RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 26/4048 (beroep) en HAA 46/4049 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit Landsmeer, eiser
(gemachtigde: mr. K. Cras),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. I.M. Touwen).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak beslist hij ook op het beroep van eiser.1
De staatssecretaris heeft bij besluit van 22 december 2025 de aanvraag van eiser om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
In het bestreden besluit van 4 augustus 2026 heeft de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiser heeft hiertegen beroep ingediend en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De staatssecretaris heeft op het verzoek en het beroep gereageerd met een verweerschrift. De staatssecretaris en eiser hebben daarna nog stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat de zaak over?
2. Eiser heeft op 7 november 2025 een aanvraag ingediend voor een VOG, omdat hij als taxichauffeur aan de slag wil gaan.
3. De staatssecretaris beoordeelt een aanvraag voor een VOG aan de hand van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025. Daarin staat dat wordt getoetst aan het objectieve en het subjectieve criterium. De staatssecretaris maakt daarbij gebruik van screeningsprofielen waarin specifieke risico’s worden benoemd per screeningsprofiel. Voor eiser geldt het screeningsprofiel ‘Taxibranche; chauffeurskaart’.
4. Het objectieve criterium houdt in dat de staatssecretaris een VOG weigert als er binnen de terugkijktermijn justitiële gegevens over de aanvrager zijn aangetroffen, die – als ze worden herhaald – een risico vormen voor de functie waarvoor de VOG is aangevraagd. In de taxibranche geldt een (langere) terugkijktermijn van vijf jaar.
5. Op 16 januari 2025 is eiser in aanraking gekomen met politie/justitie wegens het overtreden van de maximumsnelheid. Hij is wegens dit feit door de kantonrechter van de rechtbank Noord-Nederland op 26 september 2025 veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,- en een voorwaardelijke rijontzegging van drie maanden met een proeftijd van twee jaar, met verlenging van een eerder opgelegde proeftijd met een jaar. Eiser is op 9 oktober 2024 veroordeeld wegens het (op 24 oktober 2023) overschrijden van de maximumsnelheid tot een geldboete van € 750,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor vijf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan eiser is op 1 mei 2024 bij strafbeschikking een geldboete van € 280,- opgelegd wegens het (op 4 maart 2024) overschrijden van de maximumsnelheid. Eiser is op 31 mei 2022 veroordeeld wegens het (op 1 januari 2021) overschrijden van de maximumsnelheid tot een geldboete van € 580,- en een voorwaardelijke rijontzegging voor vier maanden met een proeftijd van twee jaar
6. Dat (op grond van deze feiten) voldaan is aan het objectieve criterium is tussen partijen niet in geschil.
7. De staatssecretaris kan op grond van paragraaf 3.1.4 van de beleidsregels, ondanks dat voldaan is aan het objectieve criterium, overgaan tot verstrekking van de VOG als het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving (het subjectieve criterium). De vraag die de voorzieningenrechter moet beantwoorden is of de staatssecretaris het belang van eiser in dit geval zwaarder had moeten laten wegen.
Bespreking van de beroepsgronden
De gronden die eiser heeft aangevoerd zijn grotendeels een herhaling van de gronden die hij bij een eerdere aanvraag en procedure bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank2 en de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State3 ook heeft aangevoerd in het kader van het subjectieve criterium. In die procedure is de afwijzing van de eerdere aanvraag in stand gebleven. Volgens eiser moet – kort samengevat – de belangenafweging bij de nieuwe aanvraag in zijn voordeel uitvallen nu er wéér een periode overheen is gegaan en eiser geen nieuwe strafbare feiten heeft begaan.
Eiser heeft in het kader van het subjectieve criterium aangevoerd dat een aantal van de verkeersovertredingen niet door hem zijn begaan, maar door chauffeurs die destijds voor hem reden. Indien eiser zich bewust was geweest van de enorme consequenties die dat meebrengt, had hij jaren eerder anders gehandeld. Sinds de laatste aanvraag heeft eiser (nog meer) persoonlijke ontwikkelingen gemaakt die positief zijn, en kunnen en moeten bijdragen aan het verlenen van een VOG nu het risico op recidive beperkt is. Zo heeft eiser ter zitting toegelicht dat waar hij vroeger altijd haast had, hij zich inmiddels ervan bewust is dat als hij te laat is dat dan maar zo is en hij niet (meer) harder rijdt dan is toegestaan. Eiser is bewuster en nog voorzichter gaan rijden. Bovendien is er inmiddels al ruim anderhalf jaar verstreken sinds hij met politie en justitie in aanraking is gekomen en is het een jaar nadat hij hiervoor is veroordeeld, zonder opnieuw de fout in te gaan. Ook heeft eiser – uit eigen beweging en met succes – een educatieve cursus verantwoord rijgedrag in het verkeer gevolgd. Waar de staatssecretaris de proeftijd waarin eiser zich bevindt als iets negatiefs ziet, is dit volgens eiser juist een extra prikkel voor hem niet (opnieuw) de fout in te gaan. Eiser ondervindt grote gevolgen van het feit dat hij geen VOG kan krijgen. Door de staatssecretaris is onvoldoende gemotiveerd hoe de persoonlijke belangen van eiser zijn meegewogen. Die belangen zijn groot. Eiser krijgt geen inkomsten vanuit zijn bedrijf, heeft veel moeten investeren in zijn eigen bedrijf en faillissement dreigt bij het uitblijven van een VOG. Eiser heeft aantoonbaar geprobeerd zijn situatie te verbeteren en inkomsten te genereren, helaas zonder succes. Hoewel eiser volop solliciteert komt hij nergens aan de
slag. Gelet op de werkervaring en achtergrond van eiser kan hij niet anders dan in de transportsector werken. Zijn gehele loopbaan is gericht op het uitvoeren van werkzaamheden binnen het ‘rijdend vervoer’. Daar krijgt hij nu juist geen VOG voor. Zonder VOG dreigt hij alles wat hij heeft opgebouwd te verliezen. Eiser is verantwoordelijk voor een gezin met twee minderjarige kinderen. Tot slot heeft eiser ook medische problemen, waardoor bepaalde banen voor hem simpelweg niet geschikt zijn. Eiser meent dat zijn persoonlijke belangen zwaarwegend genoeg zijn, het risico voor de samenleving gelet op genoemde omstandigheden onder het subjectieve criterium in voldoende mate is afgenomen en zijn belang derhalve dient te prevaleren.
De staatssecretaris stelt dat eiser (nog steeds) te kort geleden met justitie in aanraking gekomen is voor het plegen van een verkeersdelict hetgeen absoluut onverenigbaar is met het doel waarvoor de VOG is aangevraagd. De staatssecretaris heeft verder betrokken dat eiser voor het plegen van meerdere strafbare feiten binnen en buiten de terugkijktermijn is veroordeeld en dat er sprake is van recidive. Hierdoor schat de staatssecretaris de kans dat eiser opnieuw de fout in gaat als ‘groter’ in. De staatssecretaris heeft zwaar laten meewegen dat eiser tijdens een eerdere proeftijd (die met de veroordeling van 31 mei 2022 is opgelegd) twee verkeersdelicten heeft gepleegd. Ook deze omstandigheid maakt dat de staatssecretaris de kans hoger inschat dat eiser weer gedrag laat zien dat niet past bij de functie van taxichauffeur. Voorts heeft de staatssecretaris meegewogen dat het niet om lichte strafbare feiten gaat. In het justitieel documentatiesysteem (JDS) worden pas snelheidsovertredingen opgenomen als er meer dan dertig kilometer per uur te hard wordt gereden. De verkeersfeiten die eiser heeft gepleegd, betreffen dus forse overschrijdingen. Eiser heeft hier ook forse straffen voor opgelegd gekregen in de vorm van hoge boetes en lange periodes van ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen met een aantal keren ook een lange proeftijd. De staatssecretaris merkt op dat hoewel eiser er baat bij heeft om zijn baan als taxichauffeur te behouden, omdat hij voor zijn inkomsten en bedrijfsvoering van dit werk afhankelijk is en zijn gehele loopbaan hierop is ingericht, dat niet maakt dat de belangenafweging in zijn voordeel uit moet vallen. Ook zou volgens eiser vanwege zijn medische problemen een groot aantal banen niet kunnen worden uitgevoerd. De staatssecretaris merkt op dat eiser mogelijk voor een andere functie wel een VOG kan krijgen. Bovendien zijn er banen waarvoor geen VOG, diploma of werkervaring noodzakelijk is. Het is niet zo dat eiser nooit de aangevraagde VOG zal verkrijgen. Als eiser op deze manier doorgaat en zich onthoudt van het plegen van strafbare feiten, zal het tijdsverloop op een gegeven moment in zijn voordeel en als doorslaggevende factor kunnen meewegen.
9. De voorzieningenrechter overweegt dat de staatssecretaris in het kader van de afgifte van een VOG beslissingsruimte heeft. Dat betekent dat beoordeeld moet worden of de staatssecretaris in redelijkheid het belang van de bescherming van de samenleving zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van eiser.
10. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd dat de aangevraagde VOG niet op grond van het subjectieve criterium moet worden afgegeven. De staatssecretaris heeft bij de beoordeling van de afgifte van de VOG inzichtelijk eisers persoonlijke omstandigheden en alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging betrokken.
De persoonlijke ontwikkeling die eiser heeft aangevoerd is weliswaar positief, maar van eiser mag worden gevraagd dat hij over een langere periode laat zien dat hij geen strafbare feiten pleegt. Er is namelijk nog steeds sprake van een beperkt tijdsverloop. Op het moment van de beslissing op bezwaar, 4 augustus 2026, was de laatste veroordeling, 26 september 2025, vrij recent en in ieder geval ruim binnen de terugkijktermijn van vijf jaar.
Anders dan eiser betoogt, heeft de staatssecretaris zich op het standpunt mogen stellen dat de kans op recidive aanwezig is, omdat op naam van eiser meerdere justitiële gegevens binnen de terugkijktermijn zijn aangetroffen. Bovendien heeft eiser ook buiten de terugkijktermijn justitiële gegevens op zijn naam staan, waaronder een verkeersovertreding. De staatssecretaris heeft tevens mee mogen nemen dat er nog een proeftijd loopt. In het verleden heeft eiser meermalen tijdens een proeftijd een strafbaar feit gepleegd. Anders dan eiser ter zitting heeft gesteld, is de proeftijd in dat kader dus niet zonder meer ‘een stok achter de deur’. Ten aanzien van de grond dat eiser niet zelf alle overtredingen zou hebben begaan merkt de voorzieningenrechter op dat uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling blijkt dat is vast komen te staan dat eiser in ieder geval de zwaarste overtredingen in het JDS zelf heeft begaan. Het gaat daarbij om hoge boetes en ontzeggingen van de rijbevoegdheid voor verkeersdelicten. Daarbij heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling overwogen dat als de staatssecretaris de enige bij strafbeschikking opgelegde boete – dat is de boete van 1 mei 2024 ten bedrage van € 280 – niet had mogen meerekenen, wat daarvan verder ook zij, dit niet tot een andere uitkomst had hoeven leiden.
Eiser heeft herhaaldelijk en recentelijk delicten gepleegd die bij uitstek niet verenigbaar zijn met de functie van taxichauffeur. Als taxichauffeur is eiser verantwoordelijk voor de veiligheid van zijn klanten en moet hij ook rekening houden met de veiligheid van medeweggebruikers. Hoewel de voorzieningenrechter inziet dat eiser (financiële) belangen heeft bij de afgifte van de VOG, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft kunnen beslissen zoals de staatssecretaris heeft gedaan en de bescherming van de samenleving ten tijde van het bestreden besluit belangrijker heeft kunnen vinden dan de persoonlijke situatie van eiser.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de VOG-aanvraag heeft mogen afwijzen. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Aangezien eiser geen gelijk krijgt, krijgt hij het griffierecht niet terug en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.
|
griffier |
voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.