RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Alkmaar
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/196464-25
Uitspraakdatum: 7 juli 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 23 juni 2026 in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [PI] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A.M.H.G. Peters en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. Lans, advocaat te IJmuiden, naar voren hebben gebracht.
1 Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meerdere tijdstip(pen) op of omstreeks 29 juni 2025 te Alkmaar, althans in Nederland, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten: [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het een en/of meermalen:- (tong)zoenen van die [slachtoffer] en/of- stoppen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] en/of vingeren van die [slachtoffer] en/of- likken van de borsten van die [slachtoffer] en/of- kussen in de nek van die [slachtoffer] en/of- leggen van de hand van die [slachtoffer] op zijn, verdachtes, penis en/of- stoppen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en/of die [slachtoffer] hem, verdachte, laten pijpen en/of- stoppen van zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer] en/of (anale) gemeenschap hebben met die [slachtoffer] .
2 Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3 Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de verdachte vrij moet worden gesproken van het ten laste gelegde feit.
Oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat zedenzaken veelal worden gekenmerkt door het gegeven dat bij de ten laste gelegde seksuele handelingen alleen het vermeende slachtoffer en de vermeende dader aanwezig zijn geweest, waardoor naast de verklaring van het vermeende slachtoffer vaak weinig of geen ander rechtstreeks bewijs voorhanden is. De rechtbank beoordeelt daarom eerst of de verklaring van de aangeefster geloofwaardig en betrouwbaar is, waarbij onder meer wordt gelet op de consistentie, mate van detail en authenticiteit van die verklaring.
Wanneer de verklaring betrouwbaar wordt geacht, moet de rechtbank bepalen of voldoende steunbewijs voor die verklaring in het dossier aanwezig is. Op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan het bewijs niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige of aangever. Daarbij geldt dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel en niet vereist dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.
Verklaring aangeefster
[slachtoffer] heeft verklaard dat zij in de nacht van 28 op 29 juni 2025 alleen op straat in Alkmaar liep, omdat zij niet naar huis terug wilde gaan. Zij had ’s avonds ruzie met haar ouders gekregen over hoe laat zij thuis moest zijn en is toen vanuit haar woonplaats [plaats] met de trein naar Alkmaar gegaan. Toen zij alleen in Alkmaar liep, kwam op een gegeven moment de verdachte haar tegemoet fietsen en hij sprak haar aan. [slachtoffer] vertelde de verdachte dat zij ruzie had met haar ouders, waarna de verdachte met [slachtoffer] naar een park in Alkmaar is gelopen. Zij hebben daar op een bankje gezeten en gepraat. Op het bankje heeft de verdachte haar gezoend en gevingerd. Hij heeft hierbij twee vingers in haar vagina gebracht. Zij zijn daarna naar een ander bankje gelopen waar zij weer hebben gepraat en gezoend. De verdachte heeft de hand van [slachtoffer] naar zijn penis gebracht. [slachtoffer] heeft haar hand teruggetrokken. De verdachte heeft [slachtoffer] daarna voorgesteld om de bosjes in te gaan. De verdachte zoende haar en heeft [slachtoffer] in de bosjes naar de grond gebracht waarbij zij beiden zijn gevallen. Toen de verdachte op de grond op haar lag, heeft hij haar (in haar nek) gezoend, aan haar linker borst gelikt en haar weer gevingerd. Daarnaast heeft de verdachte de broek van [slachtoffer] naar beneden gedaan en haar met zijn penis anaal gepenetreerd. Het deed zeer en de verdachte hield niet op toen [slachtoffer] hem vroeg om te stoppen. De verdachte stopte pas toen hij in haar was klaargekomen. [slachtoffer] heeft ook verklaard dat zij de verdachte in de bosjes achter het tweede bankje op haar knieën heeft gepijpt.
Betrouwbaarheid van de verklaring
[slachtoffer] heeft een dag na het informatief zedengesprek aangifte gedaan. [slachtoffer] heeft in haar aangifte uitgebreid verklaard, waarbij zij in grote lijnen en op belangrijke onderdelen eenduidig en specifiek heeft verklaard over het algehele verloop van de nacht en de feiten en omstandigheden waaronder de seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. [slachtoffer] heeft in haar aangifte opmerkelijke details benoemd, zoals dat toen de verdachte [slachtoffer] wilde penetreren zij bijna huilend aangaf dat hij moest stoppen en dat zij niet zwanger wilde worden, en dat de verdachte vervolgens achter haar ging zitten en haar anaal penetreerde. [slachtoffer] zei toen eerst niks, omdat haar gedachten uitgingen naar het niet zwanger willen worden. Ook heeft [slachtoffer] verklaard dat zij na de seksuele handelingen met de verdachte is meegegaan naar zijn woonplek in het AZC, omdat zij een slaapplek nodig had. De politie heeft [slachtoffer] , na een melding van vermissing van haar ouders en middels het lokaliseren van haar telefoon, in de kamer van de verdachte in het AZC aangetroffen.
De rechtbank overweegt dat zij van oordeel is dat de aangifte van [slachtoffer] authentiek, gedetailleerd en consistent is. De details komen op de rechtbank authentiek over en dragen bij aan de betrouwbaarheid. Daarnaast zijn er geen indicaties dat het slachtoffer haar verklaring heeft willen aandikken. Zo zegt zij bijvoorbeeld dat ze de verdachte terug zoende, dat de verdachte geen geweld heeft gebruikt toen hij haar in de bosjes op de grond bracht en dat hij stopte en sorry zei toen ze aangaf dat ze niet vaginaal gepenetreerd wilde worden omdat ze niet zwanger wilde worden. De rechtbank ziet ook anderszins in het dossier geen aanwijzingen die maken dat er redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan de verklaring van [slachtoffer] . De rechtbank acht haar verklaring dan ook betrouwbaar en zal van de juistheid daarvan uitgaan.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of voldaan is aan het bewijsminimum. Anders gezegd: is er voldoende steunbewijs ter ondersteuning van de beschuldiging van de door [slachtoffer] beschreven verkrachting.
DNA-onderzoek
Bij [slachtoffer] is op 29 juni een zedenkit afgenomen, waarbij verschillende bemonsteringen zijn genomen voor DNA-onderzoek. Uit het daaropvolgend NFI-rapport van 3 juli 2025 blijkt dat in de bemonsteringen om en in de anus en aan de binnenzijde van de billen van [slachtoffer] spermavloeistof en spermacellen zijn aangetroffen. Op basis van vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat het meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is dat de bemonsteringen sperma van de verdachte bevatten dan wanneer de bemonsteringen sperma bevatten van een willekeurige onbekende man. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de verklaring van [slachtoffer] dat de verdachte haar met zijn penis anaal heeft gepenetreerd en in haar is klaargekomen, steun vindt in het forensisch onderzoek.
De verklaringen van de verdachte dat het aantreffen van zijn sperma om en in de anus en aan de binnenzijde van de billen van [slachtoffer] niet komt doordat hij haar anaal heeft gepenetreerd maar via een overdracht door [slachtoffer] zelf moet hebben plaatsgevonden, vindt de rechtbank ongeloofwaardig. Op geen enkele manier heeft de verdachte die verklaring concreet gemaakt. Daar komt bij dat de verdachte bij de politie heeft verklaard dat het aantreffen van zijn sperma mogelijk kan worden verklaard doordat zij misschien sperma aan haar vingers heeft gehad en bij haarzelf heeft ingebracht. Ter zitting is een andere mogelijkheid voor het aantreffen van zijn sperma aangevoerd, namelijk dat [slachtoffer] ook met de penis van de verdachte heeft gespeeld en dat hij klaar is gekomen. Dit zou het aantreffen van het sperma van de verdachte op en in het lichaam van [slachtoffer] kunnen verklaren. De rechtbank constateert dat de verdachte niet verder komt dan opties te benoemen hoe de forensische bevindingen kunnen worden verklaard anders dan dat anale penetratie heeft plaatsgevonden. De rechtbank kent daarom geen waarde aan deze verklaringen toe, zeker niet nu de verklaring van [slachtoffer] past bij de resultaten van het forensisch onderzoek en ook overigens steun vindt in de bewijsmiddelen in het dossier.
Forensisch onderzoek
De verklaring van [slachtoffer] dat zij door de verdachte verkracht is in de bosjes in het park wordt ook ondersteund door de resultaten van het proces-verbaal van forensisch onderzoek van 2 juli 2025. Uit het proces-verbaal blijkt dat op de broekspijp van [slachtoffer] , ter hoogte van de gulp, bruinkleurige vlekken zijn gevonden welke mogelijk veroorzaakt zijn door grond. Op de rechterbroekspijp net boven de knie zijn groenkleurige vlekken aangetroffen welke mogelijk veroorzaakt zijn door gras en/of bladeren. Ook is er tijdens het onderzoek iets groens aangetroffen in de bovenkant van de bilnaad van [slachtoffer] en zijn er tussen haar schaamhaar kleine bruinkleurige resten aangetroffen. Deze resten zijn vermoedelijk resten vegetatie. Op de rechterenkel van [slachtoffer] zijn twee verse krasverwondingen aangetroffen die veroorzaakt zouden kunnen zijn door scherpe takken.
De rechtbank stelt vast dat deze vlekken net boven de knieën op de broek van [slachtoffer] passen bij haar verklaring dat zij de verdachte op haar knieën heeft gepijpt. De vlekken bij de gulp, de gevonden vegetatie en de krasverwondingen passen bij de verklaring van [slachtoffer] dat zij in de bosjes op de grond heeft gelegen en dat de verdachte daar haar broek uitdeed. Gelet hierop passen de resultaten van het forensisch onderzoek bij de verklaring van [slachtoffer] over hoe en waar de seksuele handelingen, zoals ten laste gelegd, zouden hebben plaatsgevonden.
Conclusie Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, voldoende ondersteuning bieden voor de verklaring van de aangeefster om het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen te achten.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij omstreeks 29 juni 2025 te Alkmaar, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten: [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ) seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten het:- tongzoenen van die [slachtoffer] en- stoppen van zijn, verdachtes, vingers in de vagina van die [slachtoffer] en vingeren van die [slachtoffer] en- likken van de borst van die [slachtoffer] en- kussen in de nek van die [slachtoffer] en- leggen van de hand van die [slachtoffer] op zijn, verdachtes, penis en- stoppen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en die [slachtoffer] hem, verdachte, laten pijpen en- stoppen van zijn, verdachtes, penis in de anus van die [slachtoffer] .
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit
Het bewezenverklaarde levert op:
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.
5 Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
6 Motivering van de sanctie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van het voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoon van de verdachte en de concrete feiten en omstandigheden waaronder het ten laste gelegde zich zou hebben afgespeeld en de verdachte een lagere straf op te leggen dan door het openbaar ministerie is geëist.
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van het feit
De verdachte heeft een minderjarig meisje van slechts 13 jaar oud verkracht. [slachtoffer] had ruzie met haar ouders en was weggelopen van huis. Zij liep in de nacht op straat en was daardoor kwetsbaar. De verdachte raakte met haar in gesprek en hoorde van de ruzie tussen [slachtoffer] en haar ouders en de daarmee van de kwetsbare situatie waarin zij zich bevond. Terwijl de verdachte [slachtoffer] hulp had moeten bieden, heeft hij misbruik gemaakt van de situatie. Hij heeft haar meegenomen naar een park en haar daar gezoend en zich door [slachtoffer] laten pijpen. Daarnaast heeft hij [slachtoffer] gevingerd en haar met zijn penis, zonder condoom, anaal gepenetreerd. Ondanks dat zij aangaf dat dit pijn deed is de verdachte pas gestopt toen hij in haar is klaargekomen. Het gaat hierbij om meerdere (zeer) vergaande seksuele handelingen die de verdachte pleegde bij een jong meisje dat hij pas net had ontmoet en dat hem niet kende. Daar komt nog bij dat dit voor [slachtoffer] haar eerste seksuele ervaring was.
De wet beschermt (de belangen van) jeugdigen tussen de twaalf en zestien jaren tegen het ondergaan van seksuele handelingen met niet-leeftijdsgenoten. De verdachte heeft met zijn handelen ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en seksuele integriteit van [slachtoffer] . Minderjarigen bevinden zich in een kwetsbare ontwikkelingsfase en worden, gezien hun jeugdige leeftijd, geacht niet of in onvoldoende mate in staat te zijn hun seksuele integriteit te bewaken. Daarom moeten zij beschermd worden tegen seksueel misbruik. Daarbij komt dat de verhouding tussen de verdachte en [slachtoffer] ongelijkwaardig was, gelet op het grote leeftijdsverschil en het verschil in levensfase. De verdachte heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de gevolgen van zijn handelen voor [slachtoffer] . Het is algemeen bekend dat jonge slachtoffers vaak ernstige psychische gevolgen ondervinden van seksueel misbruik. Dat is ook in deze zaak het geval, zo blijkt uit hetgeen (de moeder van) [slachtoffer] in het kader van haar spreekrecht op de zitting naar voren heeft gebracht en uit de toelichting op het verzoek om schadevergoeding. [slachtoffer] ondervindt nu, een jaar later, nog steeds de psychische gevolgen van het handelen van de verdachte wat inmiddels ook heeft geleid tot hallucinaties en psychoses waarvoor zij medicatie dient te slikken.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf ook gekeken naar de persoon van de verdachte. Uit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld. Uit het Pro Justitia rapport van 13 januari 2026 blijkt dat de verdachte onvoldoende heeft mee willen werken, waardoor een volledig gedragskundig onderzoek niet heeft kunnen plaatsvinden. De deskundige heeft de in het rapport gestelde vragen dan ook niet kunnen beantwoorden. Op de zitting van 23 februari 2026 heeft de verdediging naar voren gebracht dat zij geen meerwaarde zag in voortzetting van de persoonlijkheidsonderzoeken. De rechtbank moet het thans, bij gebrek aan andersluidende bevindingen, ervoor houden dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat hij op geen enkel moment ervan blijk heeft gegeven dat hij het laakbare van zijn handelen inziet.
De op te leggen straf
Gelet op de aard en ernst van het gepleegde feit en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer acht de rechtbank enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend. Bij het bepalen van de strafmaat is rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden is.
7 Vordering benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 12.000,00 ingediend tegen de verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg
van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering geheel toe te wijzen.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering dan wel de vordering af te wijzen gelet op de bepleite vrijspraak en op het feit dat de vordering onvoldoende is onderbouwd met stukken. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de vordering te matigen.
Oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in de eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij is gebaseerd op deze laatste grondslag. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. In beginsel moet degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens onderbouwen. In bepaalde gevallen kunnen de aard en de ernst van de normschending echter meebrengen dat relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.
Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en ernst van de normschending (een verkrachting van een minderjarige), in dit geval met zich mee dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat de aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen.
Bij het bepalen van de hoogte van deze schade neemt de rechtbank de Rotterdamse Schaal (een ordening van smartengeldenbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen) als uitgangspunt. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij de bandbreedte die in de Rotterdamse schaal is opgenomen voor ontucht met binnendringen (hoofdstuk 15.2). Gelet hierop en op de ernst van het handelen van de verdachte en de gevolgen die dat voor de benadeelde partij heeft gehad, acht de rechtbank toewijzing van het gevorderde bedrag van € 12.000,00 billijk.
Conclusie immateriële schade
De vordering van de benadeelde partij van de immateriële schade zal dan ook geheel worden toegewezen. De verdachte zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Kostenveroordeling
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet verder reden om in het belang van de benadeelde partij, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan de verdachte op te leggen. Dit betekent (kort gezegd) dat de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 12.000,00 aan de Staat moet betalen.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 85 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
8 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing: artikel 36f en 248 van het Wetboek van Strafrecht.
9 Beslissing
De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4 vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade van € 12.000,00 bestaande uit immateriële schade en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 juni 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat
€ 12.000,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hiervoor genoemde data tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 85 dagen gijzeling.
Bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. H.H.E. Boomgaart, voorzitter,
mr. N.M.L. Rogmans en mr. N. Ćulafić, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van der Meij
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 juli 2026