RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/6155
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit Zandvoort, verzoekers
(gemachtigde: mr. M.J. de Buck-Hartman),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort
(gemachtigde: mr. M.E. Kapel).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekers om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekers hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op hun bezwaar tegen het besluit van 23 juni 2025. Bij dat besluit heeft college een omgevingsvergunning verleend voor het verduurzamen van de daken van 91 woningen. Verzoekers hebben het beroep ingetrokken nadat het college bij zijn beslissing op bezwaar van 14 april 2026 het besluit van 23 juni 2025 heeft herroepen wat betreft de gewijzigde tekening, het besluit voor het overige in stand heeft gelaten en aan verzoekers een vergoeding voor de proceskosten in bezwaar en een dwangsom wegens niet tijdig beslissen heeft toegekend.
De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat het college zich op het standpunt stelt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit te vroeg is ingediend en dat het verzoek om proceskostenveroordeling daarom moet worden afgewezen.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.1
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.2
Hebben verzoekers recht op een vergoeding van de proceskosten?
4. De rechtbank overweegt als volgt. Met het alsnog nemen van een besluit is het college aan verzoekers tegemoetgekomen. Dat is echter niet voldoende voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarvoor moet ook zijn voldaan aan de voorwaarden voor het instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Als niet is voldaan aan deze voorwaarden, bestaat geen recht op een vergoeding van de proceskosten.3
Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van verzoekers tegen het niet tijdig beslissen op hun bezwaar prematuur is ingediend en daarom niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Verzoekers hebben het college op 15 december 2025 met een aangetekende e-mail in gebreke gesteld. Volgens het college is de elektronische weg uitsluitend via Zivver en niet met een aangetekende e-mail opengesteld. De aangetekende mail is daarom geweigerd op grond van artikel 2:15 van de Awb. De in de mail aangekondigde schriftelijke ingebrekestelling is op 23 december 2025 ontvangen. Op 30 december 2025 hebben verzoekers beroep tegen het niet tijdig beslissen ingesteld. Volgens het college is daarom niet voldaan aan de op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb geldende eis dat twee weken zijn verstreken na de dag waarop verzoekers het college schriftelijk hebben meegedeeld dat het in gebreke is.
Verzoekers stellen dat op de gemeentelijke website staat dat de elektronische weg is opengesteld. Als andere vormen van beveiligde e-mails dan Zivver niet zijn opengesteld, dan is dat in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en de jurisprudentie. Verzoekers stellen voorts dat zij eerder in deze procedure hun bezwaarschrift via aangetekende mail hebben ingediend. Als deze weg niet was opengesteld, dan zou het college verzoekers daarvan op de hoogte moeten hebben stellen en hun een herstelmogelijkheid moeten hebben bieden. Dat is niet gebeurd, want het college heeft verzoekers een ontvangstbevestiging toegezonden. Uit het logboek blijkt volgens verzoekers dat het college de aangetekende mail op 15 december 2025 heeft ontvangen. Daarmee is het beroep tegen het niet tijdig beslissen op 30 december 2025 niet voorbarig ingesteld.
In 2025 was in artikel 2:15, eerste lid, van de Awb bepaald dat een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan kan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Daarnaast was bepaald dat het bestuursorgaan nadere eisen kan stellen aan het gebruik van de elektronische weg. Vergelijkbare bepalingen zijn thans opgenomen in artikel 2:13 van de Awb.
Uit het door verzoekers overgelegde afschrift van de website van de gemeente Zandvoort volgt dat als gemachtigde voor een ander bezwaar kan worden gemaakt door via het beveiligde mailsysteem Zivver een e-mail te sturen naar juridischezaken@haarlem.nl. Gelet op het standpunt van het college, gaat de rechtbank ervan uit dat op 15 december 2025 voor ingebrekestellingen dezelfde mogelijkheid van elektronische indiening bestond. Dit sluit bovendien aan bij het sinds 1 januari 2026 geldende Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen publieke dienstverlening Zandvoort 2026.
De rechtbank volgt het college niet in zijn standpunt dat het de ingebrekestelling heeft mogen weigeren op grond van artikel 2:15 van de Awb. Uit de website van de gemeente Zandvoort begrijpt de rechtbank dat de reden waarom het college toezending via Zivver vereist, is gelegen in veiligheid: met Zivver worden vertrouwelijke gegevens en documenten beschermd. Hoewel de rechtbank geen reden heeft om daaraan te twijfelen, heeft het college niet gesteld dat Zivver daarin wezenlijk verschilt van aangetekend mailen. Ook is van belang dat verzoekers onweersproken hebben gesteld dat het college hun per aangetekende mail verzonden bezwaarschrift heeft geaccepteerd. Daarnaast moet in aanmerking worden genomen dat de ingebrekestelling per aangetekende mail is verzonden aan en ontvangen op het door het college aangegeven adres, juridischezaken@haarlem.nl. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien wat het alsnog verzenden van de ingebrekestelling via Zivver had kunnen bijdragen aan een veilige en efficiënte behandeling.4
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de ingebrekestelling van 15 december 2025 per aangetekend mailen geldig is. Dit betekent dat op 16 december 2025 de termijn van twee weken als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is aangevangen. De laatste dag van deze termijn was op 29 december 2025. Dit betekent dat het beroep van 30 december 2025 wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift niet te vroeg is ingediend. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding daarom als kennelijk gegrond toe.
5. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,‑ en een wegingsfactor van 0,5 wegens het lichte gewicht van de zaak5).
6. De rechtbank wijst erop dat het college op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. I.W. Neleman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2026.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het
verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.