RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2473
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 augustus 2026 in de zaak tussen
Capgemini Nederland B.V., te Utrecht, verzoekster
(gemachtigde: H. Drenth),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het UWV), verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.
Overwegingen
1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Het UWV heeft op 23 juli 2025 een besluit genomen in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Het UWV heeft in dit besluit een WIA-uitkering (WGA) toegekend aan de (ex-)werknemer van verzoekster. Verzoekster is hiertegen in bezwaar gegaan. Het UWV heeft op 3 maart 2026 een beslissing op bezwaar genomen. In de beslissing op bezwaar heeft het UWV het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 22 april 2026 heeft het UWV de beslissing op bezwaar van 3 maart 2026 vervangen door een gewijzigde beslissing op bezwaar. Het UWV heeft in de gewijzigde beslissing op bezwaar het bezwaar alsnog gegrond verklaard en geoordeeld dat (ex-)werknemer per 21 april 2025 recht heeft op een IVA-uitkering, omdat (ex-)werknemer volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Het UWV heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. De rechtbank kan een partij de proceskosten van de tegenpartij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
4. Het UWV heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoekster. De rechtbank leidt hier uit af dat het UWV er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoekster te vergoeden.
5. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die het UWV moet betalen vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).
6. Het UWV moet ook het griffierecht van € 397,- aan verzoekster betalen (artikel 8:41 Awb).
Beslissing
De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 934,- aan proceskosten. Het UWV moet dit bedrag betalen aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.