RECHTBANK GELDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1139
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 oktober 2026
in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker,
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rheden, de heffingsambtenaar.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om een veroordeling van de heffingsambtenaar in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat de heffingsambtenaar op 12 maart 2025 alsnog uitspraak op bezwaar heeft gedaan.
De rechtbank heeft de heffingsambtenaar in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De heffingsambtenaar heeft de rechtbank meegedeeld dat verzoeker volgens hem geen recht heeft op een vergoeding van de proceskosten, omdat het bezwaar ongegrond is verklaard. Bovendien is volgens hem geen sprake van in redelijkheid gemaakte kosten, omdat er al een afspraak voor een hoorgesprek was gemaakt.
Met instemming van partijen doet de rechtbank zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling door de rechtbank
1. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.1
Is de heffingsambtenaar aan verzoeker tegemoetgekomen?
3. De rechtbank moet dus beoordelen of de heffingsambtenaar geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4. Op 6 maart 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. De heffingsambtenaar heeft op 12 maart 2025 uitspraak op bezwaar gedaan. Het bezwaar is inhoudelijk ongegrond verklaard. Met het doen van de uitspraak op bezwaar is de heffingsambtenaar tegemoetgekomen aan het beroep gericht tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar.2
Welk bedrag aan proceskosten moet de heffingsambtenaar aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af, omdat de kosten niet in redelijkheid zijn gemaakt. Zij overweegt daartoe als volgt. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag gemeentelijke belastingen en de WOZ-beschikking van 24 februari 2024. In het bezwaarschrift is verzocht om te worden gehoord. Verzoeker heeft de heffingsambtenaar op 18 februari 2025 in gebreke gesteld. De twee-wekentermijn om uitspraak te doen liep af op 4 maart 2025. Naar aanleiding van de ingebrekestelling heeft de heffingsambtenaar op 19 februari 2025 contact opgenomen met de gemachtigde met de mededeling dat nog gehoord moest worden en met het verzoek dit zo snel mogelijk te doen. De gemachtigde heeft daarbij aangegeven dat hij niet eerder dan 7 maart 2025 een mogelijkheid had om gehoord te worden. Het hoorgesprek is vervolgens gepland op 7 maart 2025 om 10.00 uur. De heffingsambtenaar heeft hiervan per e-mail een bevestiging verzonden aan de gemachtigde. Desondanks heeft gemachtigde op 6 maart 2025 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. Dit was weliswaar toegestaan gelet op de tekst van artikel 6:12 van de Awb, maar het past niet bij de situatie, waarin gemachtigde zelf niet eerder kon worden gehoord dan 7 maart en de heffingsambtenaar zich daaraan heeft aangepast. In deze situatie was het instellen van beroep op 6 maart te vroeg en onnodig, waardoor de kosten hiervoor niet in redelijkheid zijn gemaakt.3
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat de heffingsambtenaar verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 53 te vergoeden omdat wel tegemoet is gekomen aan het beroep door uitspraak op bezwaar te doen.4Verzoeker kan zich hiervoor tot de heffingsambtenaar wenden.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om een proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier.
Uitgesproken op 7 oktober 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
|
griffier |
rechter |
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.