Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/910
uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen
[belanghebbende] N.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , belanghebbende
(gemachtigden: mr. R. van Scharrenburg en mr. R.L. Vermeulen),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 2.170.078.881 (hierna: de aanslag).
Belanghebbende heeft daartegen met instemming van verweerder rechtstreeks beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft ten aanzien van (gedeelten van) meerdere bijlagen bij het verweerschrift een beroep gedaan op beperkte kennisneming als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Op 14 januari 2026 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank geoordeeld dat de door verweerder gevraagde beperking van de kennisneming gedeeltelijk gerechtvaardigd is. Belanghebbende heeft de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming gegeven.
Partijen hebben voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026 te Haarlem. Namens belanghebbende zijn verschenen mr. R. van Scharrenburg, [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] , mr. [naam 4] en mr. [naam 5] .
Overwegingen
Feiten
1. Belanghebbende is een in Nederland gevestigde vennootschap. Zij vormt de moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting.
2. Voorheen dreef belanghebbende een onderneming in de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS) door middel van een in 2011 gestaakte vaste inrichting. Op 31 december 2011 bestond op grond van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001 de verplichting om een aan die vaste inrichting toerekenbare negatieve winst ten bedrage van € 71.555.073 over te brengen naar volgende jaren (hierna: de nog in te halen verliezen).
3. Belanghebbende heeft in de jaren 2012 tot en met 2014 geen winst uit de VS genoten. Sinds 1 januari 2015 drijft belanghebbende door middel van een nieuwe vaste inrichting een onderneming in de VS. Zij heeft hiermee in het jaar 2021 een winst behaald van € 3.752.257.
Geschil 4. In geschil is of de in het jaar 2021 door belanghebbende uit de VS genoten winst onder de objectvrijstelling valt. Meer specifiek is in geschil of de objectvrijstelling op grond van artikel 33b, eerste lid, Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb) geen toepassing vindt voor het bedrag aan de nog in te halen verliezen of dat de inhaalverplichting is vervallen op grond van artikel 33b, derde lid, van de Wet Vpb.
5. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat is voldaan aan de in artikel 33b, derde lid, van de Wet Vpb genoemde voorwaarden en dat de zogenoemde inhaalverplichting is komen te vervallen. Dit betekent volgens belanghebbende dat de in het jaar 2021 uit de vaste inrichting in de VS genoten winst onder de objectvrijstelling valt. Indien de inhaalverplichting wel zou blijven bestaan kan dit volgens belanghebbende leiden tot strijd met het Unierecht. Bovendien zou de lezing van verweerder ertoe leiden dat een willekeurig onderscheid wordt gemaakt tussen belastingplichtigen omdat in die lezing voor het al dan niet bestaan van de inhaalverplichting van belang is of sinds 2012 wel of geen negatief resultaat uit de vaste inrichting is opgekomen. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar bedrag van
€ 2.166.326.624.
6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 33b, eerste lid, van de Wet Vpb verplicht tot inhaal van de nog in te halen verliezen en dat, nu dit in 2021 nog niet volledig is gebeurd, de in het jaar 2021 uit de VS genoten winst niet onder de objectvrijstelling valt. De uitzondering van artikel 33b, derde lid, van de Wet Vpb is volgens verweerder uitsluitend van toepassing op de vóór het jaar 2012 geleden verliezen van een op of na 1 januari 2012 gestaakte vaste inrichting, mits ter zake van die staking een stakingsverlies in aanmerking kan worden genomen zoals bedoeld in artikel 15i van de Wet Vpb. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Juridisch kader
7. Tot 1 januari 2012 hanteerde Nederland voor buitenlandse winst behaald met een vaste inrichting de zogenoemde vrijstellingsmethode (artikel 31 e.v. van het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001, tekst 2011 (hierna: Bvdb 2001)). Daarbij maakte het resultaat van een buitenlandse vaste inrichting jaarlijks deel uit van de in Nederland te belasten (wereld)winst van de binnenlandse vennootschapsbelastingplichtige en werd onder voorwaarden een vrijstelling verleend die bestond uit een vermindering van de vennootschapsbelasting die betrekking had op de buitenlandse winst (de belastingvrijstelling). Wanneer de vaste inrichting verlies leed, verminderde dit verlies de grondslag voor de heffing van de binnenlandse vennootschapsbelastingplichtige en dus de verschuldigde belasting. Op grond van artikel 35 van het BvdB 2001 werd het eerder in aanmerking genomen verlies (ook wel inhaalverlies genoemd) overgebracht naar het volgend jaar. De positieve buitenlandse winst in een volgend jaar werd eerst gesaldeerd met het nog openstaande inhaalverlies alvorens de belastingvrijstelling werd verleend.
8. Sinds 1 januari 2012 geldt voor binnenlandse vennootschapsbelastingplichtigen met winst uit een andere staat de zogeheten ‘objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten’. Deze objectvrijstelling is opgenomen in artikel 15e van de Wet Vpb, welk wetsartikel als volgt luidt:
“Bij de belastingplichtige met winst uit een andere staat wordt de winst verminderd met de positieve en de negatieve bedragen van de winst uit die staat (objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten).”
9. Het tevens per 1 januari 2012 ingevoerde artikel 15i van de Wet Vpb bevat een uitzondering op de objectvrijstelling indien het gaat om een zogenoemd stakingsverlies. Dit wetsartikel luidt met ingang van het jaar 2021 - voor zover hier van belang - als volgt:
“1. Ingeval de belastingplichtige ophoudt winst uit een andere staat te genieten, vindt de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten geen toepassing met betrekking tot het op de voet van dit artikel berekende verlies uit die staat (stakingsverlies).
2. Van een stakingsverlies uit een staat is sprake ingeval de op de voet van artikel 15e in aanmerking genomen bedragen aan winst uit die staat per saldo hebben geleid tot een negatief bedrag, doch voor zover ter zake van dit negatieve saldo in die andere staat generlei tegemoetkoming bij de belastingheffing is verleend.
3. Het stakingsverlies wordt niet in aanmerking genomen voor zover een ander dan de belastingplichtige of een met hem verbonden lichaam in die andere staat recht heeft op enigerlei tegemoetkoming bij de belastingheffing ter zake van verliezen die deel uitmaken van het stakingsverlies. (…)
5. Het stakingsverlies komt in aftrek op het tijdstip waarop de belastingplichtige ophoudt winst uit de andere staat te genieten:
a. mits de activiteiten van de belastingplichtige in de andere staat niet in belangrijke mate reeds zijn of worden voortgezet door een met de belastingplichtige verbonden lichaam;
b. mits de belastingplichtige ophoudt winst uit de andere staat te genieten in uiterlijk het derde kalenderjaar na het kalenderjaar waarin de activiteiten van de belastingplichtige in de andere staat geheel of nagenoeg geheel zijn gestaakt dan wel indien dat eerder is, daartoe is besloten, tenzij de belastingplichtige doet blijken dat het op een later tijdstip ophouden winst te genieten uit die andere staat niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van de heffing van vennootschapsbelasting; en
c. voor zover de belastingplichtige de hoogte van het in aanmerking te nemen stakingsverlies doet blijken alsmede doet blijken dat is voldaan aan het bepaalde in onderdeel b.”
10. Artikel 33b van de Wet Vpb bevat een overgangsregeling bij de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten voor per 2012 nog openstaande bedragen aan in te halen buitenlandse verliezen en luidt met ingang van het jaar 2021 – voor zover hier van belang – als volgt:
“1. Bij de aanwezigheid van een op basis van een regeling ter voorkoming van dubbele belasting naar een jaar dat aanvangt op of na 1 januari 2012 over te brengen bedrag aan negatieve buitenlandse winst uit een staat, vindt de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten, bedoeld in artikel 15e, met betrekking tot de positieve buitenlandse winst uit die staat van dat jaar en van de daaropvolgende jaren, geen toepassing tot in totaal een bedrag gelijk aan dat van het over te brengen bedrag aan negatieve buitenlandse winst.
(…)
3. Het eerste lid vindt geen toepassing indien de belastingplichtige is opgehouden winst uit de in dat lid bedoelde andere staat te genieten, de belastingplichtige niet binnen drie jaren na het tijdstip waarop hij is opgehouden winst uit die andere staat te genieten weer winst uit die andere staat is gaan genieten en voldaan is aan de voorwaarden van artikel 15i, tweede, derde en vijfde lid, voor het in aftrek kunnen brengen van een stakingsverlies.”
11. In de parlementaire geschiedenis is artikel 33b, derde lid, van de Wet Vpb, als volgt toegelicht (Kamerstukken II 2011/12, 33003, nr. 3, p. 108–109):
“In het derde lid van artikel 33b wordt geregeld dat toepassing van de objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten niet wordt uitgesloten voor positieve voordelen uit een andere staat als een belastingplichtige een bedrag aan in te halen negatieve buitenlandse winst heeft en vervolgens is opgehouden winst uit een andere staat te genieten en niet weer binnen drie jaar na dat tijdstip winst uit die andere staat is gaan genieten. Verder dient aan de voorwaarden van het eveneens in dit wetsvoorstel voorgestelde artikel 15i, tweede, derde en vierde lid, van de Wet Vpb 1969 voor het in aanmerking kunnen nemen van een stakingsverlies te worden voldaan. Gevolg van deze bepaling is dat als aan de voorwaarden voor definitieve aftrek van een stakingsverlies (artikel 15i van de Wet Vpb 1969) onder de voorgestelde objectvrijstelling voor buitenlandse ondernemingswinsten wordt voldaan, ook voor een resterend bedrag aan in te halen negatieve buitenlandse winst van voor de invoering van de objectvrijstelling geldt dat deze definitief aftrekbaar is.”
Inhoudelijke beoordeling
12. Tussen partijen is niet in geschil dat is voldaan aan de in artikel 33b, derde lid, van de Wet Vpb genoemde vereisten dat belanghebbende is opgehouden winst uit de VS te genieten en dat sindsdien drie jaren verstreken zijn alvorens weer winst uit de VS te gaan genieten. Het geschil spitst zich toe op de vraag of voldaan is aan het laatste in het derde lid genoemde vereiste, namelijk of is voldaan aan “de voorwaarden van artikel 15i, tweede, derde en vijfde lid, voor het in aftrek kunnen brengen van een stakingsverlies”. Volgens belanghebbende hoeft enkel aan de voorwaarden voor het in aftrek kunnen brengen van een stakingsverlies te zijn voldaan. Verweerder bepleit dat ook daadwerkelijk sprake moet zijn van een stakingsverlies in de zin van artikel 15i van de Wet Vpb.
13. De rechtbank onderschrijft het standpunt van belanghebbende dat de artikelen 15e en 15i van de Wet Vpb onmiddellijke werking hebben, maar ziet daarin desalniettemin geen reden belanghebbende te volgen in haar betoog. Het bepaalde in artikel 33b van de Wet Vpb bevat immers een specifieke overgangsbepaling en de uitleg daarvan leidt – zoals hierna zal blijken – tot een andere conclusie.
14. Naar het oordeel van de rechtbank duidt de verwijzing in artikel 33b, derde lid, van de Wet Vpb naar artikel 15i, tweede, derde en vijfde lid, van de Wet Vpb erop dat een stakingsverlies in de zin van artikel 15i, tweede lid, van de Wet Vpb is vereist voor het vervallen van de zogenoemde inhaalverplichting. Artikel 15i, tweede lid, van de Wet Vpb vereist dat sprake is van “op de voet van artikel 15e in aanmerking genomen bedragen aan winst uit die staat” en kan, gezien de inwerkingtreding van die bepaling per 1 januari 2012, enkel betrekking hebben op resultaten vanaf dat moment. Artikel 15i, derde en vijfde lid, van de Wet Vpb gebruiken de term “stakingsverlies” en bevatten voorwaarden die onlosmakelijk zijn verweven met de term “stakingsverlies”, terwijl de termen “stakingsverlies” en “inhaalverlies” niet onderling inwisselbaar zijn. Immers, waar het bij een stakingsverlies per definitie gaat om een negatief saldo aan positieve en negatieve bedragen aan winst, is dit bij een inhaalverlies niet het geval. Verder is een inhaalverlies in het jaar waarin dat is geleden begrepen in de belastbare winst van de belastingplichtige, terwijl een stakingsverlies eerst bij staking tot uitdrukking komt. De wettekst, wetssystematiek en de parlementaire geschiedenis bieden geen aanknopingspunt voor de door belanghebbende bepleite lezing waarbij de term “stakingsverlies” in het derde en het vijfde lid van artikel 15i van de Wet Vpb, in de context van artikel 33b, derde lid van de Wet Vpb, wordt vervangen door “inhaalverlies”. Dat in artikel 33b, derde lid, van de Wet Vpb niet uitdrukkelijk is opgenomen dat sprake moet zijn van een stakingsverlies “in de zin van artikel 15i van de Wet Vpb”, brengt de rechtbank niet tot een andere wetsuitleg.
15. Het voorgaande leidt ertoe dat de in artikel 33b, derde lid, van de Wet Vpb neergelegde uitzondering per definitie geen toepassing kan vinden indien een belastingplichtige vóór het jaar 2012 is opgehouden winst uit de betreffende andere staat te genieten. Aangezien artikel 15e van de Wet Vpb op 1 januari 2012 in werking is getreden, kan hiervan pas vanaf het jaar 2012 sprake zijn. Belanghebbendes betoog dat daarmee willekeurig onderscheid wordt gemaakt naar gelang het moment van staken van de vaste inrichting en de resultaten die dan worden behaald treft geen doel, omdat dit onderscheid juist wordt verklaard door de door de wetgever gekozen bewoordingen en de hiervoor genoemde verschillen in de regeling voor en na 1 januari 2012. De rechter dient deze keuze van de wetgever te respecteren. Dat wat belanghebbende heeft aangevoerd over het Unierecht leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat de vrijheid van vestiging niet van toepassing is in deze zaak.
Slotsom
16. Het voorgaande betekent dat belanghebbende zich niet succesvol kan beroepen op artikel 33b, derde lid, van de Wet Vpb. De objectvrijstelling is dan ook niet van toepassing op de in het jaar 2021 door belanghebbende behaalde winst uit de VS. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.
Proceskosten
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E. Kiers, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. D.C. van Beelen, leden, in aanwezigheid van mr. J.M. Kempers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).