ECLI:NL:RBNHO:2026:13741

Datum uitspraak
19-10-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Zaaknummer
AWB 26/3301
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

HZK PKV 0,5 na BNT

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/3301

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. S. Ouald Chaib),

en

Dienst Toeslagen, verweerder.

Procesverloop

Verzoekster heeft op 25 juni 2026 beroep ingesteld in verband met het niet tijdig nemen van een beslissing op haar aanvraag van 10 februari 2026 om de regeling voor huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget (hierna: HZK-regeling) toe te passen.

Blijkens het op 15 juli 2026 door de rechtbank ontvangen verweerschrift heeft verweerder reeds bij definitieve beschikking van 17 juli 2026 beslist op de aanvraag van verzoekster.

Verzoekster heeft het beroep bij brief van 21 juli 2026 ingetrokken. Tegelijk met de intrekking van het beroep heeft verzoekster verzocht om verweerder ingevolge artikel 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure bij de rechtbank.

De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek.

Verweerder heeft bij brief van 5 augustus 2026 op het verzoek gereageerd.

Gemachtigde heeft bij brief van 25 augustus 2026 reactie gegeven op het ingezonden stuk van verweerder.

Nadat partijen zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord en niet hebben verklaard gebruik te willen maken van dat recht, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. De rechtbank doet uitspraak met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de kosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). In het Besluit zijn nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

2. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen, kan ingevolge artikel 8:75a Awb het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld. Het verzoek wordt gedaan tegelijk met de intrekking van het beroep.

3. Verweerder stelt dat verzoekster niet voor vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in aanmerking komt aangezien verweerder bij brief van 30 maart 2026 binnen de in artikel 4:14, derde lid, van de Awb bedoelde termijn verzoekster heeft meegedeeld dat de behandeling van de aanvraag naar verwachting twaalf maanden zou vergen. Verweerder diende daarom uiterlijk vóór 10 februari 2027 op de aanvraag te beslissen en stelt zich op het standpunt dat de op 18 juni 2026 ontvangen ingebrekestelling prematuur is.

4. Verzoekster voert aan dat een dergelijke eenzijdige administratieve mededeling echter geen wettelijke beslistermijn in de zin van artikel 4:13 van de Awb schept. Tevens voert verzoekster aan dat artikel 6:2 van de Wet op de huurtoeslag (Wht) noch enige andere bepaling uit het zesde hoofdstuk van de Wht een verwijzing naar de HZK-regeling bedoeld in de artikelen 2:16 tot en met 2:19 van de Wht bevat. En dat bij gebreke van een bij wettelijk voorschrift bepaalde afwijkende termijn voor HZK-aanvragen op grond van de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb dan ook onverkort een standaardtermijn van acht weken geldt.

5. De rechtbank overweegt het volgende. In de wet is geen termijn opgenomen waarbinnen verweerder op deze aanvraag moet beslissen (Kamerstukken II 2025/26, 36 779, nr. 7, p. 8). Uit de artikelen 4:13 en 4:14 van de Awb volgt dat in dat geval binnen een redelijke termijn moet worden beslist, en dat die redelijke termijn in elk geval is verstreken wanneer binnen acht weken geen beslissing is genomen. Verweerder had dus uiterlijk op 7 april 2026 moeten beslissen. De mededeling van verweerder ingevolge artikel 4:14, derde lid, van de Awb dat de behandeling van de aanvraag naar verwachting twaalf maanden zou vergen, doet hier niet aan af. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft aangevoerd dat deze termijn noodzakelijk is om de heringerichte processen zorgvuldig te doorlopen, de grote hoeveelheid individuele beoordelingen van zelfmelders naar behoren uit te voeren en rechtsgelijkheid met de overige regelingen binnen de Wht te waarborgen. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Uit hetgeen verweerder heeft aangevoerd – zowel afzonderlijk als in onderling verband beschouwd – volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat deze omstandigheden een langere dan de standaard beslistermijn rechtvaardigen. Dat het zorgvuldig doorlopen van de heringerichte processen waar verweerder naar verwijst leidt tot een – zeer lange – behandelingsduur van de aanvragen volgt nergens uit. Dat het aantal zelfmelders sinds de inwerkingtreding van de Wht – dat wil zeggen over een periode van bijna vier jaar –is gestegen van circa 6.000 naar circa 10.000 zelfmelders, acht de rechtbank zowel absoluut als relatief niet een zeer grote toename die de noodzaak van een lange(re) beslistermijn rechtvaardigt. Voor het risico van rechtsongelijkheid met de overige regelingen binnen de Wht, wat verweerder hiermee ook moge bedoelen, ziet de rechtbank in hetgeen is aangevoerd geen enkel aanknopingspunt. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat ook in dit geval verweerder uiterlijk binnen acht weken een beslissing had moeten nemen op belanghebbendes aanvraag. Verweerder heeft dus niet binnen een redelijke termijn een beslissing genomen.

6. Omdat verzoekster ten tijde van het instellen van het beroep wegens niet tijdig beslissen wel belang had bij dat rechtsmiddel en omdat het beroep voldeed aan de overige ontvankelijkheidseisen van artikel 6:12 van de Awb, zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht van € 54 vergoedt.

7. Om diezelfde reden ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Besluit vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 0,5).

BeslissingDe rechtbank:

- veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten van € 467;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 54 aan verzoekster te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, rechter, in aanwezigheid van Z.G. Ramsaroep, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »