RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/047856-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 9 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1981] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] , [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 18 september 2026. Het onderzoek is gesloten op 9 oktober 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
-
de verdachte;
-
de officier van justitie: mr. A. Bakker;
-
de advocaat van de verdachte: mr. E.S. Kostelijk (hierna: de advocaat);
-
de benadeelde partij: [slachtoffer] ;
-
de benadeelde partij: [benadeelde] ;
-
de advocaat van de benadeelde partijen: mr. S.D. Polat.
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
in de periode van 25 september 2024 tot en met 26 september 2024 in [plaats] [slachtoffer] , die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, heeft verkracht;
feit 2
in de periode van 15 september 2024 tot en met 26 september 2024 in [plaats] kinderporno in bezit heeft gehad, heeft verworven en/of heeft vervaardigd;
feit 3
in de periode van 25 september 2024 tot en met 26 september 2024 in [plaats] , opzettelijk een minderjarige heeft onttrokken aan het wettelijk gezag.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
3.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
3.2. Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 en 2. De in dit verband gevoerde verweren worden hierna, voorzover van belang, besproken in paragraaf 3.3 Ten aanzien van feit 3 voert de advocaat geen verweer over het bewijs.
3.3. Oordeel van de rechtbank
3.3.1. Vrijspraak feit 2
De rechtbank oordeelt dat feit 2 niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen dat de verdachte het in de tenlastelegging beschreven kinderpornografisch materiaal in zijn bezit heeft gehad. De rechtbank overweegt daarbij dat er twee kinderpornografische beelden zijn aangetroffen op de telefoon van de aangeefster. De rechtbank sluit weliswaar niet uit dat verdachte kennis heeft kunnen nemen van deze foto’s, maar zij heeft niet kunnen vaststellen dat deze foto’s daadwerkelijk zijn aangetroffen op de telefoon van de verdachte of op een andere (digitale) omgeving waar de verdachte toegang toe had. Uit het dossier komen verder ook geen andere concrete aanwijzingen naar voren dat de verdachte de betreffende foto’s heeft ontvangen en/of opgeslagen.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken.
3.3.2. Bewijsmiddelen feiten 1 en 3
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank oordeelt dat feit 1 is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Ten aanzien van feit 3
De verdachte bekent dat hij feit 3 heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert. De bewijsmiddelen staan in bijlage II van dit vonnis.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.3. Bewijsoverwegingen
Van de zijde van verdachte is ter zake van feit 1 vrijspraak bepleit. Daartoe is, zakelijk weergegeven en voorzover hier van belang het volgende verweer gevoerd:
-
Met de verklaring van [slachtoffer] moet behoedzaam worden omgegaan.
-
De verklaring van [slachtoffer] wordt onvoldoende ondersteund door de rest van het dossier
-
Het DNA kan niet als bewijs worden gebezigd omdat er twee andere scenario’s denkbaar zouden zijn als verklaring van de vondst van het DNA op de onderbroek,
-
Als de rechtbank als zou vinden dat het aangetroffen DNA bewijs vormt voor seksueel contact, dan is de plek waar het DNA op de onderbroek is aangetroffen een contra-indicatie voor seksueel binnendringen.
De betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer]
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat terughoudendheid bij het bezigen van de verklaringen van [slachtoffer] is geboden omdat [slachtoffer] zelf de vrees heeft uitgesproken dat zij mogelijk dingen in gaat vullen die niet zijn gebeurd en dat ze die dan vertelt. Anders dan de advocaat is de rechtbank van oordeel dat deze opmerking geen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van haar verklaring. Het laat zien dat [slachtoffer] goed na heeft gedacht over wat zij wel en niet verklaart en wat er volgens haar echt gebeurd is. De bezorgdheid van [slachtoffer] dat ze dingen zou vertellen die niet zijn gebeurd, maakt dan ook niet dat de betrouwbaarheid wordt geraakt. De rechtbank is voorts van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] zodanig authentiek, consistent en specifiek is dat deze als bewijsmiddel kan worden gebruikt.
Het wettelijk kader: bewijsminimum en steunbewijs
Op grond van artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, niet uitsluitend worden aangenomen op grond van enkel de verklaring van één getuige, in casu [slachtoffer] . Hetgeen betekent dat er ook ander bewijs moet zijn dat de verklaring van de getuige steunt. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal. Die steun wordt hier gevonden in de verklaring van verdachte ter zitting waaruit blijkt dat [slachtoffer] de bewuste avond en nacht in zijn woning heeft verbleven en het op haar onderbroek aangetroffen sperma, waarvan het daar in aangetroffen DNA-materiaal overtuigend in de richting van verdachte wijst.
Bruikbaarheid van het DNA-bewijs, alternatieve scenario’s
De verdachte heeft verklaard dat hij niet weet hoe zijn sperma in de onderbroek van [slachtoffer] terecht is gekomen. Hij stelt dat dit wellicht komt doordat er nog sperma op het bed zat van toen hij onbeschermde seks heeft gehad met zijn ex-partner of dat [slachtoffer] een gebruikte condoom uit de prullenbak heeft gehaald en zijn sperma op haar onderbroek heeft gesmeerd. De rechtbank verwerpt deze door verdachte naar voren gebrachte alternatieve verklaringen als zijnde ongeloofwaardig. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat verdachte kort voorafgaand aan het moment dat [slachtoffer] in zijn huis verbleef seksueel contact zou hebben gehad met een andere vrouw. Daarnaast zijn er geen aanwijzingen in het dossier die wijzen op een vooropgezet plan van [slachtoffer] om de verdachte er als het ware in te luizen.
De plek van het aangetroffen sperma, contra-indicatie voor seksueel binnendringen?
De raadsvrouw heeft betoogd dat als er sprake zou zijn geweest van seksueel binnendringen het niet anders kan dan dat sperma in de binnenkant van het kruis terecht zou komen en niet op de plek waar het werd aangetroffen. De plaats waar het sperma is aangetroffen kan niet een op zichzelf staande voldoende sterke contra-indicatie vormen voor seksueel binnendringen. Temeer niet nu verdachte zelf heeft ontkend enig seksueel contact met [slachtoffer] te hebben gehad en de andere door hem gegeven verklaringen over hoe het sperma op de onderbroek terecht is gekomen reeds hiervoor terzijde zijn geschoven.
Conclusie
Concluderend acht de rechtbank het onder 1 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.4. Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
Ten aanzien van feit 1
in de periode van 25 september 2024 tot en met 26 september 2024 te [plaats] met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [2009] , seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten - het brengen en bewegen van zijn, verdachtes, vingers en tong en penis in de vagina van die [slachtoffer] ;
Ten aanzien van feit 3
op 25 september 2024 en 26 september 2024 te [plaats] opzettelijk, een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [2009] , die zich onttrokken had aan het wettig over haar gesteld gezag, heeft verborgen en aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
4.1. Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Ten aanzien van feit 1
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren;
Ten aanzien van feit 3
opzettelijk een minderjarige die zich onttrokken heeft aan het wettelijk over hem gesteld gezag, verbergen en aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken.
4.2. Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf en maatregel
5.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd:
o een meldplicht;
o meewerken aan ambulante behandeling;
o meewerken aan verblijf in begeleid wonen of een maatschappelijke opvang;
o een contactverbod met het slachtoffer;
o een locatieverbod voor het gebied binnen een straal van 500 meter van de woning van het slachtoffer.
De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd:
- een contact- en locatieverbod als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 2 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet.
De officier van justitie vordert daarnaast de opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis.
5.2. Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de verdachte een first offender is. De raadkamer heeft de vordering gevangenhouding op 12 maart 2026 afgewezen, waartegen het openbaar ministerie in hoger beroep is gegaan. Het Hof heeft op 7 april 2026 besloten om de vordering gevangenhouding toch toe te wijzen. Op 9 juni 2026 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis geschorst. De verdachte is sinds zijn invrijheidsstelling gaan werken, is bezig met het afbetalen van zijn schulden en hij staat op een wachtlijst voor een woning. De advocaat verzoekt om bij een veroordeling daarom geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De advocaat geeft aan dat de reclassering heeft gerapporteerd dat er contra-indicaties zijn voor het opleggen van een gevangenisstraf aan de verdachte. De advocaat verzoekt om ook rekening te houden met het feit dat hij door velen al met de nek aangekeken wordt, omdat hen ten ore is gekomen dat hij van een zedenfeit wordt verdacht. De advocaat stelt zich op het standpunt dat de redelijke termijn is overschreden en dat een strafkorting van 5% moet volgen.
De advocaat verzoekt om de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen.
5.3. Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf en maatregelen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd, zoals van één en ander ter terechtzitting is gebleken. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Daarbij neemt de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte, een man van destijds 43 jaar oud, heeft een minderjarig meisje van destijds 14 jaar oud verkracht. Daarnaast heeft hij haar gedurende de nacht voor haar ouders en de politie verborgen. Met zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] , een minderjarig meisje dat zich op dat moment niet bewust was van het kwalijke van de seksuele handelingen die tussen hen plaatsvonden. Dat [slachtoffer] minderjarig was, wist de verdachte. Sterker nog, bij de politie heeft hij verklaard dat hij dacht dat ze 13 was. De verdachte heeft desondanks misbruik gemaakt van de ongelijkwaardige relatie die hij met haar had, waarin reeds door het enorme leeftijdsverschil sprake was van een groot overwicht op de minderjarige [slachtoffer] . Hij heeft van zijn overwicht gebruik gemaakt om bij haar seksuele handelingen te verrichten en dit bestond bovendien uit onbeschermde seks. Daarbij stelde hij zijn eigen seksuele behoeften boven de belangen van [slachtoffer] . Voorafgaand aan de verkrachting heeft hij een vertrouwensband met [slachtoffer] opgebouwd door dagelijks met haar te praten via Whatsapp of Messenger.
Slachtoffers van dergelijke feiten lijden dikwijls lange tijd onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Uit de slachtofferverklaring, die ter zitting door [slachtoffer] is voorgedragen, komt op indringende wijze naar voren dat [slachtoffer] nog altijd kampt met de psychische gevolgen die de bewezenverklaarde strafbare feiten met zich mee hebben gebracht en de deuk die zij daardoor heeft opgelopen in haar ontwikkeling. Uit de vordering benadeelde partij blijkt tevens dat [slachtoffer] therapie heeft gevolgd en dat het de verwachting is dat zij nog minstens een jaar lang therapie nodig zal hebben. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen ten aanzien van de verkrachting en hij heeft geen berouw getoond richting [slachtoffer] , nu hij het seksuele misbruik blijft ontkennen.
Het voorgaande rechtvaardigt de oplegging van een gevangenisstraf.
Als strafverzwarend weegt de rechtbank mee de berekenende houding van verdachte, zowel tijdens het onderzoek door de politie als tijdens de nacht van 25 op 26 september 2024. Als strafmatigend weegt de rechtbank mee dat verdachte, anders dan door de officier van justitie geëist, wordt vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde. Met name vanwege dat laatste komt de rechtbank tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft verder acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte van 11 juni 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit, alsmede op het over verdachte opgestelde reclasseringsrapport van 7 september 2026. De rechtbank zal het daarin opgenomen advies om een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen, niet volgen, omdat zij een straf zal opleggen waar geen ruimte is voor bijzondere voorwaarden. De noodzaak tot het bieden van hulp en steun aan verdachte kan te zijner tijd in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling worden vormgegeven.
Schending redelijke termijn?
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de redelijke termijn in deze zaak is geschonden, die zou volgens haar zijn gestart op 29 september 2024, het moment waarop de telefoon van verdachte in beslag werd genomen. Beslissend bij de bepaling of de redelijke termijn is aangevangen, is of de verdachte op basis van deze inbeslagneming redelijkerwijs kon verwachten dat hij ter zake van een bepaald strafbaar feit zou worden vervolgd.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van die dag (blz 17) blijkt dat de politie wordt aangesproken door de stiefvader van [slachtoffer] met de opmerking dat op de telefoon van verdachte zich mogelijk kinderporno bevindt. Een politie-ambtenaar heeft vervolgens aan verdachte gevraagd of hij zijn mobiele telefoon mocht hebben, waarop verdachte de telefoon heeft overhandigd. De politieambtenaar heeft vervolgens gevraagd of er nog strafbare dingen op de telefoon stonden en hoorde verdachte zeggen dat dat niet zo was. Na overleg met de zeden-piketlijn is de telefoon in beslaggenomen voor verder onderzoek.
Gelet op deze gang van zaken is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan dat verdachte op basis van deze inbeslagneming die gericht was op het verrichten van nader onderzoek, redelijkerwijs kon verwachten dat hij ter zake van een bepaald feit zou worden vervolgd.
Dat verdachte redelijkerwijs kon verwachten dat hij zou worden vervolgd is in deze zaak vanaf het moment van zijn aanhouding en inverzekeringstelling op 24 februari 2025.
De slotsom is dan ook dat de redelijke termijn niet is geschonden.
De op te leggen straf
De rechtbank stelt voorop dat, gezien de ernst en de zorgwekkende combinatie van de gepleegde feiten, als ook de straffen die doorgaans voor dergelijke feiten worden opgelegd, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden.
De op te leggen 38v-maatregel
De rechtbank zal zoals hiervoor overwogen geen contact- en locatieverbod opleggen als bijzondere voorwaarde. De rechtbank ziet echter wel aanleiding om naast het opleggen van voormelde gevangenisstraf - ter beveiliging van de maatschappij - een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid zoals bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen, in de vorm van een contact- en locatieverbod met betrekking tot [slachtoffer] en haar woonadres. Aan de wettelijke vereisten op grond van artikel 38v Sr voor oplegging is voldaan. Deze maatregel zal worden opgelegd voor de duur van drie jaren. Daarbij wordt voor elke overtreding de vervangende hechtenis bepaald op twee weken met een totale duur van maximaal zes maanden.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel ook dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte zich naar aanleiding van dit vonnis belastend zal gedragen jegens [slachtoffer] . De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de verdachte, zoals uit het dossier blijkt, telkens heimelijk contact met [slachtoffer] heeft opgenomen, waarbij hij dat tegenover haar moeder verhulde en ontkende. Die omstandigheid, alsmede verdachtes proceshouding, wekken gerechtvaardigde vrees voor herhaling.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank wijst de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verdachte niet in vrijheid de executie van zijn straf of een eventueel hoger beroep te laten afwachten, mede gelet op het feit dat de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar is verklaard.
6. Vordering benadeelde partij
6.1. Benadeelde partij [slachtoffer]
6.1.1. Vordering benadeelde partij [slachtoffer]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 16.443,71 voor de feit 1, 2 en 3, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 3.943,71 voor vergoeding van materiële schade en € 12.5000,00 voor vergoeding van immateriële schade.
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
-
Kosten therapie: € 1.980,03;
-
Toekomstige kosten therapie: € 1.963,68.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De benadeelde partij vraagt ook een vergoeding van € 2.358 voor gemaakte proceskosten.
Dit bedrag is gebaseerd op het liquidatietarief kanton tarief III bestaande uit €786,00 per punt en 3 punten.
6.1.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [slachtoffer] geheel dient te worden toegewezen.
6.1.3. Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op het standpunt dat, gelet op de verzochte vrijspraak van feiten 1 en 2, de vordering al flink gematigd dient te worden.
Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van een of allebei deze feiten komt, refereert de advocaat zich ten aanzien van materieel gevorderde aan het oordeel van de rechtbank.
De advocaat verzoekt om de gevorderde immateriële schade te matigen, gelet op de bedragen die genoemd worden in de Rotterdamse schaal. Zij sluit zich daarbij aan bij de categorie ‘tamelijk ernstig’.
De advocaat verzoekt om de gevorderde proceskosten te matigen en toe te wijzen conform de liquidatietarieven kanton per 1 februari 2026.
6.1.4. Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering benadeelde partij [slachtoffer]
Materiële schade
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door de bewezen verklaarde feiten onder 1 en 3 rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal de gevorderde materiële schade daarom toewijzen tot een bedrag van €3.943,71.
De rechtbank is van oordeel dat er - ten aanzien van de al gemaakte therapiekosten - sprake is van schade die is geleden in een langere periode tussen de datum van de eerste factuur en de datum dat van de laatste factuur. De rechtbank zal voor de ingang van de wettelijke rente uitgaan van het midden van de periode gelegen tussen 15 september 2025 (uiterste betaaldatum eerste factuur) en 14 maart 2026 (uiterste betaaldatum factuur laatste factuur). De vergoeding van deze schadepost wordt daarom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2025, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De rechtbank is van oordeel dat er – ten aanzien van de toekomstige therapiekosten – sprake is van toekomstige schade. De rechtbank zal voor de ingang van de wettelijke rente uitgaan van de datum waarop het schadebedrag is vastgesteld, namelijk de datum van de uitspraak.
De vergoeding van deze schadepost wordt daarom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 oktober 2026, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat zij door het strafbare feit op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt.
Voor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. De rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daartoe kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging. In de onderhavige zaak valt het letsel van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank tussen de categorieën ‘ernstig’ en ‘tamelijk ernstig’ van de categorie ‘ontucht met binnendringen’ van de Rotterdamse schaal. De rechtbank neemt daarom het overlappende bedrag als uitgangspunt. De rechtbank oordeelt een bedrag van € 6.000 passend, gelet op de door de benadeelde partij beschreven gevolgen. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank werkt met een puntensysteem om de proceskosten te berekenen, het zogenoemde liquidatietarief in civiele zaken. De rechtbank kent 2 punten toe voor een tarief van € 432,00 per punt. De rechtbank begroot de proceskosten van de benadeelde partij daarmee op € 864,00.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 9.943,71 aan de Staat moet betalen.
De vergoeding van de materiële schade (€ 3.943,71) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de volgende data tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald:
-
voor een bedrag van € 1.980,03,- vanaf 14 december 2025;
-
voor een bedrag van € 1.963,68 vanaf 9 oktober 2026;
De vergoeding van de immateriële schade (€ 6.000,00) wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 74 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
BEM-clausule
Omdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en haar wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
6.2 Benadeelde partij [benadeelde] (moeder van [slachtoffer] )
6.2.1. Vordering benadeelde partij [benadeelde]
(de moeder van [slachtoffer] ) heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.500 voor de feiten 1 en 3, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade (smartengeld).
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De benadeelde partij vraagt ook een vergoeding van € 1.042,00 voor gemaakte proceskosten.
Dit bedrag is gebaseerd op het liquidatietarief kanton tarief I bestaande uit €571,00 per punt en 2 punten.
6.2.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [benadeelde] geheel dient te worden toegewezen.
6.2.3. Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op het standpunt dat enkel een bedrag van € 2.500,00 toegewezen kan worden, nu dit bedrag ziet op de onttrekking aan het ouderlijk gezag. De overige € 1.000,00 ziet op de ten laste gelegde verkrachting. In onderhavige zaak is onvoldoende onderbouwd dat [slachtoffer] aan de zorg van de verdachte was toevertrouwd, waardoor er geen aansluiting kan worden gezocht bij de door de benadeelde partij aangehaalde jurisprudentie.
De advocaat verzoekt om de gevorderde proceskosten te matigen en toe te wijzen conform de liquidatietarieven kanton per 1 februari 2026.
6.2.4. Oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vordering benadeelde partij [benadeelde]
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat zij door het onder feit 3 bewezenverklaarde feit op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de ernst van de gevolgen blijkt.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 1.500,00 billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank wijst het meer gevorderde af.
De vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
De benadeelde partij vordert daarnaast nog een vergoeding van de immateriële schade ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zij door het strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Ook kan de rechtbank niet vaststellen dat anderszins sprake is van een aantasting in de persoon, omdat de benadeelde partij onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd welke gevolgen het strafbare feit voor haar heeft gehad. Uit het dossier noch de vordering blijkt dat er sprake is geweest van een vertrouwensband tussen de verdachte en de benadeelde partij. Van een uitzonderlijke situatie waarin geen onderbouwing nodig is, is in dit geval geen sprake, gelet op rechtspraak van de Hoge Raad.
De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om dit gedeelte van de vordering alsnog verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank werkt met een puntensysteem om de proceskosten te berekenen, het zogenoemde liquidatietarief in civiele zaken. De rechtbank kent 2 punten toe voor een tarief van € 253,00 per punt. De rechtbank begroot de proceskosten van de benadeelde partij daarmee op € 506,00.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor haar doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 1.500,00 aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2024, omdat vast is komen te staan dat de immateriële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 15 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- Artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 60a, 248 en 280 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 2 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
-
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 3 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
-
verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en 3 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 36 (zesendertig) maanden;
- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Maatregel
- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 3 (drie) jaren;
- beveelt dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [2009] te [geboorteplaats] ;
- zich niet zal bevinden binnen het gebied gelegen tussen, en met inbegrip van, de volgende straten te [plaats] , te weten: de [straat] , de [straat] en de [straat] ;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt maximaal 2 (twee) weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste 6 (zes) maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]
ten aanzien van de feiten 1 en 3
- wijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 9.943,71;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:
-
over een bedrag van € 1.980,03 met ingang van 14 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
-
over een bedrag van € 1.963,68 met ingang van 9 oktober 2026 tot de dag van volledige betaling;
-
over een bedrag van € 6.000,00 met ingang van 26 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
- wijst de vordering van [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde af;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 864,00;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 9.943,71 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:
-
over een bedrag van € 1.980,03 met ingang van 14 december 2025 tot de dag van volledige betaling;
-
over een bedrag van € 1.963,68 met ingang van 9 oktober 2026 tot de dag van volledige betaling;
-
over een bedrag van € 6.000,00 met ingang van 26 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
- indien de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 74 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
- bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde]
ten aanzien van feit 1
- verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
ten aanzien van feit 3
- wijst de vordering van [benadeelde] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 1.500,00;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2024 tot de dag van volledige betaling;
- wijst de vordering van [benadeelde] voor wat betreft het meer gevorderde af;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op dit moment begroot op € 506,00;
- legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat € 506,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 15 dagen gijzeling;
- bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
voorlopige hechtenis
- wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.K. van Riemsdijk, voorzitter, mrs. J.T. Pouw en J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Brenker als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026.
Mr. Van Riemsdijk is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
in of omstreeks de periode van 25 september 2024 tot en met 26 september 2024 te [plaats] met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [2009] , een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, te weten
- het brengen en/of duwen en/of bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) en/of tong en/of penis in de vagina van die [slachtoffer] ;
Feit 2
in of omstreeks de periode van 15 september 2024 tot en met 26 september 2024 te [plaats] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
een of meer visuele weergaven van seksuele aard en/of met onmiskenbaar seksuele strekking
waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, te weten
[slachtoffer] , geboren op [2009] , was betrokken of schijnbaar was betrokken
heeft
vervaardigd en/of
verworven en/of
in bezit heeft gehad
te weten een of meer foto's en/of video's,
waarop te zien is dat:
die persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij
- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en/of gekleed is en/of opgemaakt is en/of in een
omgeving en/of in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn leeftijd past, en/of
- door het camerastandpunt en/of de (onnatuurlijke) pose en/of de wijze van kleden van die
persoon en/of de uitsnede van de foto’s/films nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en/of
billen van die persoon in beeld worden gebracht
De officier van justitie deelt mede dat een toonmap is samengesteld die, ter voorkoming van
strafbare feiten en verdere verspreiding, niet in het dossier is gevoegd en ook niet in afschrift zal worden verstrekt. De officier van justitie zal deze toonmap als stuk van overtuiging op de
terechtzitting aanwezig hebben en aan de rechtbank overleggen. Voorafgaand aan de
terechtzitting kan inzage in genoemd materiaal verleend worden op afspraak met de officier van justitie
Feit 3
hij op (een of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 25 september 2024 tot en met 26 september 2024 te [plaats] opzettelijk, een minderjarige, te weten [slachtoffer] , geboren op [2009] , die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit des bevoegd over hem uitoefende, heeft verborgen en/of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken;
Bijlage II: Bewijsmiddelen 1
Feit 1
De verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 24 juni 2026, zakelijk weergegeven:
Op 25 september 2024 stond [slachtoffer] bij mij in de tuin. Ik heb haar toen binnengelaten en verborgen gehouden voor haar ouders en de politie. Zij is de volgende ochtend weer naar huis gegaan.
[slachtoffer] heeft volgens een proces-verbaal van bevindingen2 van 23 januari 2025 onder meer de volgende verklaring afgelegd, zakelijk weergegeven:
“ik ben weggelopen, via het dakraam van mama. En toen ben ik naar z'n huis toegelopen. En op dat moment, was hij niet thuis. En ehm, toen heb ik gewacht, en even later kwam die thuis. En toen ehm, nou, gingen we eigenlijk gewoon praten, En ehm, toen ging hij helemaal ehm, eigenlijk opzoeken bij Center Parcs, en hotels, of we daarheen konden gaan. En op een gegeven moment ehm, werd er heel veel geklopt, en alles. Want toen waren ze dus op zoek naar mij, en alle buren en zo. En ehm, nou, toen werd er dus op de deur geklopt. En toen moest ik eh, van hem naar boven gaan, om me te verstoppen. En toen ben ik in de kast gaan zitten van zijn dochter. En toen is hij naar buiten gegaan, naar m'n moeder, en toen is tie mee gaan helpen zoeken naar mij . En even later kwam die weer terug, en toen eh, hebben we weer gepraat. En toen ehm, begon hij eh, mij aan te raken, zeg maar beneden. En ehm, ja, vingerde hij mij. En toen nam hij me mee naar boven. En toen eh, heeft ie zo'n ja, hij vroeg het niet, of ik het wilde, hij, we deden het gewoon. En toen ehm, hadden we dus seks gehad. En ik zat boven, die tijd, en toen heeft ie gelogen tegen de politieagent, dat ik niet boven zat. En toen is die politieagent weer weggegaan. Ehm, toen ben ik weer naar beneden toegegaan, want ik wilde gaan slapen. En toen heeft ie ehm, nog een glas drinken gegeven de derde die avond. En toen ehm, nou, toen wilde ik gaan slapen, alleen hij wilde nog een keer eh, seks hebben..
V: Daar beneden zeg jij, Wat bedoel je daar beneden? 3 A: Dat ie me ging vingeren, dus beneden bij m'n lijf, dat bedoel ik. V: Ja, en het is heel vervelend, dat ik dingen dan heel specifiek moet weten. Wat versta je onder vingeren? A: met z'n vingers, V: en dan? A: Dan erin, zeg maar. V: waarin? A: in m'n vagina, V: oké, En werd er dan nog iets bij gezegd, of over gesproken op dat moment? A: Ehm, hij zei eh, "je wilt het hè." En toen nam hij me mee naar boven. A: Naar zijn eh, zijn bed. A: Hij kleedde zich uit, hij deed het raam dicht, doet zijn rolluik ding naar beneden . A: En toen eh, ja, toen zoende hij me, en toen ging hij naar binnen. A: toen eh, nou, hadden we seks. V: Oké, z'n kleding was uit, en hoe zat het met jouw kleding? A: Dat had ie ook uitgedaan. V: Had ie ook uitgedaan. En had je nog iets aan? A: eh, ja, ik had m'n bh, en m'n trui aan. V: oké, bh en trui, A: Onder had ik niks aan meer. A: Nou toen had ie me dus gezoend, en toen eh, hadden we de seks. A: Niks dan, stopt ie z'n geslachtsdeel in mij. V: Oké, en waar ben jij dan op dat moment? A: Ik lig op dat bed. V: Oké, en hoe lig je dan op het bed? A: op m'n rug, V: op je rug, En dan doet hij zijn geslachtsdeel, waar doet hij dat dan in? A: in mijn geslachtsdeel, A: Ik denk ongeveer drie, vier minuten, denk ik. V: oké, Was dat zonder condoom of met condoom. A: zonder, V: oké, Dus hij is klaargekomen. A: ook in mij, A: maar (NTV) toen heeft ie vier keer achter elkaar herhaald, "dat dacht ik al," dat
ik het nog een keer wilde.
V: oké, Hee, en hoe ging dat dan die tweede keer? 4 A: Eh, dat was op de bank. Toen lag hij achter mij. V: En waar is de bank? A: eh, in de woonkamer, V: Heeft ie je voor de rest nog ergens anders aangeraakt? A: Hij heeft me toen ook nog gebeft, tijdens de seks. V: weet je ook welke onderbroek je aanhad. A: Ja, de witte string. V: de witte string.”
Een deskundigenrapport van het NFI:5 “DNA-onderzoek naar aanleiding van een melding van een zedenmisdrijf gepleegd in [plaats] op 25 september 2024” van 18 februari 2025 opgesteld door Ing. H.M. van Beerendonk, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:
2. Ontvangen materiaal
Onderstaand materiaal is ontvangen van de politie.
|
SIN |
Omschrijving |
Uit aanvraag |
|
AASF3160NL |
string |
001 |
|
Toelichting: Omschrijvingen zijn overgenomen uit de aanvraag onderzoek van de politie. |
3 Onderzoek naar biologische sporen
AASF3160NL string afkomstig van betrokkene [slachtoffer] . De string is door de forensische opsporing eerder onderzocht waarbij twee gebieden aan de voor-/ buitenzijde van de string roze zijn gemarkeerd (zie foto).
De gemarkeerde gebieden zijn met de indicatieve zure fosfatasetest onderzocht op de aanwezigheid van sperma(vloeistof). Hierbij is een positief testresultaat verkregen. Op grond hiervan zijn de twee sporen uitgeknipt en als respectievelijk AASF3160NL#01 en #02 veiliggesteld voor een nader onderzoek naar de aanwezigheid van sperma(vloeistof) en voor een DNA-onderzoek. De resultaten van dit onderzoek staan vermeld in hoofdstuk 'Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek'. Het overige deel van de buitenzijde van de string en de gehele binnenzijde van de string zijn vooralsnog niet onderzocht.
4 DNA-onderzoek
Onderstaande bemonsteringen zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek.
|
SIN |
Omschrijving bemonstering |
|
AASF3160NL#01 |
spoor links boven het kruis |
|
AASF3160NL#02 |
spoor links nabij de linker beenopening 6 |
Een deskundigenrapport van het NFI:7 “DNA-onderzoek naar aanleiding van een melding van een zedenmisdrijf gepleegd in [plaats] op 25 september 2024” van 27 februari 2026 opgesteld door Ing. H.M. van Beerendonk, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, voor zover inhoudende als verklaring van voornoemde deskundige:
2 DNA-onderzoek
Onderstaand referentiemateriaal is ontvangen van de politie en onderworpen aan een DNA-onderzoek.
|
SIN |
Omschrijving |
Geboortedatum |
|
WAIZ5948NL |
referentiemonster wangslijmvlies van verdachte [verdachte] |
[1981] |
4 bij het onderzoek betrokken personen
In onderstaande tabel staat van wie het DNA-profiel is betrokken bij het onderzoek binnen deze zaak.
|
SIN |
Naam |
SKN |
Geboortedatum |
|
WAIZ5948NL |
verdachte [verdachte] (zie toelichting) |
[SKN nummer] |
[1981] |
|
WAJZ1743NL |
slachtoffer [slachtoffer] |
- |
[2009] |
|
Toelichting: Het DNA-profiel van verdachte [verdachte] komt overeen met het (afgeleide) DNA-profiel van bemonstering AASF3160NL#01 (in aanvraag 001 van deze zaak gekoppeld aan onbekende man A). 8 |
5 Resultaten, interpretatie en conclusie van het onderzoek
String AASF3160NL
|
AASF3160NL#01 spoor links boven het kruis |
DNA kan afkomstig zijn van: minimaal twee personen: - slachtoffer [slachtoffer] - verdachte [verdachte] (sperma) Getest op type celmateriaal: - spermavloeistof - spermacellen |
Bewijskracht: - niet berekend - meer dan 1 miljard Testresultaat - positief - waargenomen |
|
Gecombineerde conclusie type en herkomst celmateriaal Op basis van de resultaten van het onderzoek naar de aanwezigheid van sperma en het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat deze bemonstering sperma bevat dat afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte] . |
||
|
AASF3160NL#02 spoor links nabij de linker beenopening |
DNA kan afkomstig zijn van: minimaal twee personen: - slachtoffer [slachtoffer] - verdachte [verdachte] (sperma) Getest op type celmateriaal: - spermavloeistof - spermacellen |
Bewijskracht: - niet berekend - meer dan 1 miljard Testresultaat - positief - waargenomen |
|
Gecombineerde conclusie type en herkomst celmateriaal Op basis van de resultaten van het onderzoek naar de aanwezigheid van sperma en het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat deze bemonstering sperma bevat dat afkomstig kan zijn van verdachte [verdachte] . 9 |
6 Bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek
Voor onderstaande bemonsteringen is de bewijskracht berekend (zie ook 'Aandachtspunt bij de bewijskracht van het vergelijkend DNA-onderzoek'). De bewijskracht is berekend met DNAStatistX.
AASF3160NL#01 (scoor links boven het kruis)
AASF3160NL#02 (scoor links nabij de linker beenopeninq)
Voor deze bemonsteringen is de bewijskracht ten aanzien van verdachte [verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonsteringen DNA bevatten van twee personen en dat een deel van dit DNA afkomstig is van sperma. Tevens is
aangenomen dat (een deel van) het overige DNA afkomstig is van slachtoffer [slachtoffer] .
DNA-mengprofielen AASF3160NL#01 en AASF3160NL#02 zijn elk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering sperma bevat van verdachte [verdachte] en celmateriaal bevat van slachtoffer [slachtoffer] , dan wanneer
de bemonstering sperma bevat van een willekeurige onbekende persoon en celmateriaal bevat van slachtoffer [slachtoffer] . 10
Feit 3
-
de bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 18 september 2026;
-
het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte11 door [verbalisant 1] van 15 oktober 2024, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen12 van verbalisant [verbalisant 2] van 26 november 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland.