ECLI:NL:RBNHO:2026:13567

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Goederenrecht
Zaaknummer
C/15/371017
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

artt. 5:1, 5:54, 3:105, 3:13 BW, Partijen zijn buren van elkaar. In 2024 hebben {gedaagden} in hun achtertuin een uitbouw en een bijgebouw laten plaatsen. {eisers} zeggen dat deze deels op hun grond staan en vorderen dat {gedaagden} de overbouw ongedaan maken. {gedaagden} voeren onder meer aan dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van de door {eisers} bedoelde strook grond, zodat er geen overbouw is. Zij stellen ook tegenvorderingen in. Zij willen dat {eisers} schuttingdelen terugplaatsen. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat er wel sprake is van overbouw vorderen zij {eisers} te veroordelen mee te werken aan legalisering daarvan. De rechtbank oordeelt dat {gedaagden} de uitbouw en het bijgebouw moeten verwijderen voor zover deze op het kadastrale perceel van Meijer c.s. staan. De rechtbank wijst de vorderingen van {gedaagden} af.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: C/15/371017 / HA ZA 25-697

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

1 [eiser 1],

te [plaats],2. [eiser 2],

te [plaats],

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [eisers] en afzonderlijk: [eiser 1] en [eiser 2],

advocaat: mr. M.P. Harten,

tegen

1 [gedaagde 1],

te [plaats],2. [gedaagde 2],

te [plaats],

gedaagde partijen in conventie,

eisende partijen in reconventie

hierna samen te noemen: [gedaagden] en afzonderlijk: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],

advocaat: mr. M.A. Lasschuit.

De zaak in het kort

Partijen zijn buren van elkaar. In 2024 hebben [gedaagden] in hun achtertuin een uitbouw en een bijgebouw laten plaatsen. [eisers] zeggen dat deze deels op hun grond staan en vorderen dat [gedaagden] de overbouw ongedaan maken. [gedaagden] voeren onder meer aan dat zij door verjaring eigenaar zijn geworden van de door [eisers] bedoelde strook grond, zodat er geen overbouw is. Zij stellen ook tegenvorderingen in. Zij willen dat [eisers] schuttingdelen terugplaatsen. Voor het geval de rechtbank oordeelt dat er wel sprake is van overbouw vorderen zij [eisers] te veroordelen mee te werken aan legalisering daarvan.

De rechtbank oordeelt dat [gedaagden] de uitbouw en het bijgebouw moeten verwijderen voor zover deze op het kadastrale perceel van [eisers] staan. De rechtbank wijst de vorderingen van [gedaagden] af.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 mei 2026 en de daarin genoemde stukken

- de akte (voorwaardelijke) vermeerdering van eis in reconventie en overlegging producties van [gedaagden] met producties 8 tot en met 12

- het proces-verbaal van plaatsopneming en bezichtiging van 30 juni 2026

- de mondelinge behandeling van 30 juni 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Aan de zijde van [gedaagden] was een tolk aanwezig.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] en [gedaagden] zijn buren van elkaar. [eisers] zijn sinds 2003 eigenaar van de woning met tuin gelegen aan de [straat] [nummer 1] te [plaats] (kadastrale aanduiding [plaats] [kadaster nummer 1]). [gedaagden] zijn sinds september 2021 eigenaar van de woning met tuin gelegen aan de [straat] [nummer 2] (kadastrale aanduiding [plaats] [kadaster nummer 2]).

2.2.

Het gaat om twee tussenwoningen in een rij woningen. De achtertuinen van de woningen grenzen over de volledige lengte aan elkaar en worden feitelijk gescheiden door een houten schutting bestaande uit palen met aan weerszijden houten planken. De schutting was ter hoogte van het achterraam van de woning van [eisers] aan de achtergevel bevestigd.

2.3.

Op 16 april 2024 heeft [gedaagde 1] [eisers] per WhatsApp bericht dat hij van plan was aan de achterzijde van zijn woning een uitbouw te realiseren van ongeveer 2,50 meter diep.

2.4.

Dezelfde dag heeft [eiser 2] als volgt op het WhatsAppbericht gereageerd:

Bedankt voor je bericht graag zie ik de plannen zodat ik kan zien wat de plannen zijn het gaat namelijk wel mijn uitzicht kwijtraken (…)

2.5.

[eiser 2] heeft [gedaagde 1] op 17 april 2024 onder meer geschreven:

Je kan bouwen tot je regenpijp dat is de grenslijn mijn schutting blijft gewoon staan laten we even samen de plannen bekijken was net aan je deur maar je was niet thuis

2.6.

Op 15 mei 2024 heeft [eiser 2] [gedaagde 1] geschreven:

Hi buurman ik heb onderlegd met mijn man - > de palen/ schutting moeten blijven staan. De schutting staat op mijn gedeelte en dat houden wij zo. Succes met de verbouwing. Op de foto zie je de erfgrens zie blauwe lijn . Jullie kunnen er prima er is ruimte

(De foto bij het WhatsApp-bericht van [eiser 2] van 15 mei 2024 met de door [eiser 2] aangebrachte rode en blauwe lijn. Rechts van de blauwe lijn is de schutting zichtbaar, boven de blauwe lijn is een deel van de in 2.5 door [eiser 2] bedoelde regenpijp zichtbaar)

2.7.

In mei 2024 zijn [gedaagden] gestart met de realisatie van de uitbouw.

2.8.

Op 8 juni 2024 heeft [gedaagde 1] [eiser 2] onder meer geschreven:

Goedendag

ik heb geprobeerd u te bellen, maar dat is niet gelukt

Vandaag zullen onze werknemers aan de andere kant van de muur [de zijgevel van de uitbouw, rb.] werken totdat de muur er in uw ogen mooier en acceptabeler uitziet. Als ze daarin slagen, zullen ze het hout van de muur verwijderen en na voltooiing van het werk zullen ze het installeren. opnieuw, zoals in het verleden.

In de nabije toekomst ben ik van plan een nieuwe mooie muur te bouwen waar beide partijen van zullen genieten.

2.9.

[eiser 2] heeft daarop geschreven:

We houden al het hout graag beiden kanten hout graag in onze tuin laten ook wat jullie van schutting heb afgehaald bedankt voor je bericht en wij gaan even kijken hoe de muur er uit komt te zien nogmaals bedankt buurman

De palen gaan weg alleen heb ik elektrische tijd op 1 vd planken moet daar een Oplossing voor zoeken we spreken elkaar wanneer je thuis bent wel even

2.10.

Ook in 2024 hebben [gedaagden] aan de achterzijde van hun achtertuin over de volle breedte een bijgebouw laten bouwen. Tijdens de bouw daarvan is er tussen [eiser 2] en (de medewerkers van de aannemer van) en [gedaagde 1] contact geweest over de loop van de erfgrens.

2.11.

Op 23 november 2024 heeft [eiser 2] aan [gedaagden] een foto gestuurd van de achtergevel van hun woningen ter hoogte van de uitbouw van [gedaagden] en een foto van het in aanbouw zijnde bijgebouw bij de schutting tussen de percelen. [eiser 2] heeft op beide foto’s een rode lijn aangebracht. [eiser 2] schrijft vervolgens:

Beste buurman, buurvrouw en dochter,

Helaas is er wat verwarring waar nu de kadastrale grenslijn tussen onze percelen is en bij wie welk stuk grond hoort. Ik heb het een en ander uitgezocht en zie dat je schuur toch helaas op mijn grond staat. Zie hiervoor bijgaande foto. Dat hoort helaas niet.

Op dit moment vraag ik jullie te kijken naar de rode lijn de grenslijn.

Op grenslijn kan geen schutting komen als beide buren niet instemmen.

Als wij niet instemmen voor 1 gezamenlijke schutting ( daar ben ik bereid om over te praten) dan moeten wij beide een eigen schutting plaatsen, maar dan wel op eigen grond. (Dus niet “op” de rode grenslijn)

Nu wij helaas geen contact meer hebben, wat ik zeer jammer vindt dan resulteert dit waarschijnlijk alleen in de optie om een eigen schutting op ons eigen grondgebied te plaatsen. Ik heb gevraagd aan het Kadaster om langs te komen zodat zij de juiste lijn kunnen trekken.

De schutting zoals die nu staat, staat sinds 1967 op mijn grond (dus niet op de rode lijn) en dat was toen de norm. Nu wij beide aan onze tuin gaan werken is het fijn om de juiste kaders te hanteren. Nogmaals ik sta open voor 1 gedeelde schutting op de juiste grenslijn. Van uitbouw tot achterzijde perceel. Echter staat helaas de schuur nu over deze grens.

Zodra ik hoor wanneer de grens uitzetting van het Kadaster is stel ik jullie op de hoogte. Ik wil jullie daarom vragen om nog geen schutting o.i.d. te plaatsen.

Mochten er nog vragen zijn dan hoor ik het graag. Wij staan zeker open voor een gesprek met behulp van een bemiddelaar. Ik gun ons beide veel woonplezier toe.

2.12.

Op 11 december 2024 heeft een landmeter van het Kadaster in aanwezigheid van partijen door middel van een grensreconstructie de kadastrale grens aangewezen en daarvan een relaas van bevindingen opgesteld.

{afbeelding 1}

(Deel van een pagina uit het relaas van bevindingen. De uitbouw is weergegeven met de lijnen tussen de punten 9, 10 en 11. Het bijgebouw (‘schr’) is aangegeven met de lijnen tussen de punten 5, 6, 7 en 8. De weergave is niet op schaal, maar geeft schematisch de situatie weer)

Volgens het relaas van bevinden steekt de uitbouw van [gedaagden] aan de zijde van [eisers], over de volle diepte 5 centimeter over de kadastrale grens heen. Het bijgebouw steekt vanaf ongeveer het midden van de zijgevel tot aan de hoek met de voorgevel over de kadastrale grens heen, uitlopend tot een maximum van 9 centimeter. Volgens de weergave staat de zijwand van het bijgebouw vanaf ongeveer het midden naar achter toe volledig op het kadastrale perceel van [gedaagden]

2.13.

[eisers] hebben [gedaagden] op de hoogte gesteld van de bevindingen van het Kadaster. Partijen hebben daar vervolgens over gesproken.

2.14.

Met een brief van 27 januari 2025 heeft een gemachtigde van [eisers] het relaas van bevindingen aan [gedaagden] gestuurd. Daarbij heeft de gemachtigde geschreven dat de uitbouw en het bijgebouw deels op het perceel van [eisers] staan. Hij heeft [gedaagden] gesommeerd binnen twee weken schriftelijk te bevestigen dat zij de situatie binnen twee maanden zullen aanpassen op zodanige wijze dat ‘de kadastrale erfgrens wordt gerespecteerd’. Daarbij zijn [gedaagden] verzocht € 520,00 aan [eisers] te vergoeden voor de kosten die [eisers] aan het Kadaster hebben betaald.

2.15.

Met een brief van [nummer 2] februari 2025 heeft een gemachtigde van [gedaagden] zich op het standpunt gesteld dat [gedaagden] niet gehouden zijn tot verwijdering van de uitbouw. Daarbij heeft hij meegedeeld dat [gedaagden] altijd bereid zijn in nader overleg te treden.

2.16.

Op 26 februari 2025 heeft de gemachtigde van [eisers] het standpunt van [eisers] gehandhaafd en de verschuldigdheid van wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten aangezegd als [gedaagden] niet binnen veertien dagen aan [eisers] de gemaakte kosten voor de inschakeling van het Kadaster zouden vergoeden.

2.17.

Op 17 april 2025 heeft mr. Lasschuit namens [gedaagden] aan de gemachtigde van [eisers] geschreven dat enige vordering die [eisers] op basis van de kadastrale erfgrens al lang en breed verjaard is.

Tekst

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vorderen – samengevat – dat de rechtbank [gedaagden] hoofdelijk:

I. beveelt om binnen twee maanden na betekening van het vonnis:

 de uitbouw te verwijderen voor zover deze op het perceel van [eisers] staat en verwijderd te houden,

 het bijgebouw te verwijderen voor zover deze op het perceel van [eisers] staat en verwijderd te houden, inclusief over het perceel van [eisers] lopende leidingen en kabels,

beide op straffe van een dwangsom van 250,00 per dag of gedeelte daarvan met een maximum van € 10.000,00,

II. veroordeelt om € 520,00 aan kadastrale kosten te betalen aan [eisers], te vermeerderen met wettelijke rente,

III. veroordeelt tot betaling van € 94,38 aan buitengerechtelijke incassokosten te vermeerderen met wettelijke rente,

IV. veroordeelt in de proceskosten te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

[eisers] leggen samengevat het volgende aan de vordering ten grondslag. [gedaagden] hebben ondanks waarschuwingen over de loop van de erfgrens aan de achterzijde van hun woning hun uitbouw en bijgebouw deels op het perceel van [eisers] gebouwd. [gedaagden] maken daarmee onrechtmatig inbreuk op het eigendom van [eisers] hebben daarvoor geen toestemming gegeven. Zij hebben het recht om te vorderen dat deze inbreuk ongedaan gemaakt wordt. Daarbij is een termijn van twee maanden redelijk. Door de houding van [gedaagden] waren [eisers] gehouden om een kadastrale nameting te laten doen. De kosten die zij daarvoor hebben moeten maken, komen op grond van de wet voor vergoeding in aanmerking.

3.3.

[gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] en voeren – verkort weergegeven – het volgende aan. [gedaagden] zijn door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar geworden van de strook grond tussen de kadastrale erfgrens en de schutting waardoor van overbouw geen sprake is. De schutting staat volgens de kadastrale uitmeting een aantal centimeter te ver op het kadastrale perceel van [eisers] Deze schutting vormt sinds 1967 de feitelijke perceelsgrens tussen beide percelen. [gedaagden] (en hun rechtsvoorgangers) hebben hun perceel steeds tot aan de schutting in bezit gehad als waren zij eigenaren. Voor zover het beroep op verjaring niet slaagt, hebben [eisers] hun recht om verwijdering te vorderen verwerkt. De uitbouw en het bijgebouw zijn gebouwd op de plek die door [eisers] zelf is aangewezen. Als [eisers] hun recht niet hebben verwerkt, maken zij misbruik van recht. Er is sprake van een geringe overschrijding, die [eisers] in het geheel geen schade geeft, terwijl de gevorderde verwijdering bouwkundig zeer ingrijpend en kostbaar is en artikel 5:54 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een billijke oplossing biedt. Als [gedaagden] wel (deels) moeten verwijderen dan is een termijn van twee maanden gelet op de beschikbaarheid van aannemers en de complexiteit van het werk tekort. Die termijn moet in dat geval minimaal zes maanden zijn. De gevorderde dwangsommen zijn te hoog en moeten worden gematigd, aldus [gedaagden]

in reconventie

3.4.

[gedaagden] vorderen – samengevat – dat de rechtbank [eisers] beveelt om hun medewerking te verlenen aan het op de originele plek (recht) terugplaatsen van de schuttingdelen, zodat de schutting doorloopt tot aan de originele buitenmuur en daaraan een dwangsom te verbinden, met veroordeling van [eisers] in de proceskosten. Bij de plaatsopneming en bezichtiging en de aansluitende mondelinge behandeling op

30 juni 2026 hebben [gedaagden] toegelicht dat zij niet bedoeld hebben dat de schuttingdelen moeten doorlopen tot de achtergevel van de woning van [eisers], maar (enkel) tot aan het einde van de uitbouw van [gedaagden]

3.5.

Na (voorwaardelijke) eisvermeerdering en uitsluitend voor het geval de rechtbank van oordeel is dat de vordering van [eisers] niet moet worden afgewezen en dat sprake is van grensoverschrijdende bouw die in beginsel moet worden verwijderd vorderen [gedaagden] ook dat de rechtbank:

I. [eisers] veroordeelt om hun medewerking te verlenen aan legalisering van de bestaande situatie van overbouw door [gedaagden], zulks ter keuze van [eisers], door overdracht in onbezwaarde eigendom van dat deel van hun perceel waarop sprake is van overbouw of door vestiging van een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande situatie van overbouw,

II. bepaalt dat overdracht van eigendom dan wel vestiging van erfdienstbaarheid plaatsvindt tegen een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen schadeloosstelling of tegen een schadeloosstelling nader op te maken bij staat,

III. [eisers] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis alle noodzakelijke medewerking te verlenen aan de notariële en kadastrale vastlegging van de overdracht dan wel vestiging van de erfdienstbaarheid,

IV. bepaalt dat als de medewerking van [eisers] uitblijft het vonnis in de plaats treedt van de vereiste wilsverklaring en/of medewerking als hiervoor bedoeld.

3.6.

[gedaagden] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. Tijdens de werkzaamheden van de aannemer zijn schuttingdelen verplaatst, zodat de werklieden makkelijker het werk konden verrichten. Bij het terugplaatsen van de schutting op de originele plaats werkten [eisers] dat tegen. De schutting(delen) moeten alsnog goed worden teruggezet.

Voor zover sprake is van overbouw en de vordering tot verwijdering daarvan in beginsel toewijsbaar zou zijn, is legalisering op grond van artikel 5:54 BW aangewezen omdat [gedaagden] bij die verwijdering onevenredig veel zwaarder worden benadeeld dan [eisers] nadeel hebben bij handhaving van de bestaande situatie. De overschrijding is gering terwijl de gevolgen voor [gedaagden] van verwijdering voor [gedaagden] ingrijpend en kostbaar zijn.

3.7.

[eisers] voeren verweer. [eisers] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagden], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagden] Zij voeren samengevat het volgende aan. [gedaagden] hebben geen feiten gesteld die ertoe kunnen leiden dat op [eisers] een verplichting rust tot het terugplaatsen van de schuttingdelen. De verwijderde schuttingdelen stonden geheel op het perceel van [eisers] Daarbij is sprake van misbruik van procesrecht. De vordering over de schutting is alleen bedoeld om druk uit te oefenen en de aandacht af te leiden van de onrechtmatige overbouw. Het bepaalde in artikel 5:54 BW mist toepassing. Aan de zijde van [gedaagden] is sprake van grove schuld. [eiser 2] heeft [gedaagden] gewezen op de loop van de erfgrens en de aannemers van [gedaagden] aangegeven de kadastrale erfgrens uit te zetten. Dat hebben zij niet gedaan.

4 De beoordeling in conventie en reconventie

Gezamenlijke behandeling vorderingen

4.1.

De vorderingen in conventie en reconventie hangen nauw met elkaar samen en zullen daarom gezamenlijk worden behandeld.

Juridische eigendom

4.2.

[gedaagden] hebben de loop van de kadastrale grens zoals deze door het Kadaster in 2024 is aangewezen niet betwist. In beginsel heeft de grens zoals die uit de kadastrale gegevens blijkt te gelden als de juridische erfgrens. Dit is anders als een bezitter van grond door verjaring eigenaar is geworden.1

4.3.

[gedaagden] hebben ook niet betwist dat de uitbouw (boven- en/of ondergronds) daar over de volle lengte van de uitbouw vijf centimeter overheen staat. [gedaagde 1] hebben verder niet betwist dat het bijgebouw deels over de kadastrale grens heen staat. Tijdens descente en de mondelinge behandeling op 30 juni 2026 heeft mr. Lasschuit gezegd dat nu zij de situatie zelf heeft gezien betwist dat de overschrijding 9 centimeter bedraagt, maar zij heeft niet het bestaan van iedere overschrijding betwist.

4.4.

Op grond van het bepaalde in artikel 5:2 BW heeft de eigenaar van een erf in beginsel de bevoegdheid verwijdering te vorderen van hetgeen door anderen op zijn erf is gebouwd. Als de kadastrale grens nog steeds ook de erfgrens is, dan betekent dat [gedaagden] in beginsel gehouden zijn om de delen van de uitbouw en het bijgebouw die over de kadastrale grens staan te verwijderen.

Verkrijgende of bevrijdende verjaring is niet komen vast te staan

4.5.

Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] is dat zij inmiddels door verjaring eigenaar zijn geworden van, zo begrijpt de rechtbank, de strook grond die gelegen is tussen de kadastrale grens en de schutting tussen de percelen. [gedaagden] stellen immers dat zij en hun rechtsvoorgangers het perceel ‘steeds tot aan de schutting’ (onderstreping rb.) in bezit hebben gehad als waren zij eigenaar.2 Daarbij zeggen zij dat de uitbouw en het bijgebouw net vóór de schutting staan. Van overbouw is volgens hen daarom geen sprake.

4.6.

Voor een geslaagd beroep op verjaring moet de strook grond in bezit zijn genomen. Dat geldt zowel in het geval van verkrijgende (artikel 3:99 lid 1 BW) als van bevrijdende verjaring (artikel 3:105 lid 1 BW). Volgens [gedaagden] is al sinds 1967 sprake van bezit door [gedaagden] en hun rechtsvoorgangers. Bij de descente heeft [eiser 2] toegelicht dat zij de huidige schutting in 2003 heeft geplaatst. Uit haar bericht van 23 november 2024 aan [gedaagde 1] kan worden opgemaakt dat volgens [eiser 2] op of nabij die plek sinds 1967 een schutting heeft gestaan. Ook onder het vóór 1 januari 1992 geldende recht was verkrijgende of bevrijdende verjaring enkel aan de orde bij bezit.

4.7.

Of sprake is van verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring, van welke verjaringstermijnen moet worden uitgegaan en wanneer de huidige schutting precies is geplaatst kan in het midden blijven. [gedaagden] hebben namelijk onvoldoende onderbouwd dat hun rechtsvoorgangers de strook grond in bezit hebben genomen. Voor zover [gedaagden] de strook grond in bezit hebben genomen nadat zij in 2021 eigenaar van de woning zijn geworden geldt dat niet aan de toepasselijke verjaringstermijnen van tien en twintig jaar is voldaan. Dit oordeel licht de rechtbank als volgt toe.

4.8.

Bij de beantwoording van de vraag of iemand een goed in bezit heeft genomen is, zowel onder het huidige als het oude recht, bepalend of hij zich de feitelijke macht over dat goed heeft verschaft. Bezit is het “houden voor zichzelf”, dat wil zeggen het uitoefenen van de feitelijke macht over een goed met de pretentie rechthebbende te zijn. Voor inbezitneming van een goed zijn enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen ontoereikend.3 De machtsuitoefening moet zodanig zijn dat deze naar verkeersopvattingen het bezit van de oorspronkelijke bezitter tenietdoet. De vraag of iemand een goed voor zichzelf houdt, wordt beoordeeld naar verkeersopvattingen, met inachtneming van de wettelijke regels van artikel 3:109 BW en volgende, en overigens op grond van uiterlijke feiten. Er geldt dus een objectieve maatstaf. Het bezit moet “ondubbelzinnig” zijn. Ondubbelzinnig bezit is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niets anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn.4 Daarmee is verzekerd dat van verjaring pas sprake kan zijn ingeval de werkelijk rechthebbende tegen wie de verjaring is gericht, uit de gedragingen van degene die zich op de verjaring wil beroepen, duidelijk kan opmaken dat deze pretendeerde rechthebbende te zijn, zodat hij tijdig maatregelen kon nemen om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Bezit wordt verkregen door inbezitneming, door overdracht of door opvolging onder algemene titel. Men neemt een goed in bezit door zich daarover de feitelijke macht te verschaffen. Op grond van de hoofdregel5 ligt het op de weg van degene die zich op verkrijgende of bevrijdende verjaring beroept, om dit bezit – dat dus niet snel wordt aangenomen – voldoende te onderbouwen en bij betwisting te bewijzen.

4.9.

[gedaagden] voeren aan dat hoogstwaarschijnlijk aannemers die de wijk waarin de woningen staan hebben gerealiseerd de schutting hebben geplaatst ter aanduiding van de kadastrale erfgrens en dat het er sterk op lijkt dat erfgrens door de regenpijp (aan de achtergevel van de woningen) loopt en er daarom voor is gekozen de schutting aan een zijde van die regenpijp te plaatsen. Volgens [gedaagden] hebben hun rechtsvoorgangers de strook grond daarna volledig en onafgebroken als eigen erf hebben gebruikt en dus in bezit gehad, zonder dat [eisers] (of hun rechtsvoorgangers) daar op enig moment bezwaar tegen hebben gemaakt of handhavend hebben opgetreden. De rechtbank volgt [gedaagden] daarin niet.

4.10.

Uitgaande van de stellingen van [gedaagden] is de schutting in ieder geval niet door de rechtsvoorgangers van [gedaagden] geplaatst. Ook volgt uit hun stellingen niet dat zij pretenderen eigenaar van die schutting te zijn, maar enkel van de grond tot aan die schutting. Het doen plaatsen van de schutting is dus geen gedraging van inbezitneming van de rechtsvoorgangers van [gedaagden] Dat [gedaagden] en hun rechtsvoorgangers steeds ondubbelzinnig bezit hebben gehad van de grond tot aan de schutting hebben [gedaagden] onvoldoende onderbouwd. Zij hebben vooral aangedragen dat met de schutting het deel naast de schutting optisch tot hun tuin behoort. Bij de plaatsopneming is echter naar voren gekomen dat – de uitbouw en het bijgebouw niet meegerekend – het strookje grond direct naast de schutting niet bij de bestrating en beplanting van de tuin van [gedaagden] is getrokken. Dat wijst niet op een ondubbelzinnig bezit, in de zin dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niets anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn. Ook overigens hebben [gedaagden] onvoldoende feiten en omstandigheden aangedragen waaruit het ondubbelzinnig bezit naar voren komt. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] door verkrijgende dan wel bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van de strook grond naast de schutting.

4.11.

Omdat het beroep op verjaring niet slaagt, heeft de grens zoals die uit de kadastrale gegevens blijkt te gelden als de juridische erfgrens. Daarmee staat, gelet wat hiervoor in 4.3 uiteen is gezet, vast dat de uitbouw en het bijgebouw gedeeltelijk op grond staan die eigendom is van [eisers], zodat [eiser 2] voor dat deel in beginsel aanspraak kunnen maken op verwijdering.

Van rechtsverwerking is geen sprake

4.12.

Dat is anders als [eisers] hun recht hebben verwerkt om opheffing van de toestand van overbouw te vorderen. Het beroep van [gedaagden] op rechtsverwerking slaagt echter niet. Voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking moet de rechthebbende (hier [eisers]) zich gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij de wederpartij gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de rechthebbende zijn aanspraak niet meer geldend zal maken, of waardoor de positie van de wederpartij onredelijk verzwaard of benadeeld zou worden als het recht of de bevoegdheid alsnog geldend wordt gemaakt.6

4.13.

Bij de beoordeling van dit verweer stelt de rechtbank voorop dat het allereerst aan [gedaagden] is om te voorkomen dat bij het realiseren van de uitbouw en het bijgebouw sprake is van niet toegestane overbouw op het perceel van [gedaagden] Dat hadden [gedaagden] kunnen doen door zelf eerst het Kadaster de kadastrale grens te laten aanwijzen, zeker nadat [eiser 2] had aangegeven dat deze niet werd gevormd door de schutting, omdat de schutting op haar perceel stond. Dat hebben [gedaagden] niet gedaan.

4.14.

[gedaagden] stellen dat [eisers] een actieve rol hebben gespeeld bij de realisatie van de uitbouw en het bijgebouw en dat deze zijn gebouwd op de plek die door [eisers] zelf is aangewezen. Die stelling is onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Waar het gaat om de uitbouw staat enkel vast dat [eiser 2] aan het begin van de werkzaamheden heeft aangegeven dat [gedaagden] tot aan de regenpijp konden bouwen, niet tot aan de schutting, omdat de erfgrens volgens [eiser 2] ter hoogte (van het midden van de) regenpijp liep. Vast staat dat [gedaagden] tot voorbij de erfgrens hebben gebouwd en voorbij (het midden van) de regenpijp.

Uit de overgelegde correspondentie volgt wel dat de overbouw van de uitbouw voor [eisers] mogelijk pas een probleem voor [eisers] is geworden nadat het bijgebouw al (voor een belangrijk deel) was voltooid en het Kadaster de loop van de kadastrale grens had aangewezen. In het bericht van 23 november 2024 over “verwarring” over de kadastrale grenslijn wordt namelijk enkel de overbouw van het bijgebouw genoemd, terwijl [eiser 2] voor het overige aangeeft open te staan voor een gedeelde schutting van uitbouw tot aan de achterzijde van het perceel. Die omstandigheid is echter onvoldoende om te oordelen dat [eisers] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer met een beroep op hun eigendomsrecht verwijdering van de overbouw kunnen vorderen. Bij dat oordeel weegt ook mee dat [eisers] binnen een jaar nadat de uitbouw is gerealiseerd alsnog tegen de overbouw hebben geprotesteerd.

4.15.

Of het bijgebouw op de door [eiser 2] door middel van een rode draad of koord aangewezen plek is gebouwd kan in het midden blijven. [eiser 2] heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat zij zag dat het niet klopte toen de hoeken van het bijgebouw er stonden en de werklieden toen heeft gevraagd of zij een meetlat hadden. Dat was niet het geval waarna [eiser 2] een bolletje wol heeft gepakt om, begrijpt de rechtbank, de volgens [eiser 2] juiste situatie aan te geven. Dat [eiser 2] op deze manier in een discussie met de werklieden provisorisch duidelijk heeft willen maken dat het bijgebouw over de erfgrens werd gebouwd is niet een voldoende bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat [gedaagden] erop mochten vertrouwen dat [eiser 2] hoe dan ook met die plaatsing akkoord was. [eiser 2] is immers een leek en er zijn ook geen omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat [gedaagden] erop mochten vertrouwen dat [eiser 2] met het vasthouden van de draad afstand wilde doen van rechten.

4.16.

Van een onredelijke benadeling als hiervoor bedoeld is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake. Daarbij weegt mee dat [eiser 2] tijdig aandacht heeft gevraagd voor de erfgrens en [gedaagden] op dat moment nader onderzoek door het Kadaster hadden kunnen laten doen. Dat [gedaagden] dat niet hebben gedaan, moet voor hun rekening en risico komen. Dit verweer slaagt dan ook niet.

Vorderen van opheffen overbouw geen misbruik van recht

4.17.

Het meest subsidiaire verweer dat sprake is van misbruik van recht slaagt niet. Dit oordeel licht de rechtbank als volgt toe.

4.18.

Artikel 3:13 BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Onder bijzondere omstandigheden – wanneer sprake is van disproportionaliteit – kan een vordering tot verwijdering van de eigenaar van het overbouwde erf misbruik van bevoegdheid opleveren. In de toetsingsmaatstaf van artikel 3:13 BW: ‘naar redelijkheid niet tot uitoefening van die bevoegdheid had kunnen komen’, ligt besloten dat hierbij niet een subjectieve maatstaf, maar een objectieve maatstaf geldt. Het gevolg is dat slechts in uitzonderlijke gevallen misbruik van bevoegdheid zal kunnen worden aangenomen.

De uitbouw

4.19.

De overbouw van de uitbouw bedraagt uitgaande van het niet bestreden relaas van bevindingen vijf centimeter over de volledige diepte van de uitbouw. Wat hier precies toe behoort is de rechtbank niet duidelijk. Dit is niet duidelijk door partijen c.s. aangewezen en blijkt ook niet uit het relaas van bevindingen. Duidelijk is wel dat de fundering waarop de zijgevel rust aan de onderzijde voor een deel iets verder steekt dan in ieder geval de onderste planken (boeidelen) waarmee de gevel is afgewerkt. [gedaagden] hebben niet concreet gemaakt wat er precies moet gebeuren om de situatie van overbouw van de uitbouw te beëindigen en ook niet wat dit zou gaan kosten. Zij hebben enkel gesteld dat dit heel kostbaar is. Mr. Lasschuit heeft op de descente toegelicht dat het in ieder geval om duizenden euro’s gaat. [gedaagden] hebben als productie 8 een aantal foto’s in het geding gebracht die zijn gemaakt tijdens de bouw van de uitbouw. Uit die foto’s blijkt dat de zijgevel van de uitbouw is opgetrokken uit naar het zich laat aanzien gelijmde of gemetselde stenen witte blokken die aan de kopse kant grenzen aan een stalen roodbruine kolom met een zogeheten H-profiel en daaraan zijn bevestigd. Op grond van die foto’s zou de conclusie kunnen worden getrokken dat de stalen kolom en de stenen blokken zelf zich nog net vóór de erfgrens bevinden. In dat geval zullen enkel de afwerking en boeidelen verwijderd moeten worden. Dat daar veel kosten mee gemoeid zullen zijn hebben [gedaagden] niet onderbouwd.

4.20.

Daarmee hebben [gedaagden] onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht om tot het oordeel te komen er sprake is van een zodanige onevenredigheid tussen het belang van [gedaagden] bij handhaving en het belang van [eisers] bij verwijdering dat [eisers] in redelijkheid niet konden komen tot de uitoefening van hun bevoegdheid verwijdering te vorderen. In dat kader is ook van belang dat [eisers] hebben toegelicht dat zij mogelijk een uitbouw willen realiseren en dat de huidige zijgevel van de uitbouw van [gedaagden] naar boven toe scheef loopt, hetgeen hen zal hinderen bij de aanleg van een eigen uitbouw tegen die van [gedaagden] aan. De rechtbank heeft bij de plaatsopneming kunnen constateren dat de zijgevel inderdaad schuin staat. [eisers] hebben daarbij naar voren gebracht dat daarmee – als zij een uitbouw tegen de uitbouw van de buren zouden aanzetten – de binnenmuur aan de bovenkant een knik zou hebben met hun bestaande binnenmuur. De rechtbank begrijpt dat [eisers] zeggen dat daarmee de te plaatsen binnenmuur verder naar binnen zou moeten worden geplaatst om die knik te voorkomen dan als de zijgevel niet schuin zou staan. Daarmee komt het gewicht te ontvallen aan het argument van [gedaagden] dat [eisers] juist voordeel ondervinden van de uitbouw omdat zij er in de toekomst gemakkelijk tegenaan kunnen bouwen.

4.21.

De vordering van [eisers] om te bevelen de uitbouw te verwijderen voor zover deze op het (kadastrale) perceel van [eisers] staat kan daarmee in beginsel worden toegewezen.

Het bijgebouw

4.22.

Bij de plaatsopneming heeft de rechtbank geconstateerd dat het overstekende deel een houten constructie is met aan de binnenzijde gipsplaten. [gedaagden] hebben weliswaar aangegeven dat inkorting kostbaar is, maar zij hebben ook dit niet onderbouwd. De rechtbank neemt aan dat er inderdaad kosten verbonden zullen zijn aan het verplaatsen (en mogelijk rechtzetten) van de zijwand en het opnieuw afwerken aan de binnenzijde, maar bij de situatie dat [eiser 2] al tijdens de bouw heeft aangegeven dat het belangrijk voor haar was dat de erfgrens gerespecteerd werd en [gedaagden] daarna zonder nader onderzoek de werkzaamheden verder hebben gezet, hebben [gedaagden] het risico genomen dat zij deze kosten moesten dragen. Ook voor het bijgebouw maken [eisers] dan ook geen misbruik van hun bevoegdheid.

4.23.

De vordering van [eisers] om te bevelen de het bijgebouw te verwijderen voor zover deze op het (kadastrale) perceel van [eisers] staat kan daarmee in beginsel worden toegewezen.

[eisers] hoeven niet mee te werken aan legalisering

4.24.

Omdat de rechtbank hiervoor tot het oordeel komt dat verwijdering in beginsel toewijsbaar is, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de voorwaardelijke tegenvordering van [gedaagden] om [eisers] te veroordelen om met inachtneming van artikel 5:54 BW mee te werken aan legalisering van de bestaande situatie van overbouw door overdracht in eigendom of het vestigen van een erfdienstbaarheid.

4.25.

Artikel 54 lid 1 BW bepaalt dat de eigenaar van een gebouw of werk dat ten dele op het erf van een ander gebouwd is kan vorderen dat hem tegen schadeloosstelling een erfdienstbaarheid tot het handhaven van de bestaande toestand wordt verleend of, ter keuze van de eigenaar van het erf, een daartoe benodigd deel van het er wordt overgedragen. Voorwaarde is dat de eigenaar van het gebouw of werk door wegneming van het uitstekende gedeelte onevenredig veel zwaarder wordt benadeeld dan de eigenaar door handhaving daarvan.

4.26.

De rechtbank oordeelt dat [gedaagden] onvoldoende feiten en omstandigheden hebben gesteld voor het oordeel dat zij door wegneming van het uitstekende gedeelte van de uitbouw en/of het bijgebouw onevenredig veel zwaarder worden benadeeld dan [eisers] door handhaving daarvan.

4.27.

Hiervoor is al uiteengezet dat [gedaagden] niet voldoende hebben onderbouwd dat het verwijderen van de overbouw van de uitbouw veel kosten met zich brengt, terwijl het door hen gestelde voordeel van [eisers] dat zij tegen hun uitbouw kunnen aanbouwen door [eisers] voldoende is weersproken. [eisers] hebben nog aangevoerd dat bij aanbouwen tegen de uitbouw van [gedaagden] zij oppervlakte in hun woning zullen verliezen.

4.28.

Voor het bijgebouw gaat het ongedaan maken van de overbouw, gelet op wat de rechtbank heeft kunnen vaststellen bij de plaatsopneming en op grond van de foto’s in het procesdossier, om een relatief licht, voornamelijk uit hout opgetrokken bouwwerk. De binnenruimte is afgewerkt met gipsplaat. [gedaagden] maken wel gebruik het bijgebouw, maar leven er niet in. Inkorting zal niet afdoen aan dit gebruik. Daarbij komt dat [eisers] in een relatief vroeg stadium hun zorgen, althans twijfels, hebben geuit over het al dan overschrijden van de erfgrens. Aanpassing zal kosten met zich meebrengen, maar de rechtbank heeft onvoldoende aanwijzingen dat deze zodanig zijn dat moet worden geoordeeld dat [gedaagden] door wegneming van het uitstekende gedeelte onevenredig veel zwaarder al worden benadeeld dan [eisers] door handhaving ervan. In feite zal de houten zijgevel van het bijgebouw aan de zijde van [eisers] vanaf ongeveer het midden daarvan enkele centimeters naar binnen moeten worden geplaatst.

4.29.

[eisers] hoeven niet mee te werken aan legalisering. Daarmee hoeft het verweer van [eiser 2] c.a. dat [gedaagden] grove schuld kan worden verweten niet inhoudelijk behandeld te worden. Met het oordeel dat legalisering van de bestaande situatie niet aan de orde is zullen ook de daarmee samenhangende vorderingen van [gedaagden] (schadeloosstelling voor legalisatie, notariële en kadastrale vastlegging, in de plaats stellen van het vonnis voor de medewerking) worden afgewezen.

Tussenconclusie

4.30.

[gedaagden] zullen worden veroordeeld om de aanbouw en het bijgebouw te verwijderen voor zover deze op het kadastrale perceel van [eisers] staan.

Dwangsom

4.31.

De gevorderde dwangsom zal op de wijze zoals in de beslissing vermeld worden toegewezen.

Vergoeding kosten Kadaster

4.32.

[gedaagden] zullen ook worden veroordeeld [eisers] de kosten te vergoeden die zij hebben gemaakt voor de grensreconstructie. Deze is uitgevoerd omdat [gedaagden] met de overbouw van de uitbouw en het bijgebouw inbreuk hebben gemaakt op het eigendomsrecht van [eisers] De door [eiser 2] gemaakte kosten voor het Kadaster zijn redelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 onder b BW ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De over deze kosten gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de door [eisers] genoemde datum van 13 maart 2025 tot de dag van voldoening.

Geen buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd

4.33.

[eisers] vorderen in het € 94,38 aan buitengerechtelijke incassokosten van € 94,38. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-Integraal 2013. [eisers] hebben niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eisers] vergoeding vorderen moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De vordering [gedaagden] te veroordelen een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen, zal daarom worden afgewezen.

De vordering van [gedaagden] over de schutting

4.34.

[gedaagden] vorderen in reconventie ook dat [eisers] worden veroordeeld hun medewerking te verlenen aan het terugplaatsen van de schutting. Gelet op wat [gedaagden] daarover hebben toegelicht tijdens de descente en de mondelinge behandeling gaat het dan kennelijk om het doen aansluiten van de huidige schutting op de uitbouw. Deze vordering zal worden afgewezen. Gelet op het hiervoor uiteengezette oordeel dat de kadastrale grens de juridische erfgrens is, stond en staat de schutting waar [gedaagden] op doelen enkel op het perceel dat eigendom is van [eisers] Ook in de door [gedaagden] naar voren gebrachte visie staat de schutting volledig op het perceel van [eisers] Van een mandelige schutting is dan ook geen sprake. Juist omdat de schutting enkel eigendom is van [eisers] en op hun grond staat, is niet duidelijk wat zou maken [eisers] gehouden zijn iets met die schutting te doen. [gedaagden] hebben ook geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit voor [eisers] een rechtsplicht voortvloeit de schutting op de uitbouw te laten aansluiten.

Proceskosten

in conventie

4.35.

[gedaagden] zijn voor het grootste deel in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:

- dagvaarding € 147,81

- griffierecht € 1.374,00

- salaris advocaat € 1.306,00 (2 punten × € 653,00)

- nakosten € 148,00 (plus de verhoging zoals vermeld in

de beslissing)

Totaal € 2.975,81

in reconventie

4.36.

[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:

- salaris advocaat

€

653,00

(2 punten × factor 0,5 × € 653,00)

- nakosten

€

148,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

801,00

4.37.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in reconventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.38.

De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om de uitbouw te verwijderen voor zover deze op het (kadastrale) perceel van [eisers] staat en verwijderd te houden, binnen zes (6) maanden nadat dit vonnis aan [gedaagden] is betekend,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om het bijgebouw te verwijderen voor zover deze op het perceel van [eisers] staat en verwijderd te houden, inclusief over het perceel van [eisers] lopende leidingen en kabels, binnen zes (6) maanden nadat dit vonnis aan [gedaagden] is betekend,

5.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 5.1 en/of 5.2 voldoen, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,

5.4.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.975,81, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.5.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.6.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1 tot en met 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.8.

wijst de vorderingen van [gedaagden] af,

5.9.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 801,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.10.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.11.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

1998

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »