RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummer: 11962909 UM VERZ 25-6735
CJIB-nummer: 266070614
beslissing van de kantonrechter van 11 september 2026 en proces-verbaal van de zitting van 28 augustus 2026
inzake
[betrokkene] , te [postcode] [plaats] , [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: Adviesbureau Skandara.
Procesverloop
Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een administratieve sanctie opgelegd van € 120,00. De sanctie is opgelegd voor een gedraging op 7 mei 2024 om 17:18 uur te Ijsselstein, Boerhaaveweg met de tweewielige brom-/snorfiets/scooter, kenteken [kenteken] . Het gaat om de gedraging: bestuurder of passagier bromfiets draagt geen goedgekeurde/ goed passende/ deugdelijk bevestigde helm.
Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sanctie gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.
Tegen de beslissing van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld om op de zitting van 28 augustus 2026 hun zienswijze nader toe te lichten. Gemachtigde is verschenen. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.
De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en twee weken later uitspraak gedaan.
Standpunten
Betrokkene heeft in het beroepschrift samengevat het volgende aangevoerd:
- de gedraging is niet verricht.
- het opleggen van twee sancties is niet billijk.
- de redelijke termijn is geschonden.
- er bestaat recht op een proceskostenvergoeding.
In aanvulling op het beroepschrift heeft gemachtigde ter zitting een beroep gedaan op schending van het evenredigheidsbeginsel en daarbij verwezen naar de uitspraak ECLI:NL:RBMNE:2026:3707.
De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter gedeeltelijk gegrond is gelet op de schending van de redelijke termijn van berechting. Hiervoor dient het sanctiebedrag te worden gematigd met 25%. Voor het overige stelt hij zich op het standpunt dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is.
Beoordeling
Ten aanzien van de gedraging
De kantonrechter stelt vast dat de gedraging is verricht en overweegt daartoe als volgt.
In zaken op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) biedt de verklaring van de verbalisant (= opsporingsambtenaar, vaak een agent) in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.
De verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht vermeldt: ‘Ik zag dat voornoemd voertuig werd bestuurd. Ik zag dat het voertuig reed op de rechterkant. Ik zag dat de bestuurder in het geheel geen helm droeg. Betrokkene had ook helemaal geen helm bij zich en kon deze dus ook niet opzetten.’
De kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht. Gemachtigde stelt dat de betrokkene wel een helm droeg maar dat deze niet goedgekeurd zou zijn. Dit is niet aannemelijk gemaakt. Daarnaast verklaart de verbalisant dat betrokkene in zijn geheel geen helm droeg en stelt hij dat betrokkene ook geen helm bij zich had. De kantonrechter zal daarom doorslaggevende betekenis toekennen aan de verklaring van de verbalisant. Naar de overtuiging van de kantonrechter is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.
Ten aanzien van de twee sancties
De gemachtigde stelt dat betrokkene tijdens één rit twee sancties heeft ontvangen voor hetzelfde feit en vindt dit onbillijk. De kantonrechter ziet in deze stelling echter geen reden om één van de sancties achterwege te laten of het sanctiebedrag te verlagen. Betrokkene had na de eerste sanctie (17:18 uur) bijvoorbeeld aan iemand kunnen vragen of hij opgehaald kon worden of kunnen lopen met de bromfiets aan de hand. Het feit dat betrokkene na de eerste sanctie zonder helm is blijven rijden en daardoor opnieuw (om 17:36 uur) een sanctie heeft gekregen, komt volledig voor zijn eigen rekening en risico.
Ten aanzien van de evenredigheid van het sanctiebedrag
De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat het boetebedrag van € 120,00 onevenredig hoog is. De kantonrechter overweegt daarover het volgende.
Met ingang van 1 maart 2024 zijn de verkeersboetes die op grond van de Wahv worden opgelegd, verhoogd met (ruim) 10%. De algemene maatregel van bestuur die aan deze verhoging ten grondslag ligt, is door een andere kantonrechter van deze rechtbank getoetst in de uitspraak van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707). In deze uitspraak is geoordeeld dat de verhoging onverbindend is, omdat sprake is van strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
Deze kantonrechter sluit zich aan bij het oordeel uit de uitspraak van 30 juni 2026 en verwijst naar de overwegingen uit die uitspraak. Dat heeft tot gevolg dat de betrokkene slechts een boete had mogen krijgen ter hoogte van het bedrag dat voor deze overtreding gold vóór 1 maart 2024. Het beroep is gedeeltelijk gegrond en de kantonrechter zal de boete alsnog vaststellen op € 100,00.
Ten aanzien van de schending van de redelijke termijn
De kantonrechter stelt vervolgens vast dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden. In lijn met vaste jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verbindt de kantonrechter aan deze constatering de consequentie dat het sanctiebedrag (de hiervoor genoemde € 100,00) wordt gematigd met 25 procent (ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
Ten aanzien van de proceskostenvergoeding
Fase van administratief beroep Voor een vergoeding van de proceskosten in de fase van administratief beroep bestaat geen aanleiding. De verlaging van het sanctiebedrag (als gevolg van schending van het evenredigheidsbeginsel en schending van de redelijke termijn) is immers niet het gevolg van een onrechtmatigheid die te wijten is aan de verbalisant die de sanctie oorspronkelijk heeft opgelegd.
KantonfaseEr bestaat wel aanleiding voor vergoeding van proceskosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de kantonfase. Ter zitting zijntwee zaken behandeld waarin door dezelfde gemachtigde (nagenoeg) dezelfde beroepsgronden zijn aangevoerd.
Naar het oordeel van de kantonrechter wordt in de fase van het beroep bij de kantonrechter ten aanzien van twee zaken voldaan aan de criteria omschreven in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Immers, de twee zaken zijn gelijktijdig behandeld op 28 augustus 2026, bij deze zaken was dezelfde beroepsgemachtigde betrokken en de kantonrechter is van oordeel dat de werkzaamheden in elk van deze zaken nagenoeg identiek waren. Dit blijkt onder andere uit het feit dat de beroepschriften (nagenoeg) identiek zijn en dat gemachtigde op de zitting in beide zaken hetzelfde heeft verklaard. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde bovendien verklaard zich te kunnen vinden in samenhang tussen deze zaken. De zaken met de zaaknummers en CJIB-nummers zoals hieronder vermeld zullen als samenhangende zaken worden aangemerkt voor het bepalen van de proceskostenvergoeding:
-
CJIB-nummer: 266070614, zaaknummer: 11962909 UM VERZ 25-6735
-
CJIB-nummer: 266070622, zaaknummer: 11962899 UM VERZ 25-6732
Ten aanzien van de beroepsprocedure bij de kantonrechter dient 1 punt te worden toegekend voor het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting. De waarde per punt bedraagt € 934,00. Gelet op de aard van de zaak wordt wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
De hoogte van de vergoeding wordt vermenigvuldigd met 0,25, omdat de sanctie wordt gewijzigd en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. Aldus bedraagt de vergoeding voor de in beroep gemaakte proceskosten (2 x € 934,00 x 0,5 x 0,25 =) € 233,50.
Omdat sprake is van minder dan vier samenhangende zaken, zal wegingsfactor 1 worden gehanteerd. De hoogte van de door de officier van justitie te vergoeden proceskostenvergoeding per zaak wordt bepaald door het toe te kennen bedrag te delen door het aantal samenhangende zaken. Aldus bedraagt de proceskostenvergoeding per zaak (233,50 x 1 : 2 =) € 116,75.
De officier van justitie mag de proceskosten uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van betrokkene.
Gelet op het voorgaande beslist de kantonrechter als volgt.
Beslissing
De kantonrechter:
-
verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;
-
wijzigt de beslissing van de officier van justitie;
-
stelt het bedrag van de administratieve sanctie op € 75,00 (exclusief administratiekosten);
-
bepaalt dat de officier van justitie aan betrokkene het te veel betaalde teruggeeft;
-
veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 116,75.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. S.P.F. Verheijen, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 11 september 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
L. Schrijver mr. drs. S.P.F. Verheijen
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
-
de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
-
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum toezending proces-verbaal: