ECLI:NL:RBNHO:2026:8557

Datum uitspraak
10-06-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/15/377987
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

verlening ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Haarlem

Zaaknummer: C/15/377987 / JU RK 26-772

Datum uitspraak: 10 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam,

hierna te noemen: de GI,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [plaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats] ,

hierna samen ook te noemen: de ouders,

advocaat mr. E.J. Coxon uit Utrecht.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 mei 2026, mee in de beoordeling.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de ouders met hun advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

1.3.

De kinderrechter heeft – vanwege de onder 1.4. genoemde gelijktijdige behandeling – bijzondere toestemming verleend aan [de pleegmoeder] , de pleegmoeder van [de minderjarige] ’ zusje [zusje] , om tijdens de zitting aanwezig te zijn.

1.4.

De zaak over [de minderjarige] ’ zusje [zusje] is tijdens de zitting gelijktijdig behandeld.1 [de minderjarige] en [zusje] worden hierna samen ook genoemd: de kinderen.

1.5.

[de minderjarige] heeft de mogelijkheid gekregen om zijn mening te geven, maar hiervan heeft hij geen gebruik gemaakt.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

2.2.

[de minderjarige] verblijft in een gezinsgerichte accommodatie.

2.3.

Bij beschikking van de kinderrechter van 25 maart 2024 is [de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld. Daarna is hij definitief onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is verlengd en duurt nu nog tot 14 juni 2026.

2.4.

Bij beschikking van de kinderrechter van 25 maart 2024 is ook een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een pleeggezin of gezinsgerichte voorziening voor de duur van vier weken. Bij gebrek aan een geschikte plek is [de minderjarige] op 5 april 2024 weer bij de ouders gaan wonen. Bij beschikking van de kinderrechter van 17 april 2024 is een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 25 juni 2024.

2.5.

Bij beschikking van de kinderrechter van 16 oktober 2024 is een (spoed)machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De machtiging is daarna opnieuw verleend en verlengd. Bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank is het perspectiefbesluit van de GI (waarin is geconcludeerd dat het perspectief van [de minderjarige] niet bij de ouders ligt) onderschreven en is de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 14 juni 2026.

3 De verzoeken

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie te verlengen voor de duur van één jaar. Zij verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De GI onderbouwt de verzoeken als volgt. In het perspectiefbiedende gezinshuis komt [de minderjarige] tot rust en ontwikkelt hij sociaal-emotionele vaardigheden. Volgens de zorgboerderij is [de minderjarige] klaar om een eerste stap naar onderwijs te zetten. Er zijn positieve ontwikkelingen in [de minderjarige] ’ gedrag, al toont hij nog wel onrustig gedrag. Vooral bij begrenzing krijgt hij woedeaanvallen met verbale en fysieke agressie. Ook heeft [de minderjarige] last van schuldgevoelens over de uithuisplaatsing van de kinderen. De begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de ouders ontwikkelt zich positief. Wel kunnen de ouders in het contact met [de minderjarige] nog onvoorspelbaar reageren en lukt het de ouders nog onvoldoende om aan te sluiten bij [de minderjarige] ’ gedrag en zorgbehoeften. Het is noodzakelijk dat de GI betrokken blijft om de (begeleide) omgang tussen [de minderjarige] en de ouders te monitoren, de samenwerking tussen de ouders en het gezinshuis te begeleiden en om de veiligheid te waarborgen.

3.3.

De GI heeft hier tijdens de zitting aan toegevoegd dat sinds één maand omgangsbegeleiding is ingezet voor [de minderjarige] en de ouders. Naast de begeleide omgangsmomenten proberen de gezinshuisouders ook andere contactmomenten te regelen tussen [de minderjarige] en de ouders, zoals bijvoorbeeld bij het afzwemmen van [de minderjarige] . Voor [de minderjarige] is traumatherapie aangevraagd, maar daar moet nog naar gekeken worden. Eerst moet het onderwijs voor hem worden opgepakt.

3.4.

De komende periode moet gewerkt worden aan de volgende doelen:

i) [de minderjarige] heeft een fijne en veilige omgangsregeling met zijn biologische netwerk;

ii) [de minderjarige] weet wie hij is en kan zich ontwikkelen binnen zijn mogelijkheden;

iii) [de minderjarige] krijgt de nodige ondersteuning bij het verwerken van de gebeurtenissen uit het verleden en leert omgaan met zijn emoties.

4 Het standpunt van de ouders

4.1.

De ouders het zijn eens zijn met de verzoeken. Er moet hulpverlening (blijven) worden ingezet voor [de minderjarige] en het zou fijn zijn als er duidelijkheid komt over de vermoedens van Autismespectrumstoornissen bij hem. Verder moet onderzocht worden wat [de minderjarige] nodig heeft, zodat de ouders van de hulpverlening kunnen leren hoe zij beter bij [de minderjarige] kunnen aansluiten.

5 De beoordeling

Verlenging ondertoezichtstelling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.2 De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De zorgen komen voort uit de fysieke en emotionele onveiligheid waaraan [de minderjarige] en zijn zusje zijn blootgesteld toen zij nog thuis woonden. [de minderjarige] verblijft sinds kort in een gezinshuis en heeft alleen begeleide omgang met de ouders. De kinderrechter vindt het positief dat de begeleide omgang steeds beter gaat en dat wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang. De ouders hebben hiervoor erg hun best gedaan en hebben grote stappen gezet in hun rol als ouders. Op dit moment komt onbegeleide omgang echter nog te vroeg omdat [de minderjarige] nog onrustig en boos gedrag laat zien tijdens de omgangsmomenten. Verder gaat [de minderjarige] nog niet naar school en is de benodigde traumatherapie nog niet opgestart.

5.3.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders doen erg hun best maar kunnen de door de GI gestelde doelen voor [de minderjarige] niet alleen met elkaar bereiken. Zij hebben daarvoor de hulp en regie van de GI nodig. De kinderrechter vindt het dan ook noodzakelijk dat de GI regie blijft voeren op de voor [de minderjarige] gestelde doelen. Ook vindt de kinderrechter het van belang dat de GI zicht houdt op het verloop van de begeleide omgang tussen [de minderjarige] en de ouders en in de toekomst onderzoekt of onbegeleide omgang mogelijk is. Tot slot vindt de kinderrechter het van belang dat de GI regie blijft voeren op het toewerken naar onderwijs voor [de minderjarige] , zodat zo snel mogelijk kan worden begonnen met de benodigde traumatherapie en eventuele verdere diagnostiek.

5.4.

De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van één jaar.

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

5.5.

Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk in het belang van zijn verzorging en opvoeding.3 Zoals onder 2.5. aangegeven, is bij beschikking van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 10 december 2025 het perspectiefbesluit door de rechtbank onderschreven. [de minderjarige] kan daarom niet terug naar huis. [de minderjarige] verblijft sinds een paar maanden in een gezinshuis, waar zijn perspectief definitief is bepaald. In het gezinshuis gaat het goed met hem en krijgt hij voldoende structuur. Het is in het belang van [de minderjarige] dat dit zo blijft.

5.6.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 14 juni 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie tot 14 juni 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026 door mr. G. Elst, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en op schrift gesteld op 29 juni 2026

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »