [naam 2] ".
Ik zag en hoorde dat er een audio fragment werd afgespeeld waarboven de datum
26 november stond vermeld. Ik herkende de mannenstem als die van [verdachte] .
Ik zag dat er op 28 november een bericht was ontvangen die luidde: "Zet het bericht maar vast melding bij de politie maken jij heb een groot probleem ik weet alles van jou en je heb ook mijn kinderen verkeerd behandeld ik ben souverijn succes ermee jij wilt mij doodmaken ik ben heel kwaad op jou als jij niet met de kinderen over de brug komt ga jij alles verliezen inclusief je huis".
Ik hoorde tijdens het afspelen van het audiobericht [verdachte] het volgende zeggen:
"Dus als je niet heel snel hier mijn leven komt redden. Dan ligt de vader van je kinderen met een kogel in je kop in een kist. Weet je hoe dat genoemd wordt? Nalatigheid. Naar de vader van je kind. Want jij hebt me zwaar verneukt. Ik ben getild door jullie, voor 20.000 euro.
Terwijl ik mijn hoofd uit de rotzooi probeer te trekken. Word ik er net zo hard weer in getrokken. Wat een kankerwijf ben jij. Hoe durf je het [naam 3] me van kanker uit te schelden? Ik zweer het je, als jij niet hier actie op gaat ondernemen, ben jij van mij dame."
Bestand 3:
Ik zag een opname van een beeldscherm van een mobiele telefoon. Ik zag en hoorde de mij ambtshalve bekende [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] door een ruimte liep waarbij de camera constant in zijn richting stond. Ik hoorde [verdachte] het volgende zeggen:
" [slachtoffer 1] . Kankerzieke mensen. 20.000 euro afhandig gemaakt. Ik ben soeverein. Succes ermee."
Ten aanzien van feit 3:
1. De door verdachte ter zitting van 28 juli 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:
Ik heb aangeefster in de ten laste gelegde periode veel gebeld en ik heb haar WhatsApp-berichten gestuurd. Ik ben ook bij haar woning langs geweest en heb twee keer een handgeschreven brief in haar brievenbus achtergelaten. Ik heb de auto en woning van aangeefster gefilmd en dit filmpje heb ik op mijn Facebookpagina geplaatst.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 16 december 2025 met bijlage, opgenomen op pagina 70 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Begin september stond [verdachte] ineens bij mij voor mijn woning, ik was op dat moment alleen thuis. Ik hoorde hem zeggen dat hij geld kwam innen en dat hij de door hem aan mij gegeven televisie terug wilde hebben en als ik hem die niet zou geven dan zou hij zelf wel binnen komen. Op 8 september 2025 kwam ik [slachtoffer 3] tegen toen ik vanaf mijn woning naar mijn autogarage liep, hij volgde mij toen. Hij riep toen dat hij mij de dood in zou jagen en mijn kinderen ook. Op 10 september moest ik de politie bellen omdat [slachtoffer 3] met ontbloot bovenlijf bij mij in de voortuin stond. Ik hoorde hem toen roepen dat als ik in de auto zou stappen met mijn kind ik moest oppassen dat ik er levend uit zou komen. Op
18 oktober heb ik wederom de politie moeten bellen omdat mijn zoon [slachtoffer 3] onderweg buiten tegen was gekomen. Mijn zoon vertelde mij dat [slachtoffer 3] tegen hem had gezegd dat hij maar snel naar huis moest fietsen omdat hij ook die kant op ging om zijn moeder neer te steken. [slachtoffer 3] verscheen kort hierop ook bij mijn woning.
Sinds [slachtoffer 3] bij mij aan de deur geweest is begin september begon hij mij ook vaak te bellen.
[slachtoffer 3] belt mij dagelijks, ik word er gek van. Ik begrijp lang niet alles wat hij allemaal vertelt maar het is wel vaak dreigend en agressief. Sinds 8 december stuurt hij mij via WhatsApp berichtjes. Van deze berichten voeg ik foto's toe aan deze aangifte. Ik heb twee keer een handgeschreven brief in de brievenbus van mijn woning ontvangen van [slachtoffer 3] . Een afbeelding van deze brieven voeg ik ook toe aan deze aangifte. Naast bovengenoemde incidenten zie ik [slachtoffer 3] dagelijks rond mijn woning lopen. Hij loopt dan voorbij of komt tegen het raam staan aan de voorkant en tuurt naar binnen, hij is ook al mijn achtertuin ingelopen. Ik voel mij niet veilig en beperkt in mijn vrijheid doordat [slachtoffer 3] mij voortdurend opzoekt en bedreigt. Ik kan mij niet vrij en met een veilig gevoel bewegen in mijn eigen omgeving. Ook mijn kinderen voelen zich beperkt in hun vrijheid en durven niet naar buiten.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanvullend verhoor aangeefster d.d. 26 januari 2026, opgenomen op pagina 81 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :
Op 19 januari 2026 vertelde iemand mij dat hij twee filmpjes had gezien op het openbare Facebookaccount van [verdachte] . Op een filmpje was te zien dat [slachtoffer 3] voor mijn woning stond en vanaf de buitenzijde door mijn raam, mijn woonkamer filmde. Op het andere filmpje was te zien dat hij om mijn auto liep, mijn auto filmde en mij wederom met de dood bedreigde. Deze filmpjes zouden gemaakt zijn op 16 of 17 januari 2026, omdat ik toen mijn auto op die locatie had geparkeerd wat te zien is op het filmpje. Hierbij deel ik dus drie nieuwe filmpjes.2
4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2026, opgenomen op pagina 96 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:
Op 3 februari 2026 werd ik via WhatsApp benaderd door betrokkene [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] ). Zij kon mij het volgende verklaren.
[verdachte] loopt steeds langs mijn woning. In het begin liep hij voor de woning langs maar nu hij weet dat er camera's hangen loopt hij via achter. Dit geeft mij een zeer angstig gevoel.
Bewijsoverweging
Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank acht met betrekking tot de feiten 2 en 3 alle ten laste gelegde handelingen wettig en overtuigend bewezen. Bij feit 2 acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte voor de deur van de woning van aangeefster heeft gestaan en bij feit 3 dat verdachte aangeefster heeft achtervolgd en daarbij heeft geroepen dat hij aangeefster en haar kinderen de dood in zou jagen en dat verdachte de zoon van aangeefster heeft bedreigd met de woorden dat hij aangeefster zal neersteken. De rechtbank ziet geen aanleiding om op deze punten te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefsters.
Hun verklaringen zijn gedetailleerd en consistent, terwijl verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij niet meer precies weet wat hij heeft gedaan. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de door verdachte geuite geweldsbedreigingen passen bij de fotos en filmpjes die zich ten aanzien van feit 3 in het dossier bevinden.
Ten aanzien van feit 2 ziet de rechtbank wel aanleiding om de pleegperiode in te korten. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte in september 2025 is begonnen met het sturen van berichten, terwijl ten laste is gelegd dat de belaging plaatsvond vanaf 3 augustus 2025. De rechtbank zal de beginperiode daarom stellen op 1 september 2025.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij in de periode 3 augustus 2025 tot en met 10 februari 2026 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer
1] , door veelvuldig
-
die [slachtoffer 1] via WhatsApp en Facebook berichten te sturen,
-
die [slachtoffer 1] spraakberichten te sturen,
-
berichten over die [slachtoffer 1] op zijn, verdachtes, Facebookpagina te plaatsen,
met het oogmerk die [slachtoffer 1] te dwingen iets te doen en te dulden en vrees aan te jagen;
2
hij in de periode 1 september 2025 tot en met 10 februari 2026 in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2] , door veelvuldig
-
die [slachtoffer 2] via WhatsApp berichten te sturen,
-
die [slachtoffer 2] spraakberichten te sturen,
-
voor de deur van de woning van die [slachtoffer 2] te staan,
-
berichten over die [slachtoffer 2] op zijn, verdachtes, Facebookpagina te plaatsen,
met het oogmerk die [slachtoffer 2] te dwingen iets te doen en te dulden en vrees aan te jagen;
3
hij in de periode 1 september 2025 tot en met 10 februari 2026 in Nederland,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3] , door veelvuldig
-
die [slachtoffer 3] te bellen,
-
die [slachtoffer 3] berichten via WhatsApp te sturen,
-
zich voor of rondom de woning van die [slachtoffer 3] te begeven,
-
die [slachtoffer 3] te achtervolgen en daarbij te roepen dat hij, verdachte, haar en haar kinderen de dood in zou jagen,
-
een handgeschreven brief in de brievenbus van die [slachtoffer 3] achter te laten,
-
de zoon van die [slachtoffer 3] te bedreigen met de woorden dat hij, verdachte, zijn moeder zal neersteken,
-
de auto en woning van die [slachtoffer 3] te filmen en vervolgens op zijn, verdachtes, Facebook-pagina te plaatsen,
met het oogmerk die [slachtoffer 3] te dwingen iets te doen en te dulden en vrees aan te jagen;
4
hij op 18 december 2025 te Groningen opzettelijk en wederrechtelijk een trapreling/-leuning, die aan de Nationale Politie toebehoorde, onbruikbaar heeft gemaakt;
5
hij op 30 januari 2026 in Nederland opzettelijk iemand, te weten [slachtoffer 4] in het openbaar bij geschrift heeft beledigd door het volgende bericht op zijn, verdachtes, Facebookpagina te plaatsen: 'honger!!! geen eten geen roken wat is het volgende ik moet toch verplicht naar de mesdag he wijkagent [slachtoffer 4] ik vind jou een kankerflikker samen met je vriendje [naam 1] respectloze hond die je bent', terwijl deze belediging werd aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
-
belaging;
-
belaging;
-
belaging;
-
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken;
-
eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 363 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte vrijheidsbeperkende maatregelen worden opgelegd als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een contact- en gebiedsverbod, zoals verzocht door aangeefsters [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , met dadelijk uitvoerbaarheid van deze maatregelen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ervoor gepleit dat de detentie van verdachte over twee weken eindigt, zodat de ambulante behandeling in het kader van de zorgmachtiging kan starten. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, gelet op het gedrag van verdachte in de ten laste gelegde periode en de stukken betreffende de zorgmachtiging. De raadsvrouw heeft zich niet verzet tegen de oplegging van de door de officier van justitie gevorderde vrijheidsbeperkende maatregelen. Wel heeft zij verzocht het gebiedsverbod in [plaats] te beperken tot de straat waarin aangeefster woont en de daar omheen liggende straten, zodat verdachte wel bij de supermarkt en de apotheek kan komen.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland van 11 februari 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich gedurende ongeveer een half jaar schuldig gemaakt aan stalking van twee ex-partners en een vriendin van een van die ex-partners. Ook na het voeren van een stopgesprek is verdachte doorgegaan met het op allerlei manieren zoeken van contact. Door zo te handelen heeft verdachte ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van aangeefsters. Twee van de aangeefsters ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] ) hebben in een schriftelijke slachtofferverklaring uiteengezet welke impact het handelen van verdachte op hun en hun kinderen heeft gehad en nog steeds heeft.
Daarnaast heeft verdachte een politieagent beledigd en bij het politiebureau een trapleuning losgeschroefd en verwijderd.
De rechtbank neemt verdachte vooral de stalking zeer kwalijk en is van oordeel dat de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur in beginsel gerechtvaardigd is.
De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte omstandigheden die in het voordeel van verdachte meewegen. Zo is verdachte niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de bewezen verklaarde feiten aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend, gelet op de feitelijke gedragingen van verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde en gelet op de door de raadsvrouw overgelegde stukken met betrekking tot de afgegeven zorgmachtiging.
Alles afwegende acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden. De officier van justitie heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht, maar de rechtbank is van oordeel dat de straf past bij de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Dat houdt in dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, te weten 183 dagen, en daarnaast een voorwaardelijk deel van 180 dagen oftewel een half jaar. Aan het voorwaardelijke deel zal een proeftijd worden verbonden van 3 jaar.
De rechtbank acht ook een contact- en locatieverbod noodzakelijk. De belaging is uiteindelijk slechts gestopt door de aanhouding van verdachte en ook uit het rapport van de reclassering volgt dat het gevaar voor herhaling hoog is. De contact- en locatieverboden zullen worden opgelegd in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank ziet geen aanleiding om het locatieverbod ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 3] te beperken zoals de raadsvrouw heeft verzocht. Verdachte heeft de mogelijkheid om naar andere supermarkten of een andere apotheek te gaan, die zich op geringe afstand van het adres van verdachte bevinden.
De rechtbank zal de vrijheidsbeperkende maatregelen dadelijk uitvoerbaar verklaren omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte zich opnieuw belastend zal gedragen jegens aangeefsters. Daarnaast zal de rechtbank bevelen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden.
Benadeelde partijen
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
-
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van 47,80 ter vergoeding van materiële schade en 3.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
-
[slachtoffer 3] , tot een bedrag van 30,67 ter vergoeding van materiële schade en 2.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard wat de materiële schade betreft - de post beveiligingscameras - omdat deze cameras zijn aangeschaft in juli 2025, terwijl de belaging is aangevangen op 3 augustus 2025. Het immateriële deel is toewijsbaar, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De door [slachtoffer 3] gevorderde immateriële schade is ook toewijsbaar, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De materiële schade, voorzover die ziet op de reiskosten die zijn gemaakt in verband met een gesprek met slachtofferhulp, kan worden toegewezen. Het overige deel moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de door de benadeelde partijen gevorderde materiële schade heeft de raadsvrouw zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie, met uitzondering van de door [slachtoffer 3] gevorderde reiskosten in verband met gesprekken met slachtofferhulp; op dit punt heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De raadsvrouw heeft verzocht om de gevorderde immateriële schadevergoeding voor zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 3] te matigen. Ten aanzien van [slachtoffer 1] wijst de raadsvrouw erop dat zij door de politie is geadviseerd contact met verdachte te blijven houden, waardoor een deel van de immateriële schade niet aan verdachte valt toe te rekenen. Ten aanzien van [slachtoffer 3] pleit de raadsvrouw voor matiging omdat de ten laste gelegde handeling bedreiging wat de verdediging betreft niet bewezenverklaard kan worden.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, voorzover de vordering ziet op vergoeding van materiële schade. Deze schade ziet op de aanschafkosten voor beveiligingscameras, aangeschaft voordat de bewezen verklaarde belaging is aangevangen, en is daarom geen rechtstreeks gevolg van de belaging.
De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Indien geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in dit geval, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een ernstige normschending en dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake is van een persoonsaantasting als bedoeld in artikel 6:106 BW.
Verdachte heeft de benadeelde partij immers gedurende een half jaar gestalkt, waarbij hij op verschillende manieren contact zocht. De benadeelde partij heeft in een schriftelijke slachtofferverklaring beschreven wat de impact voor haar is geweest. De rechtbank acht het gevorderde bedrag van 3.000,- alleszins redelijk, mede gelet op het bedrag dat in soortgelijke zaken wordt toegewezen en gelet op de Rotterdamse schaal. Het bedrag van
3.000,- zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf
3 augustus 2025, het moment waarop de belaging is aangevangen.
Ook de benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. De rechtbank acht dit bedrag ad 2.500,-, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, toewijsbaar. In dit geval had de belaging ook een bedreigend karakter.
Ten aanzien van de door de benadeelde partij [slachtoffer 3] gevorderde materiële schade oordeelt de rechtbank als volgt. De opgevoerde reiskosten in verband met bezoeken aan Slachtofferhulp Nederland
( 7,12) en bezoeken aan het politiebureau voor het doen van aangifte ( 23,55) zijn niet aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en zijn ook niet toewijsbaar als proceskosten op grond van de toe te passen civiele proceskostenregeling. Zij worden in die regeling immers niet genoemd. Deze reiskosten worden daarom afgewezen.
Dit betekent dat de vordering van [slachtoffer 3] zal worden toegewezen tot een bedrag van 2.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 266, 267, 285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 363 dagen.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Legt voorts op:
De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden in Haren.
De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze -direct of indirect-contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangeefster [slachtoffer 1] , geboren
[geboortedatum] 1991, en haar zoon [naam 4] , geboren [geboortedatum] 2014.
De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal ophouden in het gebied, gelegen te Hoogkerk ten zuiden van de spoorweg en omkaderd door de Johan van Zwedenlaan, de Roderwolderdijk en de bebouwde kom (woningen en straten) ten oosten van het Koningsdiep.
De maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze -direct of indirect-contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangeefster [slachtoffer 3] , geboren [geboortedatum] 1982, en haar kinderen [naam 5] , geboren [geboortedatum] 2013, en [naam 6] , geboren [geboortedatum] 2014.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan een van de maatregelen wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt twee weken voor iedere keer dat niet aan een van de maatregelen wordt voldaan, met een maximum van
zes maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregelen niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn.
Ten aanzien van feit 1:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:
-
het bedrag van 3.000,- (zegge: drieduizend euro);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.000,- (zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 augustus 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 30 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Ten aanzien van feit 3:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 3] te betalen:
-
het bedrag van 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 september 2025 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 2.500,- (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 25 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en
mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 augustus 2026.
Mr. Van der Kuijl is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
1. Deze fragmenten zijn toegevoegd aan het dossier.
2 Deze filmpjes zijn toegevoegd aan het dossier.