ECLI:NL:RBDHA:2026:30035

Datum uitspraak
09-10-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Zaaknummer
NL24.42504 en NL24.42505
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Asiel Turkije, eiser en eiseres zijn echtgenoten van elkaar en betrokken bij de Gülenbeweging. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank is van oordeel dat wat eiser is overkomen, gekwalificeerd moet worden als ‘rechtstreeks bedreigd met zulke vervolging’ als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening. De minister is daarmee uitgegaan van een verkeerde bewijslast. Ook heeft de minister bij de beoordeling van de politieke overtuiging van eisers een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd, door een zekere mate van terughoudendheid te verwachten. De rechtbank is in het licht van het arrest Quotal van oordeel dat in het geval van eisers een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat zij bij terugkeer naar Turkije strafrechtelijk vervolgd zullen worden inzake Gülenisme. Beroepen gegrond. De rechtbank verwijst de zaken daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL24.42504 en NL24.42505

V-nummers: [v-nummer 1] en [v-nummer 2]

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedag 1] 1960, van Turkse nationaliteit, eiseres

en

[eiser],

geboren op [geboortedag 2] 1960, van Turkse nationaliteit, eiser

gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. J.A. Nijland),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. A.D. Roëll).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen tegen de afwijzing van de asielaanvragen van eisers.

1.1.

Bij besluiten van 23 oktober 2024 heeft de minister de aanvragen van eisers tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Ook heeft de minister terugkeerbesluiten uitgevaardigd.

1.2.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

1.3.

De enkelvoudige kamer heeft de beroepen gevoegd op 5 maart 2025 op zitting behandeld, het onderzoek op de zitting geschorst en de zaken verwezen naar de meervoudige kamer voor verdere behandeling. De minister heeft eisers vervolgens aanvullend gehoord, medische adviezen opgevraagd en op 22 mei 2026 aanvullende besluiten genomen, waarmee de afwijzing van de asielaanvragen blijft gehandhaafd. De besluiten van 23 oktober 2024 en de aanvullende besluiten van 22 mei 2026 worden hierna samen de bestreden besluiten genoemd.

1.4.

Het onderzoek op de zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op

19 augustus 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en hun gemachtigde, de heer [naam 1], zoon van eisers, S. Kefeli als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvragen van eisers heeft mogen afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

3. De rechtbank verklaart de beroepen van eisers gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Asielrelazen

4. Eisers hebben de volgende asielrelazen aan hun aanvragen ten grondslag gelegd. Eiser en eiseres zijn echtgenoten van elkaar. Eiseres is sinds 1999 betrokken bij de Gülenbeweging en nam deel aan activiteiten, onder andere aan sohbets en kermes1. Eiser is lid geworden van de Gülenbeweging vanwege zijn vrouw. Daarnaast waren eisers geabonneerd op de kranten Zaman en Sizinti. Eiseres heeft sinds 2014 een rekening bij de bank Asya en daarop geld gestort op instructie van Fetullah Gülen. Eiser is op

1 februari 2020 verhoord en aangeklaagd vanwege de aanwezigheid van de ByLock-app op zijn telefoon. Toen is ook een uitreisverbod aan hem opgelegd. De strafrechtelijke vervolging is in 2022 geseponeerd omdat geen er geen bewijs was dat eiser gebruik heeft gemaakt van die app. Daarna is ook het uitreisverbod opgeheven. Na de coupepoging op 15 juli 2016 leefden eisers in Turkije een geïsoleerd bestaan. Als men wist of hoorde dat zij betrokken waren bij de Gülenbeweging werd het contact verbroken. Ook heeft eiseres ruzie met haar familie en wordt zij door hen buitengesloten. De broer van eiseres heeft gedreigd haar aan te geven als Gülenist als zij een juridische procedure start over een erfenis. Eisers vermoeden dat zij in de negatieve belangstelling staan van de autoriteiten vanwege het feit dat iemand hen mogelijk zou kunnen aangeven en vanwege het feit dat alle strafzaken heropend kunnen worden in Turkije. Eisers stellen dat de vervolging van hun (schoon)kinderen vanwege hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging een belangrijke risicoverhogende omstandigheid is dat ook eisers zullen worden vervolgd bij terugkeer naar Turkije. Ook vrezen eisers dat dit risico groter is vanwege de bezoeken aan hun schoonzoons in de gevangenis en de financiële steun aan hen. Zoon [naam 1], die in Nederland woont, heeft in 2022 geld naar eisers overgemaakt. Ook dit vergroot het risico op vervolging. Uit voorzorg zijn eisers meerdere keren verhuisd in Turkije en uiteindelijk naar Nederland gevlucht. Eisers zijn in Nederland actief binnen de Gülenbeweging. Zo nemen zij deel aan activiteiten bij organisaties zoals stichting NIDA, stichting Regenboog en stichting Seva.

De besluiten van 23 oktober 2024

5. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; en,

2. De activiteiten van eiseres voor de Gülenbeweging.

5.1.

Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; en,

2. Het lidmaatschap van eiser van de Gülenbeweging en de eerder ervaren problemen.

5.2.

De minister heeft alle asielmotieven geloofwaardig geacht. Op basis van de geloofwaardig geachte gebeurtenissen, het tijdverloop tussen de gebeurtennissen en het vertrek, het feit dat eiseres geen problemen heeft ondervonden, eiser uiteindelijk niet is veroordeeld en de legale uitreis, is volgens de minister geen sprake van een gegronde vrees bij terugkeer. Volgens de minister is niet aannemelijk gemaakt dat eisers in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan. De minister betrekt bij zijn beoordeling dat uit de landeninformatie volgt dat de willekeur en intensiteit van de vervolging van Gülenisten is afgenomen.

Aanvullende besluiten van 22 mei 2026

6. De minister heeft met de aanvullende besluiten de afwijzing van de asielaanvragen van eisers gehandhaafd. In aanvulling op de besluiten van 23 oktober 2024 stelt de minister zich op het standpunt dat eisers de vrees voor vervolging wegens hun politieke overtuiging2 niet aannemelijk hebben gemaakt. Eisers behoren weliswaar tot een risicoprofiel, maar de minister acht de politieke overtuiging van eisers zwak. Bovendien hebben zij in het verleden geen problemen ondervonden vanwege hun activiteiten en konden zij legaal uitreizen. Ook stelt de minister dat de activiteiten die eisers zowel in Turkije als in Nederland hebben verricht voornamelijk van sociale of religieuze aard zijn en geen directe link vertonen met een politieke overtuiging. Van eisers mag daarom verwacht worden dat zij dergelijke activiteiten niet op eenzelfde wijze verrichten bij terugkeer, maar op een manier die geen negatieve aandacht trekt.

6.1.

Door de minister wordt niet gevolgd dat eisers vervolgd zullen worden vanwege hun kinderen. Dat er familieleden van (vermeende) Gülenisten kunnen worden beschuldigd van Gülenisme komt naar voren in het Algemeen Ambtsbericht 2025 van Turkije. Het gaat hier volgens de minister echter met name om familieleden van hooggeplaatste Gülenisten die het risico lopen om de negatieve aandacht te trekken van de Turkse autoriteiten. Dat is niet zo in het geval van eisers.

6.2.

Eisers komen volgens de minister ook niet ambtshalve in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM3. Niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en hun zoon [naam 1]. Daarbij betrekt de minister dat eisers in Turkije al geruime tijd niet meer met hun zoon hebben gewoond. Daarnaast is niet gebleken dat de zoon de gehele dag aanwezig is of moet zijn om zorg aan eisers te verlenen. Ook is gebleken dat eisers familie hebben in Turkije. Niet is gebleken dat de zorg niet door iemand anders zou kunnen worden overgenomen.

Toetsingskader

7. De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van het Hof4 volgt dat de rechter in eerste aanleg bij wie beroep is ingesteld tegen een besluit tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming de bevoegdheid toekomt om de feiten te beoordelen en een eigen, uitputtende en geactualiseerde beoordeling te verrichten van de bij hem aan de orde gestelde feiten.5 Dit houdt ook in dat de rechtbank rekening mag houden met elementen die in beroep naar voren zijn gebracht, maar die in de bestuurlijke fase nog niet beschikbaar waren. In dat geval moet de rechtbank de beslissingsautoriteit in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over deze nieuwe elementen.6 Verder volgt uit de rechtspraak van het Hof dat als de rechtbank van oordeel is dat zij beschikt over alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens, de rechtbank de bevoegdheid heeft om na afloop van een volledig en ex nunc-onderzoek een bindende uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor internationale bescherming. Deze bevoegdheid kan niet worden beperkt.7 Dit betekent dat de rechtbank de bevoegdheid heeft om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het ter staving van het verzoek om internationale bescherming overgelegde relaas, over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht.8

7.1.

Om voor vergunningverlening in aanmerking te komen moet sprake zijn van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. In het arrest Ebilum9 heeft het Hof uiteengezet hoe deze gegronde vrees getoetst moet worden. De beoordeling of de vrees voor vervolging van een verzoeker gegrond is moet op individuele basis worden verricht. In het kader van die beoordeling moet worden vastgesteld of de gebleken omstandigheden een dusdanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd. Deze vaststelling moet berusten op een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden overeenkomstig de regels van met name artikel 4, leden drie tot en met vijf, van de Kwalificatierichtlijn.10 Het derde lid van dit artikel somt alle elementen op waarmee rekening moet worden gehouden. Het vierde lid preciseert dat de omstandigheid dat een vreemdeling in het verleden al is blootgesteld aan vervolging of dat hij rechtstreeks is bedreigd met zulke vervolging, een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van de vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen.11 De beoordeling of sprake is van een gegronde vrees voor vervolging heeft een subjectieve en objectieve kant.12 Bij de beoordeling kan niet louter worden uitgegaan van het subjectieve standpunt van de persoon die om internationale bescherming verzoekt, maar moet een individuele, concrete en objectieve beoordeling worden verricht van de persoonlijke situatie van de verzoeker, de feiten en de omstandigheden van het verzoek en de situatie in het land van herkomst. De vrees voor vervolging moet als bewezen worden beschouwd wanneer er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door verzoeker aangevoerde risico van vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.13

7.2.

Op 12 juni 2026 is het Asiel- en migratiepact ingegaan. Met dit pact zijn diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening.14 De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht.15 Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc-onderzoek moet verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.

Toetsing van de bestreden besluiten

8. Eisers stellen zich op het standpunt dat zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van een reëel risico op vervolging in het licht van de landeninformatie. Eisers stellen daarbij dat zij al in de negatieve belangstellig staan wegens de eerdere vervolging van eiser. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening betekent dit dat de bewijslast verschuift naar de minister en is het aan de minister om aannemelijk te maken dat eiser niet opnieuw zal worden vervolgd. Bovendien menen eisers dat zij een extra risico op vervolging lopen, omdat ten aanzien van hen ook sprake is van andere criteria die leiden tot negatieve aandacht wat voor de Turkse overheid aanleiding kan zijn om hen te vervolgen. Dat eisers geen bewijs kunnen overleggen van een actieve vervolging en legaal zijn uitgereisd, zegt niets over de risico’s bij terugkeer. Eisers menen dat de minister de bekende landeninformatie over Gülenisten in Turkije onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken. Ook heeft de minister onvoldoende bij de beoordeling betrokken dat eisers een diepgeworteld geloof in het gedachtegoed van Fetüllah Gülen hebben en zeer actief betrokken zijn binnen de Gülenbeweging. Daarbij mag niet van eisers worden verwacht dat zij zich bij terugkeer naar Turkije terughoudend opstellen.

8.1.

De rechtbank constateert dat de bestreden besluiten meerdere motiveringsgebreken bevatten en om die reden voor vernietiging in aanmerking komen. De rechtbank stelt hierbij voorop dat tegen eiser eerder een strafproces heeft gelopen waarbij is afgezien van vervolging. De rechtbank overweegt dat het enkele strafrechtelijk aanhouden en verhoren op zichzelf niet onder vervolging valt te scharen als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening. De rechtbank is daarentegen wel van oordeel dat wat eiser is overkomen, gekwalificeerd moet worden als ‘rechtstreeks bedreigd met zulke vervolging’ als bedoeld in artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatieverordening. Eiser is immers op 2 januari 2020 aangehouden en verhoord vanwege de ByLock-app en de strafrechtelijke vervolging is in 2022 geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs. Eiser heeft zodoende twee jaar geleefd onder de dreiging van een strafrechtelijk proces.

8.2.

Een verleden van (bedreiging met) vervolging vormt een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Dit betekent zoals eerder overwogen dat de bewijslast naar de minister verschuift en dat hij moet motiveren waarom blootstelling aan (bedreiging met) vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.16 Uit de besluitvorming volgt echter dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat het eiser is die niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij opnieuw voor vervolging te vrezen heeft. Dit betekent dat de minister een verkeerd toetsingskader heeft gehanteerd.

8.3.

Verder leest de rechtbank in de aanvullende besluiten dat de minister ook bij de beoordeling van de politieke overtuiging van eisers een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd. De minister heeft zich in de besluiten op het standpunt gesteld dat van eisers mag worden verwacht dat zij hun activiteiten niet op eenzelfde wijze zullen verrichten bij terugkeer, maar op een manier die geen negatieve aandacht trekt. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister verduidelijkt dat – omdat geen sprake is van een sterke politieke overtuiging bij eisers – een zekere mate van terughoudendheid mag worden verwacht. De rechtbank overweegt dat deze wijze van beoordeling in strijd is met arrest X, Y en Z17. Hierin heeft het Hof – kort gezegd – geoordeeld dat bij de beoordeling van een asielrelaas niet mag worden betrokken dat een vreemdeling het risico op vervolging kan vermijden door zich bij de invulling van zijn seksuele gerichtheid in zijn land van herkomst terughoudend op te stellen (ook wel de zogenoemde discretie-eis). Dit verbod op de discretie-eis geldt ook bij vervolging vanwege politieke overtuiging.18 De rechtbank vernietigt om deze reden – en in het geval van eiser ook vanwege het onder 8.2 genoemde gebrek – de bestreden besluiten.

Gegronde vrees voor vervolging

9. In het kader van finale geschilbeslechting en in het licht van het arrest Quotal, zal de rechtbank zelf een beoordeling maken over de aannemelijkheid van de vrees voor vervolging of het reële risico op ernstige schade van eisers bij terugkeer naar het land van herkomst alsmede over de gegrondheid van het verzoek, rekening houdend met alle elementen die in de beroepsprocedure naar voren zijn gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in het geval van eisers een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat zij bij terugkeer naar Turkije strafrechtelijk vervolgd zullen worden inzake Gülenisme. De rechtbank zal hieronder uitleggen waarop zij dat oordeel baseert.

9.1.

De rechtbank betrekt hiervoor allereerst de navolgende over Turkije bekende landeninformatie. Volgens het ambtsbericht van 2025 duurde de in het vorige ambtsbericht beschreven situatie, dat de Turkse autoriteiten nog steeds Gülenisten arresteren, maar niet op dezelfde schaal als in de periode vlak na de mislukte couppoging van 15 juli 2016, voort tijdens de verslagperiode van september 2023 tot februari 2025. Vooral Gülenisten in het veiligheids- en justitiële apparaat staan in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten.19 Dat mensen relatief makkelijk konden worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, bleef ongewijzigd. Volgens het ambtsbericht van 2025 omschreef Human Rights Watch de vervolging van Gülenisten als "extreem willekeurig en onvoorspelbaar".20 De willekeurige aard van de vervolging werd ook gemeld door een bron in het ambtsbericht. De intentie van de Turkse overheid om (vermeende) Gülenisten aan te pakken is nog onverminderd groot.21 De Turkse overheid beschouwt de Gülenbeweging als een terroristische organisatie.22

9.2.

Tegen deze achtergrond bezien, overweegt de rechtbank in het geval van eiser, dat uit landeninformatie onder andere volgt dat individuen die eerder een sepot hebben gekregen, dan wel zijn vrijgesproken van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, zoals eiser, in de negatieve belangstelling staan van de Turkse overheid.23 Daarbij volgt verder uit de landeninformatie dat de (negatieve) belangstelling van de Turkse overheid jegens (vermeende) Gülenisten niet per se hoeft op te houden na een veroordeling of beslissing tot niet vervolging. De Finse immigratiedienst schrijft dat meerdere bronnen aangeven dat de Turkse overheid opnieuw kan overgaan tot een strafrechtelijk onderzoek en vervolging van (vermeende) Gülenisten.24 Ook hoogleraar Johan Vande Lanotte beschrijft dat personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de overheid kunnen komen te staan.25 Dit betekent dat het sepot van eiser niet als gevolg heeft dat hij niet meer hoeft te vrezen voor vervolging.

9.3.

Bovendien hebben eisers verschillende omstandigheden naar voren gebracht die ertoe kunnen leiden dat zij al in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staan, dan wel komen te staan. Eisers hebben aangevoerd dat zij vrezen voor vervolging vanwege de betrokkenheid van hun (schoon)kinderen bij de Gülenbeweging. De rechtbank verwijst in dit verband naar een van de uitspraken van de Afdeling26 van 25 maart 202627. Daarin overwoog de Afdeling dat alhoewel het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2023 vermeldt dat ‘met name’ familieleden van hooggeplaatste Gülenisten vervolgd worden, niet is uitgesloten dat ook familieleden van andere Gülenisten een dergelijk risico lopen. De Afdeling wijst in dit verband op het rapport van de Finse Immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’ van juni 2024, waarop eisers ook een beroep hebben gedaan. Daarin staat dat de strafrechtelijke vervolging van familieleden nog steeds willekeurig is, al is die willekeur afgenomen sinds de jaren na de mislukte coup, en dat de autoriteiten zich met name richten op de partners, kinderen en broers en zussen van Gülenisten. De rechtbank overweegt in dit verband dat, afgezien van dochter [naam 2], de drie overige kinderen van eisers betrokken zijn geweest bij de Gülenbeweging en hierom in België of Nederland asiel hebben gekregen. Eisers hebben naar voren gebracht dat hun dochter [naam 3] in Turkije bij decreet is ontslagen en zij asiel heeft gekregen in België. Haar echtgenoot is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf onder verzwarende omstandigheden vanwege zijn functie als officier bij het leger. Zijn zaak behoorde tot de eerste veroordelingen na de mislukte coup en heeft destijds veel publiciteit gekregen. Dochter [naam 4] en haar echtgenoot hebben asiel gekregen in België. De echtgenoot is een voormalig politiecommissaris en zij zijn beiden veroordeeld voor lidmaatschap van een gewapende terroristische Gülenorganisatie. De echtgenoot heeft na de mislukte coup achttien maanden in de gevangenis gezeten. [naam 4] werd veroordeeld vanwege haar band met de Gülenbeweging en haar relatie met haar echtgenoot. Zoon [naam 1] verblijft sinds 2020 in Nederland en was ook actief binnen de Gülenbeweging. Hij is naar dersanes28 geweest, heeft in Gülenhuizen tijdens zijn studie gezeten en had een rekening bij bank Asya. De kinderen van eisers hebben bovendien allemaal op Gülenscholen gezeten. Nu familieleden van Gülenisten volgens het Algemeen Ambtsbericht een risico op vervolging lopen, acht de rechtbank het aannemelijk dat dit risico groter is naarmate meer familieleden binnen eenzelfde gezin al vervolgd zijn voor het zijn van Gülenist, zoals in het geval van eisers.29

9.4.

Ook volgt uit het Algemeen Ambtsbericht 2025 dat de Turkse overheid zich in de loop van de tijd is gaan richten op ‘burgers die (financiële) steun geven aan gevangengezette Gülenisten en/of hun familieleden’. Deze personen worden door de Turkse overheid verdacht van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging.30 Ook hoogleraar Vande Lanotte maakt melding van de verdenking van ‘herstructurering’.31 Hij beschrijft dat sinds enige tijd ook personen die hulp bieden aan gedetineerde Gülenisten in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten en dat zij worden vervolgd op beschuldiging van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. Ook de Finse Immigratiedienst maakt melding van ‘herstructureringsoperaties’, gericht tegen personen die bezig zouden zijn met het herstructureren of opnieuw opbouwen van de Gülenbeweging. Een door de Finse Immigratiedienst gesproken expert geeft aan dat het helpen van een Gülenist die in de gevangenis zit, waarschijnlijk het meest gehanteerde criterium is om een nieuw strafrechtelijk onderzoek te starten.32 Een andere expert geeft aan dat het merendeel van de personen die verdacht worden van herstructurering al eerder onderzocht waren vanwege banden met de Gülenbeweging. Onder deze personen zitten family members of those still in prison as well as those individuals, either in Turkey or abroad, whose sentences have not yet been finalized, their family members and their ‘close circle”.33Eisers hebben verklaard dat zij hun schoonzonen tijdens hun detentie in detentiecentra hebben bezocht. Ter onderbouwing daarvan hebben zij een foto overgelegd waarop zij met een van hun schoonzonen te zien zijn. De rechtbank ziet, anders dan de minister, geen aanleiding om aan deze verklaringen te twijfelen. Het ligt immers voor de hand dat eisers hun schoonzonen in detentiecentra hebben bezocht nu het bezoeken van gedetineerde familieleden die dicht tot je staan, een gebruikelijke gang van zaken is. Helemaal als deze familieleden zijn gedetineerd vanwege gedachtengoed die wordt gedeeld. Evenmin valt in te zien op welke andere wijze, anders dan verklaringen en het overleggen van foto’s, eisers dergelijke bezoeken nader zouden kunnen onderbouwen. Ook heeft eiseres verklaard dat zij sinds 2015 financiële hulp bood aan een van de hiervoor genoemde schoonzoons.34

9.5.

Verder zijn eisers in Nederland actief bij de Gülenbeweging. Ook dit is een omstandigheid die bijdraagt aan de gegronde vrees voor vervolging. Uit het Algemeen Ambtsbericht 2025 volgt dat de strijd van de Turkse autoriteiten tegen de Gülenbeweging zich niet beperkt tot het territorium van Turkije zelf. Het gaat hier niet alleen om hooggeplaatste Gülenisten.35 Eisers hebben zelf ook landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat Gülenisten in Nederland in de gaten worden gehouden. Ook hebben eisers nieuwsartikelen overgelegd waaruit volgt dat de organisaties waar zij bij betrokken zijn – onder andere stichting NIDA en stichting Seva – in Turkije bekend staan als Gülenorganisaties36 en in de negatieve aandacht staan bij de Turkse autoriteiten.

9.6.

Tot slot weegt de rechtbank mee dat eiseres heeft verklaard dat zij sinds 2014 een rekening heeft bij de bank Asya en daarop geld heeft gestort op instructie van Fetullah Gülen. Ook verklaarden eisers dat zij een abonnement hadden op de kranten Zaman en en Sizinti.

9.7.

Dat de minister meent dat de omstandigheid dat eisers legaal zijn uitgereisd, een aanknopingspunt vormt om aan te nemen dat eisers niet in de negatieve belangstelling staan, volgt de rechtbank niet. In het ambtsbericht staat namelijk ook dat de omstandigheid dat tegen iemand een strafrechtelijk onderzoek loopt, niet uitsluit dat die persoon op legale wijze Turkije kan in- en uitreizen.37 In een van de Afdelingsuitspraken van 25 maart 202638 is dit ook benoemd.

9.8.

Alle bovengenoemde omstandigheden vormen naar het oordeel van de rechtbank indicaties dat de kans aanwezig is dat eisers bij terugkeer in Turkije zullen worden aangemerkt als Gülenisten. De rechtbank acht van belang dat eisers door elk van bovengenoemde risico verhogende factoren het risico lopen om te worden aangemerkt als Gülenist en vervolgens te worden blootgesteld aan (bedreiging met) vervolging. Des te meer van deze risico verhogende factoren zich voordoen, des te groter het risico voor eisers uiteindelijk is op (bedreiging met) vervolging. De rechtbank overweegt dat sprake is van een dusdanig groot aantal risico verhogende factoren dat er naar het oordeel van de rechtbank een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door eisers aangevoerde risico van (bedreiging met) vervolging zich zal voordoen bij terugkeer naar Turkije. De rechtbank weegt daarbij mee dat uit de landeninformatie volgt dat de Turkse autoriteiten duidelijk hebben gemaakt dat hun strijd tegen de Gülenbeweging ook na het overlijden van Fethullah Gülen in 2024 onverdroten doorgaat.39 Daarmee hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees voor vervolging hebben.

9.9.

De rechtbank merkt tot slot op dat eisers ook beroepsgronden hebben aangevoerd tegen de beleidswijzigingen van de minister van 1 december 2023 en 1 juli 202440 ten aanzien van Gülenaanhangers en dat deze beleidswijzigingen volgens hen geen stand kunnen houden. De rechtbank merkt ten overvloede op dat deze zittingsplaats over de beleidswijziging van 1 december 2023 op 1 juli 2026 uitspraak heeft gedaan.41 In die uitspraak is geoordeeld dat de beleidswijziging inderdaad geen stand kan houden. Deze beroepsgrond behoeft naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande evenwel geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De beroepen zijn gegrond omdat aan de voorwaarden uit de Kwalificatieverordening voor het toekennen van vluchtelingrechtelijke bescherming is voldaan en uit die verordening volgt dat een status moet worden verleend. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking. Op basis van alle relevante feitelijke en juridische gegevens en na een uitputtende en geactualiseerde beoordeling van de behoefte aan internationale bescherming van eisers, stelt de rechtbank vast dat aan eisers internationale bescherming moet worden verleend als vluchteling. De rechtbank verwijst de zaken daarom terug naar de minister en draagt de minister op om de gevraagde internationale bescherming te verlenen, tenzij er zich feitelijke of juridische gegevens aandienen die objectief een nieuwe geactualiseerde beoordeling vereisen.

11. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank merkt onderhavige zaken aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (een punt voor het indienen van de beroepschriften, een halve punt voor de nadere reacties, een punt voor het deelnemen aan de zitting, en een halve punt voor het deelnemen aan de nadere zitting met een waarde van € 934,- per punt, met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- verwijst de zaken terug naar de minister en draagt de minister op om aan eisers een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling; en,

- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzitter, en mr. L.H. Waller en mr. S.D. Arnold, leden, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »