RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.22528
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , van Ethiopische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. R.S. Frickus),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. M.A. Lippinkhof).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 20001. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De minister dient een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 mei 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep2 ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S.B. Aniania als tolk in de taal Tigray en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is dienaar van het christelijke geloof. Toen hij naar de stad [plaats 1] ging was een moskee in brand gestoken. Eiser werd samen met andere christenen opgepakt en onterecht beschuldigd. De meeste personen werden vrijgelaten, maar eiser werd samen met een andere dienaar vanwege zijn etnische achtergrond vastgehouden. Op het politiebureau ontving eiser bedreigingen van moslims uit de gemeenschap. Na 21 dagen gevangenschap werd eiser door een islamitische politieagent gestoken met een mes. Zijn oom heeft in het ziekenhuis een agent omgekocht en eiser is teruggekeerd naar Addis Abeba. Aldaar heeft eiser drie weken ondergedoken gezeten, voordat hij het land heeft verlaten. Bij terugkeer vreest eiser alsnog voor de moslims die hem willen doden, om zo heilig verklaard te worden. Daarbij bieden de autoriteiten eiser geen bescherming en is er een opsporingsbevel uitgevaardigd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst
2. Etniciteit
3. Diaken binnen eisers christelijke geloofsgemeenschap
4. Problemen met de autoriteiten en moslims
De minister vindt het eerste, tweede en derde asielmotief geloofwaardig. Het vierde asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig. Ten eerste heeft eiser verklaard dat hij in 2017 zijn land van herkomst heeft verlaten en later dat dit in 2019 zou zijn geweest. Ten tweede heeft eiser niet eenduidig verklaard over het tijdsverloop ten aanzien van zijn aanwezigheid in [plaats 1] . Ten derde heeft eiser wisselend verklaard over wie hem van het ziekenhuis kwam halen, het politiebureau en over tot wanneer hij bij zijn oom heeft verbleven en de data van zijn reis naar Roemenië. Ten vierde heeft eiser niet concreet kunnen uitleggen waarop hij baseert dat de autoriteiten juist hem ervan beschuldigen de regering omver te willen werpen. Daarnaast zijn er geen concrete aanknopingspunten om te stellen dat moslims in de woonplaats van eisers moeder, [plaats 2] , wraak op eiser zouden willen nemen vanwege een incident dat 1000 kilometer verderop, in [plaats 1] , zou hebben plaatsgevonden. Tot slot is uit onderzoek gebleken dat het aanhoudingsbevel niet echt kan worden bevonden. Bovendien zijn de data die erop staan vermeld met de hand geschreven, wat impliceert dat iedereen deze kan hebben ingevuld.
Ten aanzien van de geloofwaardig geachte elementen overweegt de minister dat in november 2022 vrede is gesloten tussen de regering en het Tigray People's Liberation Front. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser persoonlijk gevaar loopt bij terugkeer alleen op basis van zijn Tigray etniciteit en zijn diakenschap.
De minister wijst de aanvraag af als ongegrond. Daarnaast is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van 4 weken. Eiser dient terug te keren naar Ethiopië.
5. Eiser is het hier niet mee eens en heeft verschillende beroepsgronden ingediend, die de rechtbank per tegenwerping bespreekt.
Beoordeling rechtbank
Ten eerste: tegenstrijdigheden over vertrek en visum
6. Eiser voert allereerst aan dat hij niet tegenstrijdig heeft verklaard. Hij heeft zijn verklaring uit het eerste aanmeldgehoor gewijzigd. Tijdens het nader gehoor heeft eiser immers verklaard: "Bij de correcties en aanvullingen heb ik ook aangegeven dat dit 2019 was". Eiser is in 2019 vertrokken uit zijn land van herkomst met een Roemeens werkvisum.
De rechtbank overweegt dat eiser in zijn eerste aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij in 2017 Ethiopië heeft verlaten.3 Daarnaast heeft hij verklaard dat het visum voor Roemenië geldig was van november 2017 tot februari 2018.4 Dit heeft hij niet meteen gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen, terwijl hij later heeft verklaard dat hij in 2019 zijn land van herkomst heeft verlaten. Op de zitting heeft eiser aangegeven dat de tolk een fout heeft gemaakt ten aanzien van het omzetten van de Ethiopische kalender naar de westerse kalender, maar op de vraag waarom dit niet meteen bij de correcties en aanvullingen is gecorrigeerd, kwam geen nadere uitleg. De verklaring in het nader gehoor waar eiser naar verwijst betekent ook niet dat het wisselend verklaren hem niet kan worden tegengeworpen. Deze verklaring zag namelijk op een vraag van de gehoormedewerker dat het nog niet helemaal duidelijk was wanneer hij zijn land van herkomst heeft verlaten.
Ten tweede: verklaringen over tijdsverloop [plaats 1] en dag van aanhouding
7. Eiser voert vervolgens aan dat hij wel eenduidig heeft verklaard over het tijdsverloop ten aanzien van de gebeurtenissen in [plaats 1] . Uit zijn verklaringen volgt niet dat de brandstichting van de moskee precies op het moment van aankomst in [plaats 1] was.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet aan eiser niet heeft kunnen tegenwerpen dat hij hierover niet eenduidig verklaard zou hebben. Anders dan de minister stelt, volgt uit de hierna geciteerde verklaring van eiser niet dat op het moment dat hij aankwam de moskee in brand was gestoken. Hij vertelt namelijk over een moskee die in die periode in brand is gestoken: ‘Op 16 oktober 2019 (de vijfde van de tweede maand 2012) ben ik om te dienen naar een plaats genaamd [plaats 1] gegaan. Daar is een kerk genaamd [naam] kerk. We zijn daar heen gegaan. Op dat moment was er daar een moskee in brand gestoken. Wij als dienaars worden ervan verdacht dat wij daar iets mee te maken zouden hebben’5. Daarnaast is de verklaring van eiser dat hij een dag voor de brand was aangekomen en zijn verklaring dat hij twee dagen voor de brand en zijn aanhouding door de politie al aanwezig was in [plaats 1] niet wisselend. Eiser heeft immers op de vraag ‘u was pas een dag aanwezig in de stad, toch?’ geantwoord: ‘Eigenlijk twee dagen, want we hadden er al een nacht geslapen’6. Dit betekent dat deze tegenwerping niet in stand blijft.
Ten derde: tegenstrijdige verklaringen ziekenhuis, politiebureau en tijdsverloop
8. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de minister op de zitting het punt van het tegenstrijdig verklaren over wie hem van het ziekenhuis kwam ophalen (oom of familieleden) heeft laten vallen.
Daarnaast heeft de minister tegengeworpen dat eiser over het politiebureau heeft verklaard dat omwonenden hem konden zien, waarna hij later heeft verklaard dat zij hem niet konden zien. Daarnaast stroken de verklaringen van eisers verblijf bij zijn oom en de data van zijn reis naar Roemenië niet met elkaar. Tegen deze twee punten heeft eiser geen beroepsgronden gericht en de rechtbank heeft volledig en ex nunc toetsend geen gebreken geconstateerd.
Ten vierde: beschuldigingen
9. Eiser voert vervolgens aan dat het woord ‘oorlog’ subjectief is en afhankelijk is van de context waarin het woord wordt gebruikt. Het woord oorlog was passend, gezien de aard van het geweld dat plaatsvond voor de werkelijke startdatum van de oorlog.
De rechtbank stelt vast dat de minister de tegenwerping dat de kerk niet te vinden zou zijn op de zitting heeft laten vallen. De rechtbank overweegt vervolgens dat de beroepsgrond van eiser met name ziet op het gebruik van het woord ‘oorlog’. Eiser wordt gevolgd in zijn betoog dat voor het gebruik van het woord oorlog niet vereist is dat de oorlog ook daadwerkelijk uitgeroepen had moeten zijn, maar dit is niet het belangrijkste argument van de minister. De minister voert aan dat eiser niet concreet heeft kunnen uitleggen waarop hij baseert dat de autoriteiten juist hem ervan beschuldigen de regering omver te willen werpen. Eiser hield zich niet met politiek bezig, maar alleen met religie. Een oorlog verklaart ook niet waarom de autoriteiten juist eiser verdenken van het omver willen werpen van de regering. De minister heeft dan ook, los van de vraag of eiser de term oorlog kon gebruiken, terecht aan eiser tegengeworpen dat hij niet concreet heeft kunnen uitleggen waarom juist hij wordt beschuldigd van het omver willen werpen van de regering.
Daarnaast is het onduidelijk waarom eiser onterecht beschuldigd zou worden van het in brand steken van de moskee. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om te stellen dat moslims in de woonplaats van eisers moeder, [plaats 2] , wraak op eiser zouden willen nemen vanwege een incident dat 1000 kilometer verderop, in [plaats 1] , zou hebben plaatsgevonden. Eisers verklaring dat moslims met elkaar contact hebben, is daarvoor te algemeen en niet nader geconcretiseerd.
Ten vijfde: aanhoudingsbevel
10. Eiser voert verder aan dat hij een contra-expertise had willen uitvoeren gelet op het onderzoek van Bureau Documenten. Het aanhoudingsbevel is echt en van de door de minister aangevoerde redenen ontbreken de bewijsstukken en daarmee de motivering. Het enkele feit dat de datum en het referentienummer met de hand zijn geschreven betekent niet dat het document niet als echt kan worden bevonden. In het Ethiopische rechtssysteem worden data en referentienummers handgeschreven aan verschillende documenten toegevoegd. Dit is een feit van algemene bekendheid.
Uit het onderzoek van Bureau Documenten volgt dat de verschijningsvorm en opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Gelet daarop is het document met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling7 volgt dat de minister in beginsel ervan uit mag gaan dat de verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Dat laat onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de minister als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb8 met zich meebrengt dat hij moet nagaan hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. Die situatie doet zich in ieder geval voor als de conclusies van een verklaring van onderzoek vragen oproepen, bijvoorbeeld als gemotiveerd betwist is dat een verklaring van onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.9 In dit geval heeft een medewerker van de minister de onderliggende stukken van het documentonderzoek ingezien en op grond daarvan geoordeeld dat het onderzoek inzichtelijk is, gelet op de vergewisbrief van 2 april 2024.
De minister heeft op de zitting de tegenwerping dat een deel handgeschreven is laten vallen, aangezien dit niet volgt uit het onderzoek van Bureau Documenten. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn betoog dat hij niet in staat is geweest om een contra-expertise te laten uitvoeren en daarom in bewijsnood verkeert. Bij brief van
2 juli 2024 heeft de minister in reactie op de wens van eiser toegelicht hoe dit in zijn werk gaat en wat hiervoor nodig is. Eiser stelt dat dit niet is gelukt, omdat hij niet alle stukken krijgt, zoals de onderliggende rapportage van Bureau Documenten. De vergewisplicht strekt echter niet zover dat de minister altijd tot in detail aan de vreemdeling inzichtelijk moet maken hoe Bureau Documenten tot zijn conclusies is gekomen. Het gaat immers om vertrouwelijke informatie waarbij het verder inzichtelijk maken zou betekenen dat de details van het onderzoek openbaar moeten worden gemaakt waarmee vervalsers vervolgens hun voordeel kunnen doen10. Er is dan ook geen sprake van een situatie waarin de minister nadere invulling dient te geven aan zijn vergewisplicht.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding om gebruik te maken van het aanbod van de minister om de stukken op te vragen, waarbij de minister een beroep kan doen op artikel 8:29 van de Awb. De vergewisplicht rust immers op de minister en niet op de rechter.
Conclusie ten aanzien van geloofwaardigheid vierde asielmotief
11. Concluderend blijven niet alle punten die de minister heeft tegengeworpen staan, maar de rechtbank is van oordeel dat de minister terecht tot de conclusie is gekomen dat het vierde asielmotief ongeloofwaardig is. Eiser heeft niet kunnen uitleggen waarop hij baseert dat de autoriteiten juist hem ervan beschuldigen de regering omver te willen werpen en er zijn geen concrete aanknopingspunten waarom moslims wraak op eiser zouden willen nemen vanwege een incident dat 1000 kilometer verderop zou hebben plaatsgevonden.
Zwaarwegendheid geloofwaardig geachte elementen
12. Tot slot heeft eiser gewezen op de mensenrechtenschending en discriminatie van de Tigray stam. Eiser loopt een aanzienlijk hoog risico op ernstige schade dat veroorzaakt wordt door het willekeurig en systematisch handelen van de federale overheid en milities. Eiser verwijst daarbij naar rapportages van Human Rights Watch uit 2022, 2023, 2024 en 2026. Ondanks het staakt het vuren van november 2022 duren de mensenrechtenschendingen van mensen met een Tigreese-afkomst voort. Bovendien blijkt uit deze rapporten en die van Amnesty International uit 2022 en 2024 dat federale strijdkrachten en milities, bekend als ‘Fano’ een campagne van etnische zuivering hebben gevoerd tegen de Tigreeërs.
De minister heeft op de zitting verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 17 december 202511 waaruit volgt dat er geen gevaar is voor willekeurig geweld in [plaats 2] . De minister heeft daarnaast aangegeven dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk te vrezen heeft voor discriminatie.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de geloofwaardig bevonden asielmotieven geen vervolging opleveren in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel een reëel risico opleveren op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM12 en artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn. Het enkele feit dat de oorlog in 2022 is afgelopen, zoals in het bestreden besluit staat, is daartoe onvoldoende. Het lag op de weg van de minister om aan de hand van de meest recente landeninformatie te beoordelen wat de huidige (veiligheids)situatie is. De minister heeft dit nagelaten.
Bovendien volgt uit het ambtsbericht van 20 augustus 2026 dat in de huidige verslagperiode de mensenrechtensituatie in Ethiopië onder druk stond. Zowel de Europese Unie (EU) als internationale mensenrechtenorganisaties uitten hun bezorgdheid over de mensenrechtensituatie in Ethiopië.13 Ten aanzien van het reële risico op ernstige schade heeft de minister verwezen naar de uitspraak van de Afdeling over artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, maar los van het feit dat eiser met name naar de mensenrechtenschendingen en discriminatie wijst, volgt uit het op 20 augustus 2026 verschenen ambtsbericht dat sprake is van oplopende spanningen14. Amnesty International sprak zich ook bezorgd uit over de geweldsuitbarsting in Tigray.
Dit maakt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ethiopië geen vervolging zal ondervinden in de zin van het Vluchtelingenverdrag danwel een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn. De beroepsgrond slaagt en dit betekent dat de minister een nieuw besluit dient te nemen op de asielaanvraag van eiser.
Conclusie en gevolgen
13. Het beroep is, gelet op wat in 12.4 is overwogen, gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de minister de hiervoor geconstateerde gebreken niet in de beroepsfase heeft hersteld. De rechtbank zal ook niet zelf in de zaak voorzien, omdat het aan de minister is om allereerst te beoordelen of de geloofwaardig geachte asielmotieven vervolging opleveren in de zin van het Vluchtelingenverdrag dan wel een reëel risico opleveren op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, aangezien dit, gelet op de aard van de gebreken en de wijze waarop die moeten worden hersteld, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal de minister daarom opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken. In dat nieuw te nemen besluit dient de minister, behoudens in geval de asielaanvraag wordt ingewilligd, de actuele situatie in Ethiopië, in het bijzonder op de punten van discriminatie en mensenrechtenschendingen, te betrekken.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van
€ 934,- bij een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 3 mei 2024;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Bruggen, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.