ECLI:NL:RBMNE:2026:6962

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
12287367 \ MC EXPL 26-3451
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Treintje rijden. Vorderingen worden toegewezen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Almere

Zaaknummer: 12287367 \ MC EXPL 26-3451

Vonnis van 30 september 2026

in de zaak van

Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Maastricht,

eisende partij,

hierna te noemen: Q-Park,

gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1

Q-Park heeft [gedaagde] op 17 juni 2026 gedagvaard voor de kantonrechter. Daarbij heeft Q-Park vijf producties meegestuurd. [gedaagde] heeft mondeling op de dagvaarding geantwoord. Daarna is nog een schriftelijke ronde geweest, waarbij Q-Park op het antwoord van [gedaagde] heeft gereageerd (repliek) en [gedaagde] daarop weer mondeling heeft gereageerd (dupliek).

1.2

De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.

2 De kern van de zaak

2.1

[gedaagde] is de kentekenhouder van de auto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto). Volgens Q-Park heeft [gedaagde] een parkeergarage van Q-Park na gebruik verlaten door direct achter een voorganger onder of langs de slagboom te rijden (‘treintje te rijden’).

Q-Park meent dat [gedaagde] hiermee tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst, dan wel dat [gedaagde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd door de parkeergarage te verlaten zonder geldig uitrijkaartje. Q-Park vordert in deze zaak daarom betaling van het parkeergeld en een schadevergoeding, met rente en kosten. [gedaagde] is het niet eens met de vordering. Volgens [gedaagde] was zij niet de bestuurder van de auto. Zij had haar auto aan iemand uitgeleend. Q-Park moet daarom de boete op die bestuurder verhalen.

2.2

De kantonrechter wijst de vorderingen van Q-Park toe. Dit betekent dat [gedaagde] het parkeergeld en de schadevergoeding, met rente en kosten, moet betalen. Hierna wordt dit uitgelegd.

3 De beoordeling

Het uitgangspunt: de kentekenhouder wordt vermoed de bestuurder te zijn

3.1

Q-Park exploiteert en beheert een groot aantal parkeeraccommodaties in Nederland. Q-Park heeft primair aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] in strijd met de parkeerovereenkomst en de toepasselijke algemene voorwaarden heeft gehandeld. De stelplicht en bewijslast van de stelling dat tussen partijen een parkeerovereenkomst tot stand is gekomen, liggen bij Q-Park.1

3.2

Door een parkeergarage van Q-Park binnen te rijden, komt er een overeenkomst tot stand tussen Q-Park en de bestuurder. Dit gebeurde ook op 21 maart 2026 tussen Q-Park en de bestuurder bij de parkeergarage ‘ Amsterdam – Byzantium ’. In beginsel wordt ervan uitgegaan dat de kentekenhouder de bestuurder is geweest toen het ‘treintje rijden’ plaatsvond.

3.3

Op de door Q-Park in het geding gebrachte usb-stick is te zien dat een Volkswagen type Taigo met kenteken [kenteken] genoemde parkeergarage verlaat. Bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer staat dit kenteken op naam van [gedaagde] geregistreerd. Hier geldt dan het rechtsvermoeden dat [gedaagde] de bestuurder is geweest op 21 maart 2026.

[gedaagde] is niet geslaagd in het weerleggen van dit vermoeden

3.4

Het is vervolgens aan [gedaagde] dit vermoeden te weerleggen. [gedaagde] heeft dit naar het oordeel van de kantonrechter niet gedaan. [gedaagde] heeft enkel gesteld dat zij haar auto die dag heeft uitgeleend aan iemand anders ( [A] ) en dat die persoon de bestuurder was. Volgens [gedaagde] heeft zij de gegevens van de gestelde bestuurder aan Q-Park verstrekt. Q-Park heeft daarover gesteld dat dit onvoldoende is om de vordering op de naam van die gestelde bestuurder te doen overgaan. Pas als de gestelde bestuurder zich tot Q-Park wendt en daarbij een verklaring overlegt waaruit blijkt dat hij de auto daadwerkelijk bestuurde, alsmede zijn volledige NAW-gegevens en geboortedatum, kan de vordering op de naam van de gestelde bestuurder worden gezet. Bovendien is het niet mogelijk voor Q-Park om enkel op basis van een naam over te gaan tot dagvaarden en de vordering tegen [gedaagde] in te trekken. Dit is ook zeer onwenselijk omdat anders eenieder een andere persoon kan aanwijzen als de vermeende bestuurder. Als Q-Park dan over zou gaan tot dagvaarden en die aangewezen persoon niet de bestuurder blijkt te zijn geweest, dan wordt Q-Park in de proceskosten veroordeeld maar heeft Q-Park ook een persoon ten onrechte in rechte betrokken. [gedaagde] heeft nog verwezen naar de Whatsappberichten die zij bij dupliek heeft overgelegd, maar dat kan [gedaagde] niet verder helpen. Uit die Whatsappberichten is niet te herleiden met wie zij dat gesprek heeft gevoerd en of zij de auto aan diegene heeft uitgeleend. Ook is uit die Whatsappberichten niet op te maken dat diegene erkent die dag de auto te hebben geleend en de parkeergarage van Q-Park te zijn uitgereden zonder te betalen. [gedaagde] heeft verder geen andere omstandigheden en/of feiten naar voren gebracht die kunnen leiden tot een ander oordeel. Dit maakt dat [gedaagde] naar oordeel van de kantonrechter het rechtsvermoeden dat zij de bestuurder van de auto is geweest, onvoldoende gemotiveerd heeft weerlegd.

3.5

Dit heeft tot gevolg dat er in rechte van wordt uitgegaan dat de betreffende parkeerovereenkomst tot stand is gekomen tussen Q-Park en de kentekenhoudster, [gedaagde] zelf.

3.6

[gedaagde] heeft niets gesteld over het ‘treintje rijden’ en zij heeft ook niet betwist dat dit heeft plaatsgevonden met haar voertuig 21 maart 2026. De door Q-Park aangeleverde beelden zijn zeer duidelijk. Het staat dan ook vast dat dit ‘treintje rijden’ heeft plaatsgevonden.

Ambtshalve toetsing

3.7

De vordering is gebaseerd op een overeenkomst tussen Q-Park (een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf) en [gedaagde] (een consument). Op zo’n overeenkomst zijn consumentenbeschermende bepalingen van toepassing.

3.8

Sommige consumentenbeschermende bepalingen worden zo belangrijk gevonden dat de kantonrechter ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook zonder dat [gedaagde] daar om vraagt) moet beoordelen of die zijn nageleefd. In de regel gaat het er daarbij om of bij het sluiten van de overeenkomst essentiële informatie aan [gedaagde] is verstrekt en of in de gehanteerde algemene voorwaarden bepalingen (‘bedingen’) zijn opgenomen die onredelijk bezwarend zijn voor [gedaagde] . De kantonrechter kan zich daarbij beperken tot die bedingen die verband houden met de ingestelde vordering.

3.9

In deze procedure is de overeenkomst tot stand gekomen doordat het voertuig van [gedaagde] met een voertuig de slagboom bij de ingang van de parkeeraccommodatie is gepasseerd. Uit artikel 6:230h lid 2 onder l van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) blijkt dat op een overeenkomst die op een dergelijke geautomatiseerde manier tot stand komt geen specifieke consumentenbeschermende informatieplichten van toepassing zijn (waarvan de naleving ambtshalve door de kantonrechter zou moeten worden getoetst).

3.10

Op de overeenkomst zijn wel algemene voorwaarden van toepassing, namelijk de door Q-Park gebruikte Algemene Voorwaarden Parkeren, versie 2.2025. Q-Park heeft [gedaagde] daarover geïnformeerd door bij de ingang van de parkeeraccommodatie een informatiebord te plaatsen, waarop zij niet alleen de geldende tarieven heeft vermeld, maar ook een verwijzing naar deze algemene voorwaarden.

3.11

De kantonrechter moet als gezegd ambtshalve beoordelen of de algemene voorwaarden een beding bevatten over de vergoeding van schade als gevolg van het zonder betaling verlaten van een parkeeraccommodatie en zo ja, of dat beding onredelijk bezwarend is. De kantonrechter constateert dat in artikel 5.5 van de algemene voorwaarden inderdaad een beding is opgenomen over het verschuldigde parkeergeld conform het gehanteerde tarief in geval van verloren kaart en over aanvullende schadevergoeding. De kantonrechter vindt dat beding echter niet onredelijk bezwarend. Dat Q-Park naast een vergoeding voor het gederfde parkeertarief een aanvullende schadevergoeding mag vorderen in de vorm van een vast bedrag is niet oneerlijk. Deze vergoedingen zien op verschillende posten, zodat het beding niet tot dubbele vergoedingen zal leiden. Ook de hoogte van de schadevergoeding is niet oneerlijk. Het vaste bedrag van € 395,89 moet namelijk als prikkel tot nakoming (uitrijden nadat er is betaald) worden gezien en mag in dat opzicht voldoende afschrikwekkend zijn om het op onrechtmatige wijze verlaten van de parkeergarage te ontmoedigen. Bovendien staat het in redelijke verhouding tot het belang van Q-Park en dient het voor vergoeding van algemenere schade, zoals onder meer investeringen en werkzaamheden om onrechtmatig verlaten van de parkeergarage te registreren en tegen te gaan. Voor ambtshalve ingrijpen bestaat daarom geen aanleiding.

Het parkeergeld en de schadevergoeding

3.12

Het voorgaande betekent dat de vorderingen tot betaling van het verschuldigde parkeergeld van € 38,65 en de aanvullende schadevergoeding van € 395,89 worden toegewezen.

De rente

3.13

Over de toewijsbare bedragen is [gedaagde] de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd vanaf het moment van verzuim. Dat verzuim is ingetreden op 21 maart 2026, toen [gedaagde] zonder te betalen de parkeergarage verliet. De gevorderde wettelijke rente zal dan ook vanaf die datum worden toegewezen.

De buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente daarover

3.14

Q-Park vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Dat zijn kosten die gemaakt zijn om betaling te krijgen zonder dat de rechter hoeft te worden ingeschakeld. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Q-Park heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom wordt een bedrag van € 65,18 toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen vanaf 17 juni 2026. Dat is de datum van de dagvaarding. Q-Park heeft namelijk niet gesteld dat zij de buitengerechtelijke incassokosten eerder aan haar gemachtigde heeft betaald.

De proceskosten

3.15

[gedaagde] heeft nog gesteld dat zij aan Q-Park verschillende betalingsvoorstellen heeft gedaan, maar Q-Park was hiermee niet akkoord gegaan. Voor zover [gedaagde] hiermee heeft bedoeld dat zij de proceskosten niet hoeft te betalen, gaat de kantonrechter hieraan voorbij. Q-Park is namelijk niet verplicht om akkoord te gaan met een door [gedaagde] gedane betalingsvoorstel. Q-Park staat daarin in vrij.

3.16

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Q-Park worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

127,08

- griffierecht

€

139,00

- salaris gemachtigde

€

174,00

(2 punten × € 87,00)

- nakosten

€

43,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

483,58

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1

veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park tegen bewijs van kwijting te betalen € 434,54 aan parkeergeld en schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 21 maart 2026 tot de voldoening,

4.2

veroordeelt [gedaagde] om aan Q-Park tegen bewijs van kwijting te betalen € 65,18 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 juni 2026 tot de voldoening,

4.3

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 483,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.4

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.5

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

HHt/37278

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »