ECLI:NL:RBNHO:2024:4002

Datum uitspraak
17-04-2024
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Zaaknummer
10850063 \ CV EXPL 23-5600
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bevoegdheidsincident. Twee gedaagden. Subjectieve cumulatie. Aardzaak en handelszaak. Vorderingen hangen zodanig samen dat afzonderlijke behandeling daarvan ongewenst is vanuit proceseconomisch oogpunt. De kantonrechter laat verwijzing naar de handelskamer achterwege wegens strijd met de goede procesorde.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 10850063 \ CV EXPL 23-5600 (BL)

Uitspraakdatum: 17 april 2024

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

[eisers]

gevestigd te [plaats 1]

eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident

verder te noemen: [eisers]

gemachtigde: mr. J.L.F. van der Kamp

tegen

1 [gedaagde 1]

wonende te [plaats 2]

gedaagde in de hoofdzaak

verder te noemen: [gedaagde 1]

gemachtigde: mr. J.W. Bloem

2 [gedaagde 2]

kantoorhoudende te [plaats 3]

gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident

verder te noemen: [gedaagde 2]

gemachtigde: mr. A.E. Koster

1 Het procesverloop

1.1.

[eisers] heeft bij dagvaarding van 14 december 2023 een vordering ingesteld tegen [gedaagde 1] en tegen [gedaagde 2] .

1.2.

[gedaagde 1] heeft in de hoofdzaak geantwoord.

1.3.

[gedaagde 2] heeft een incidentele conclusie genomen waarin wordt gesteld dat de kantonrechter onbevoegd is. [eisers] heeft schriftelijk gereageerd op de incidentele conclusie van [gedaagde 2] .

2 De beoordeling van de bevoegdheid van de kantonrechter

2.1.

[gedaagde 2] stelt dat de kantonrechter niet bevoegd is om kennis te nemen van de zaak tegen hem. Hij voert daarvoor aan dat [eisers] de vordering tegen [gedaagde 2] baseert op een gestelde onrechtmatige daad, en dat deze vordering van onbepaalde waarde is zonder duidelijke aanwijzingen dat deze de competentiegrens van de kantonrechter van € 25.000,00 niet overschrijdt. Daarom vordert [gedaagde 2] dat de kantonrechter zich onbevoegd verklaart.

2.2.

[eisers] voert daartegen het volgende aan. De vordering tegen [gedaagde 1] vloeit voort uit een arbeidsovereenkomst, zodat sprake is van een aardzaak die tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoort. De vordering tegen [gedaagde 2] hangt zodanig samen met de vordering tegen Grijspaarde, dat verwijzing naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken (hierna: de handelskamer) in strijd is met de goede procesorde en onwenselijk is uit het oogpunt van proceseconomie.

2.3.

In deze procedure is sprake van de situatie dat in één dagvaarding aan de kant van gedaagde meer dan één partij optreedt. Dit wordt subjectieve cumulatie van vorderingen genoemd. Van objectieve cumulatie is sprake als eiser in één dagvaarding meerdere vorderingen tegen één gedaagde instelt. Voor het geval van objectieve cumulatie heeft de wetgever een bevoegdheidsregeling gegeven in artikel 94 Rv. Een soortgelijke wettelijke regeling is niet getroffen voor het geval van subjectieve cumulatie. Voor deze situatie geldt dat voor elke gedaagde afzonderlijk de bevoegdheid moet worden beoordeeld.

2.4.

Voor zover de vordering is gericht tegen [gedaagde 1] is de kantonrechter bevoegd, omdat deze een arbeidsovereenkomst betreft.1 Dit staat tussen partijen ook niet ter discussie.

2.5.

Ten aanzien van de vordering tegen [gedaagde 2] geldt, gelet op het bepaalde in artikel 93 Rv, dat de kantonrechter in beginsel niet bevoegd is om daarvan kennis te nemen. Er is immers geen sprake van een zogenoemde aardzaak, de vordering is van onbepaalde waarde en er bestaan geen duidelijke aanwijzingen dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00. Ook daarover zijn partijen het op zichzelf eens. Dit betekent dat de kantonrechter de zaak tussen [eisers] en [gedaagde 2] zou moeten verwijzen naar de handelskamer.2

2.6.

Met [eisers] is de kantonrechter echter van oordeel dat de vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zodanig samenhangen dat afzonderlijke behandeling daarvan door verschillende rechters vanuit proceseconomisch oogpunt onwenselijk is. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat indien de zaak tegen [gedaagde 2] wordt verwezen naar de handelskamer, [eisers] vervolgens kan (en zoals reeds aangekondigd zal) vragen om voeging en verwijzing naar de kantonrechter.3 Van [eisers] kan niet worden verlangd dat zij die omslachtige route volgt om de zaken uiteindelijk weer gezamenlijk behandeld te krijgen.

2.7.

De conclusie is dat de kantonrechter de verwijzing van de vordering tegen [gedaagde 2] naar de handelskamer achterwege zal laten wegens strijd met de goede procesorde. De kantonrechter zal de gehele zaak dus aan zich houden en de vordering van [gedaagde 2] in het incident wordt afgewezen.

2.8.

De kantonrechter ziet in de uitkomst van dit bevoegdheidsincident aanleiding de proceskosten te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten in het incident draagt.

3 De beslissing

De kantonrechter:

in het incident

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

in de hoofdzaak

3.3.

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 15 mei 2024 te 09:30 uur voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 2] .

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »