ECLI:NL:RBNHO:2021:2350

Datum uitspraak
18-03-2021
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
9034275
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Proceskostenveroordeling na intrekking kort geding

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Bewind

locatie Alkmaar

Zaaknr./rolnr.: 9034275 \ KG EXPL 21-16

Uitspraakdatum: 18 maart 2021

Vonnis van de kantonrechter in kort geding in de zaak van:

1 [eiser] , wonende te [woonplaats]

2. [eiser], wonende te [woonplaats]

eisers

verder te noemen: [eisers]

gemachtigde: mr. D.D.M.C. Nolet

tegen

[gedaagde] handelend onder de naam [bedrijfsnaam]

wonende te [woonplaats]

gedaagde

verder te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. M. Verhoog

1 Het procesverloop

1.1.

[eisers] hebben [gedaagde] op 19 februari 2021 gedagvaard voor de mondelinge behandeling op 25 februari 2021.

1.2.

Op 24 februari 2021 hebben [eisers] aan de rechtbank en de gemachtigde van [gedaagde] bericht dat het kort geding geen doorgang behoeft te vinden.

1.3.

[gedaagde] heeft op 24 februari 2021 een verzoek gedaan tot veroordeling van [eisers] in de proceskosten. [eisers] hebben op dat verzoek op 24 februari 2021 gereageerd.

2 De beoordeling

2.1.

Het gaat in deze zaak nog slechts om een beslissing over de kosten van het kort geding.

2.2.

Onder punt 9.1 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken, kanton is, in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, bepaald dat de eisende partij de procedure kan intrekken tot het moment dat de zaak is uitgeroepen, maar dat de aanhangigheid van de procedure niet komt te vervallen, indien de gedaagde partij na intrekking van de procedure tijdig, binnen veertien dagen na de datum waartegen hij was opgeroepen, aan de eisende partij en de kantonrechter meedeelt dat hij een beslissing over de proceskosten wenst.

2.3.

De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] , na de intrekking van de vordering in kort geding door [eisers] , tijdig heeft verzocht om een hoofdelijke proceskostenveroordeling van [eisers] Dit brengt mee dat de aanhangigheid van het kort geding niet is komen te vervallen. Omdat [eisers] hun vordering hebben ingetrokken, hoeft alleen nog te worden beslist op het verzoek van [gedaagde] om een kostenveroordeling.

2.4.

[eisers] hebben eenzijdig het kort geding ingetrokken. Daarom moet [gedaagde] op één lijn worden gesteld met de in het ongelijk gestelde partij als bedoeld in artikel 237 Rv. [eisers] zullen dan ook hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde] .

2.5.

De Hoge Raad heeft in voornoemd arrest van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1087) ook geoordeeld dat ingeval de eiser betwist dat de gedaagde voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt of de hoogte daarvan bestrijdt, het aan de gedaagde is om de kosten waarvan hij vergoeding vordert te specificeren en aannemelijk te maken. In dat verband heeft de Hoge Raad opgemerkt dat het liquidatietarief een regeling bevat voor het geval de eiser het geding intrekt voordat de gedaagde een proceshandeling (kan) verricht(en), welke regeling zich mede leent voor toepassing in kort geding.

2.6.

Hoewel [eisers] hebben betwist dat er proceskosten dienen te worden toegekend, aangezien er aan de zijde van [gedaagde] geen sprake is geweest van feitelijke proceshandelingen, heeft [gedaagde] voldoende aannemelijk gemaakt dat er proceskosten zijn gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Het bericht van intrekking van het kort geding heeft [gedaagde] immers kort voor de mondelinge behandeling (een dag) bereikt.

2.7.

Voor de begroting van de hoogte van het salaris van de gemachtigde van [gedaagde] zal de kantonrechter -overeenkomstig het genoemde arrest van de Hoge Raad- aansluiten bij het liquidatietarief. Uit de dagvaarding valt af te leiden dat het een zaak van relatief eenvoudige aard betreft. Voor een dergelijke procedure wordt het salaris van een advocaat vastgesteld op € 498,00. De kantonrechter zal het salaris in dit geval vaststellen op de helft van dit tarief (€ 249,00), aangezien het tarief is gebaseerd op het voltooien van de procedure, terwijl in dit geval geen zitting heeft plaatsgevonden.

2.8.

Tot slot merkt de kantonrechter nog op dat zij in dit geval geen reden heeft gezien om het geschil over de proceskosten op een zitting te behandelen. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk voldoende kunnen toelichten en die standpunten zijn ook duidelijk. Daarbij komt dat geen van de partijen een gemotiveerd verzoek heeft gedaan om (alsnog) een mondelinge behandeling te laten plaatsvinden.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [eisers] hoofdelijk, in die zin dat als de een betaalt de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 249,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.S. Kiliç en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »