ECLI:NL:RBMNE:2026:6976

Datum uitspraak
01-10-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12358269 \ UV EXPL 26-213
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Loonvordering bij verstek in kort geding toegewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 12358269 \ UV EXPL 26-213 BJvd/61169

Verstekvonnis in kort geding van 1 oktober 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. D.C. Soetens,

tegen

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te Baarn,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1

De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 12,

- de akte vermindering van eis van [eiser] .

1.2

Op 17 september 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is verschenen de heer [eiser] met zijn gemachtigde mr. D.C. Soetens. Namens [gedaagde] is niemand verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken.

1.3

Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2 De kern van de zaak

2.1

[eiser] werkt voor onbepaalde tijd als senior adviseur subsidies en cofinancieringen bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft het loon van [eiser] gedurende een paar maanden niet betaald. [eiser] vordert in deze procedure betaling van het achterstallige loon plus andere loonbestanddelen. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe.

3 De beoordeling

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen

3.1

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De rechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] een spoedeisend belang heeft. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat hij aanspraak maakt op loon waarvan hij afhankelijk is om zijn kosten van bestaan te betalen.

Tegen [gedaagde] wordt verstek verleend

3.2

De kantonrechter verleent tegen [gedaagde] verstek, omdat de bij de wet voorgeschreven formaliteiten en termijnen voor oproeping van [gedaagde] in acht zijn genomen en [gedaagde] niet in het geding is verschenen. Dit brengt met zich dat kantonrechter de vorderingen van [eiser] beoordeelt op basis van zijn stellingen.

Omdat [gedaagde] door niet te verschijnen, geen verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [eiser] en de gestelde feiten en omstandigheden waarop hij zijn vorderingen baseert, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de stellingen van [eiser] .

3.3

De wet bepaalt dat in een verstekzaak de vordering van de eiser wordt toegewezen, tenzij de rechter de vordering ongegrond of onrechtmatig voorkomt.1 De vorderingen van [eiser] komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en het is daarom aannemelijk dat deze in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. De vorderingen van [eiser] worden als volgt toegewezen.

De vorderingen van [eiser] worden toegewezen

3.4

[eiser] heeft met ingang van 15 juli 2024 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten met [gedaagde] . Zijn laatst geldende bruto uurloon bedraagt € 39,53 exclusief 8% vakantiebijslag. Bij een werkweek van 40 uur komt dit neer op een bruto maandloon van € 6.875,75.

3.5

[eiser] stelt dat [gedaagde] achterstallig loon over de maanden mei tot en met juli 2026 moet betalen, in totaal € 20.627,25 bruto. [eiser] heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij [gedaagde] meermaals heeft aangeschreven om over te gaan tot betaling van zijn achterstallige salaris, maar betaling is uitgebleven. Verder eist [eiser] betaling van:

  • € 6.600,72 bruto aan achterstallige vakantietoeslag;

  • € 12.274,19 bruto aan achterstallige pensioentoeslag over de periode 15 juli 2024 tot en met juli 2026;

dit alles vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Deze vorderingen zullen worden toegewezen. [eiser] stelt dat de wettelijke verhoging tot 24 augustus 2026 € 18.263,71 bedraagt. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging2 van 50% over de gevorderde bedragen te matigen. Het gevorderde bedrag komt de kantonrechte niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal daarom worden toegewezen. De wettelijke verhoging vanaf 24 augustus 2026 en de wettelijke rente over bovengenoemde bedragen worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld. De gevorderde wettelijke verhoging over toekomstige looncomponenten wordt afgewezen, omdat voor toewijzing van de wettelijke verhoging verzuim vereist is.

3.6

[gedaagde] heeft op 26 september 2026 een bedrag van € 7.912,55 netto en € 4.954,85 netto voldaan. [eiser] heeft aangegeven dat dit volgens [gedaagde] de verschuldigde bedragen over mei en juni 2026 zijn. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn eis verminderd, in die zin dat de betaalde bedragen worden afgetrokken van bovengenoemde eis. Omdat [eiser] geen salarisspecificaties van de betaalde bedragen heeft ontvangen en dus niet kan controleren of de betaalde bedragen juist zijn, wordt de eisvermindering zoals gevorderd toegewezen.

3.7

[eiser] wil dat [gedaagde] binnen 48 uur na dit vonnis deugdelijke salarisspecificaties aan hem verstrekt over de maanden mei en juni 2026 en de daaropvolgende maanden, zolang de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. [eiser] eist dat aan deze veroordeling een dwangsom wordt verbonden van € 250,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, met een maximum van € 25.000,00. De kantonrechter zal de vordering en de dwangsom toewijzen, maar matigt de dwangsom op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

3.8

Het door [eiser] gevorderde bedrag van € 1.442,78 netto aan onbetaald gebleven reis- en onkosten over april tot en met juni 2026, plus de wettelijke rente hierover wordt ook toegewezen. Verder moet [gedaagde] zolang de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd het overeengekomen salaris en de pensioentoeslag aan [eiser] betalen.

3.9

[eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is volgens de wet3toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 350,79 voor kosten deurwaardersexploten, € 341,00 voor griffierecht en € 589,00 voor salaris gemachtigde (1,0 punt(en) × € 589,00), totaal € 1.280,79. De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

3.10

[eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van de wet4 en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 1.184,45 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.

3.11

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

155,67

- griffierecht

€

753,00

- salaris gemachtigde

€

577,00

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.629,67

3.12

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, aan [eiser] te betalen het netto equivalent van € 39.502,16 bruto, bestaande uit:

  • het netto equivalent van € 20.627,25 bruto aan achterstallig salaris over mei tot en met juli 2026 ;

  • het netto equivalent van € 6.600,72 bruto aan achterstallige vakantietoeslag;

  • het netto equivalent van € 12.274,19 bruto aan achterstallige pensioentoeslag over de periode 15 juli 2024 tot en met juli 2026;

  • te verminderen met de bedragen (van € 7.912,55 netto en € 4.954,85 netto) die op 16 september 2026 aan [eiser] zijn betaald;

4.2

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over bovengenoemde bedragen, telkens vanaf de datum waarop het betreffende bedrag opeisbaar is geworden tot de dag van volledige betaling,

4.3

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW van € 18.263,71 tot 24 augustus over de in 4.1 genoemde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging over de in 4.1 genoemde bedragen vanaf 24 augustus 2026 tot de dag van volledige betaling,

4.4

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de wettelijke verhoging vanaf de dag waarop de betreffende bedragen opeisbaar zijn geworden tot de dag van volledige betaling,

4.5

veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] te betaling een bedrag van € 1.442,78 netto aan onbetaald gebleven reis- en onkosten over april, mei en juni 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag waarop de bedragen opeisbaar zijn geworden tot de dag van volledige betaling,

4.6

veroordeelt [gedaagde] om, zolang de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is geëindigd, met ingang van augustus 2026 aan [eiser] te betalen:

  • het overeengekomen salaris van € 6.875,75 bruto per maand;

  • de pensioentoeslag van € 500,00 per maand;

telkens uiterlijk op het overeengekomen betalingsmoment, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over iedere termijn die niet tijdig wordt voldaan vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling,

4.7

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.184,45 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

4.8

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.280,79 aan beslagkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,

4.9

veroordeelt [gedaagde] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis aan [eiser] deugdelijke salarisspecificaties te verstrekken over de maanden mei en juni 2026 en de daaropvolgende maanden zolang de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is geëindigd, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 1.000,00 is bereikt,

4.10

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.629,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.11

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.12

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.13

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »