RECHTBANK Den Haag
Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/699082 / HA ZA 26-142
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
[eiseres] te [woonplaats 1] ,
eiseres,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. S.H.N. de Wijs,
tegen
[gedaagde] handelend onder de naam [handelsnaam] , te [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. W.L. Bouritius.
1 Waar gaat deze zaak over?
Partijen zijn overeengekomen dat [gedaagde] voor [eiseres] een aanbouw aan haar woning en een tuinberging zou bouwen; [gedaagde] heeft niet al het overeengekomen werk uitgevoerd.
In deze procedure vordert [eiseres] in plaats van nakoming van de overeenkomst vervangende schadevergoeding. Daarnaast is volgens [eiseres] sprake van minderwerk, waarvoor zij een vergoeding zou moeten ontvangen. Ook vindt [eiseres] dat [gedaagde] in strijd met het consumentenrecht heeft gehandeld door in de offertes niet te vermelden dat voor de werkzaamheden een btw-tarief van 21% zou gelden. [gedaagde] vindt dat de schade van [eiseres] lager is, omdat [eiseres] nog een deel van de aanneemsom moet betalen. Hij vindt ook dat hij nog een vordering op [eiseres] heeft, omdat [eiseres] ook nog moet betalen voor meerwerk dat [gedaagde] heeft geleverd. Deze vordering wil [gedaagde] met de vorderingen van [eiseres] verrekenen.
In dit vonnis wijst de rechtbank de vorderingen van [eiseres] gedeeltelijk toe. De rechtbank veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 40.169,18, vermeerderd met wettelijke rente en de kosten van deze procedure. Het verrekeningsverweer van [gedaagde] voor meerwerk behandelt de rechtbank niet, omdat deze vordering zich niet eenvoudig laat vaststellen.
2 De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 30 januari 2026 met producties 1 tot en met 14;
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;
- de akte overlegging aanvullende producties tevens houdende vermeerdering van eis van [eiseres] met producties 15 tot en met 17;
- de akte overlegging aanvullende producties van [gedaagde] met producties 7 en 8;
- de door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen;
- een nadere productie van [eiseres] .
Op 6 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Zij hebben vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er – buiten de spreekaantekeningen – is besproken.
3 De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
[eiseres] is eigenaar van een woning in [plaats] (hierna: de woning)
[gedaagde] drijft een eenmanszaak waarin hij onder meer timmer-, metsel- en voegwerk en burgerlijke en utiliteitsbouw verricht.
Op 22 januari 2022 heeft [eiseres] per e-mail bij [gedaagde] een offerte aangevraagd, onder meer voor een aanbouw aan de woning en een tuinberging.
Op 29 maart 2022 heeft [gedaagde] [eiseres] twee offertes gestuurd. In de eerste offerte is onder meer vermeld:
“Betreft: div werkzaamheden aanbouw en schuur zijgevel te [plaats] .
Conform de door u aangeleverde tekeningen, bestek en berekening gemaakt door architecte mw. [architecte] .
(…)
Algemene omschrijving
Afmetingen van de aanbouw aan de zijgevel van de woning zijn circa 2,78 m1 x 6,18 m2
totaal oppervlakte 17,18 m2.
(…)
Sloopwerk
2 x 6m3 container incl transport en stortkosten, bestrating ten behoeve van de fundering. Aanbouw zal door ons verwijderd worden, zijgevel binnen en buitenmuur verwijderen en afvoeren
(…)
Dak en Luifel
Traditioneel platdak opgebouwd met balken van 7,5 x 17,50 mm hard op hard 60 cm
Dakbeplating 18 mm ,dakafwerking onderlaag gespijkerd en toplaag gebrand aangebracht
opstanden branden en afwerken hardhout of massief kunstof delen incl stadsuitloop
Dak wordt geïsoleerd met 14 cm Rockwoolisolatie Rc 4,7m2 K/w.
voorzien van groendak, met sedumbeplanting
Tuinmuur als erfscheiding en als bergingscheiding
Muur word metselwerk met afdekplaat en schuur word metselwerk met afsluitbare deur
Tuinpoort in hardhout delen of Western Red Ceder Afsluitbaar met houten balk
(…)
De Aanneemsom € 91.500,00
Deze prijzen zijn excl B.T.W.”
In de tweede offerte is onder meer vermeld:
“Betreft: Diverse werkzaamheden aan de binnen woning bg grond zoals is aangeven
(…)
Werkzaamheden aan de binnenzijde bg grond
(…)
De vloer ,wanden en plafond in het aangepaste deel bg grond herstellen waar nodig
(…)
Aanneemsom € 15.740,00
Prijzen zijn exclusief B.T.W.”
[eiseres] heeft op 1 juni 2022 beide offertes ondertekend.
[gedaagde] is begonnen met het uitvoeren van de werkzaamheden, maar heeft het werk door ingrijpende persoonlijke omstandigheden meerdere keren stopgezet en weer hervat. [gedaagde] heeft [eiseres] destijds echter niets over zijn situatie verteld; zij wist daardoor niet wat er aan de hand was.
Op 1 september 2023 heeft [eiseres] [gedaagde] een e-mail gestuurd waarin ze hem heeft gesommeerd het werk vóór 15 oktober 2023 af te ronden. Op 4 november 2024 heeft [eiseres] [gedaagde] nog een bericht gestuurd waarin zij hem aanmaande uiterlijk binnen vier weken gebreken te herstellen en het werk op te leveren. [gedaagde] heeft het werk niet afgemaakt of opgeleverd.
Op 13 februari 2025 heeft de advocaat van [eiseres] [gedaagde] een brief geschreven, waarin onder meer het volgende stond:
“Mijn cliënt heeft u ruim voldoende kans geboden tot herstel over te gaan en te komen tot een deugdelijke oplevering. Een reactie van uw zijde is geheel niet gevolgd. Derhalve zullen jegens u rechtsmaatregelen worden getroffen. Namens client wordt primair schadevergoeding ex artikel 6:87 BW gevorderd.”
Op verzoek van [eiseres] heeft [adviesbureau] (hierna: [adviesbureau] ) op 9 mei 2025 een bouwkundige inspectie van het werk van [gedaagde] uitgevoerd en een rapport met bevindingen opgesteld. In het definitieve rapport van 17 november 2025 heeft [adviesbureau] op 27 punten gebreken in het door [gedaagde] uitgevoerde werk geconstateerd. [adviesbureau] begroot de totale herstelkosten op € 36.750. Daarnaast heeft [adviesbureau] vastgesteld dat op zeven punten sprake is van minderwerk, begroot op € 13.000, en op twee punten van meerwerk, begroot op € 3.900.
4 Het geschil
[eiseres] vordert – zakelijk weergegeven en na eisvermeerdering – dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 75.058,87, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 13 februari 2025;
II. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van € 1.281,41 aan buitengerechtelijke incassokosten; en
III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.
[eiseres] legt daar – samengevat – het volgende aan ten grondslag. [eiseres] heeft haar vordering tot nakoming van de overeenkomst omgezet in een vordering tot betaling van vervangende schadevergoeding. Op basis van de 27 gebreken die bij de inspectie door [adviesbureau] zijn vastgesteld, maakt [eiseres] aanspraak op een bedrag van € 36.750 aan vervangende schadevergoeding. Daarnaast is sprake van minderwerk waar [eiseres] aanspraak op kan maken. [adviesbureau] heeft vastgesteld dat het bedrag aan minderwerk € 13.000 is. [eiseres] vordert hiervan € 9.100, omdat zij haar vordering voor € 3.900 heeft verrekend met het meerwerk dat [adviesbureau] in zijn rapport heeft vastgesteld. [eiseres] maakt ook aanspraak op vergoeding van de kosten die zij heeft moeten maken voor het opstellen van het rapport van [adviesbureau] . Tot slot heeft [gedaagde] in de offerte ten onrechte niet de totale prijs inclusief belastingen vermeld. Als sanctie moet de aanneemsom met een bedrag van € 24.417,67 worden verminderd.
[gedaagde] voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten.
[gedaagde] legt daar – samengevat – het volgende aan ten grondslag. Het klopt dat [gedaagde] door persoonlijke omstandigheden de werkzaamheden niet heeft afgemaakt. Een deel van de door [adviesbureau] vastgestelde punten zijn echter geen gebrek en/of de omvang van de herstelkosten is door [adviesbureau] te hoog begroot. Hetzelfde geldt voor een deel van de minderwerkpunten. Daarnaast is de schade van [eiseres] lager dan gevorderd, omdat [eiseres] nog niet de volledige aanneemsom heeft betaald. Daarnaast heeft [gedaagde] nog een vordering op [eiseres] , omdat sprake is van ander meerwerk waar [adviesbureau] in zijn rapport geen rekening mee heeft gehouden. [gedaagde] kan de vorderingen van [eiseres] op hem met zijn vordering op [eiseres] verrekenen. Tot slot klopt het dat in de offerte niet de totale prijs inclusief belastingen is vermeld. Desondanks was voor [eiseres] duidelijk wat de totale aanneemsom zou zijn, zodat geen grond bestaat om deze te verminderen.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Kan [eiseres] aanspraak maken op vervangende schadevergoeding?
[eiseres] maakt aanspraak op vervangende schadevergoeding. [eiseres] kan vervangende schadevergoeding vorderen in plaats van nakoming als aan de volgende vereisten is voldaan: (i) [gedaagde] is in verzuim en (ii) [eiseres] heeft hem schriftelijk meegedeeld dat zij vervangende schadevergoeding in plaats van nakoming vordert.1 Aan beide voorwaarden is in dit geval voldaan.
Ten eerste zijn partijen het erover eens dat [gedaagde] de overeengekomen werkzaamheden door persoonlijke omstandigheden niet heeft afgemaakt. Partijen zijn het er ook over eens dat sprake is van gebreken in het werk van [gedaagde] . [gedaagde] betwist de bevindingen van [adviesbureau] namelijk niet voor de punten 1, 3, 9, 10, 14, 15, 17, 18, 21, 25, 26, 31 en 34 van zijn rapport. Voor die punten staat daarom vast dat [gedaagde] de overeenkomst met [eiseres] niet is nagekomen. [gedaagde] betwist ook niet dat [eiseres] hem in gebreke heeft gesteld en dat hij aan die aanmaning geen gehoor heeft gegeven. Hiermee is [gedaagde] in verzuim geraakt.2
Ten tweede betwist [gedaagde] niet dat [eiseres] hem op 13 februari 2025 heeft meegedeeld vervangende schadevergoeding te vorderen, zodat de vordering van [eiseres] tot nakoming rechtsgeldig is omgezet in een vordering tot vervangende schadevergoeding.
De omvang van de vervangende schadevergoeding
Voor de begroting van de schadevergoeding heeft [eiseres] verwezen naar het rapport van [adviesbureau] , waarin per punt de herstelkosten zijn begroot. Voor de gebreken die niet door [gedaagde] betwist (zie 5.2), heeft [adviesbureau] de herstelkosten begroot op € 15.650. [gedaagde] betwist die begroting niet. [eiseres] kan daarom in elk geval aanspraak maken op € 15.650 aan vervangende schadevergoeding.
[gedaagde] betwist op punten 4, 5, 6, 8, 12, 13, 22, 23, 24, 30, 33 en 36 van het rapport van [adviesbureau] wel dat sprake is van een gebrek of hij betwist de omvang van de herstelkosten die door [adviesbureau] zijn begroot. De rechtbank zal per punt beoordelen of [eiseres] voor die punten recht heeft op vervangende schadevergoeding.
Punten 4, 5 en 6
Met betrekking tot punten 4, 5 en 6 van het rapport van [adviesbureau] stelt [eiseres] dat de poort in de tuin, de stalen pergola en het kozijn en de deur van de tuinberging nog ontbreken. De kosten voor het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn door [adviesbureau] begroot op € 8.550.
[gedaagde] erkent dat deze werkzaamheden nog moeten worden uitgevoerd. [gedaagde] betwist de omvang van de herstelkosten die door [adviesbureau] in zijn rapport zijn begroot, omdat de herstelkosten hem hoog voorkomen.
De rechtbank oordeelt dat [eiseres] ten aanzien van deze punten recht heeft op € 8.550 aan vervangende schadevergoeding. [gedaagde] heeft namelijk niet concreet gemaakt hoeveel deze werkzaamheden volgens hem wel zouden kosten. Ook heeft hij zijn standpunt dat de herstelkosten te hoog zouden zijn niet onderbouwd. [gedaagde] heeft de omvang van de herstelkosten daarom onvoldoende betwist.
Punt 7
Met betrekking tot punt 7 van het rapport van [adviesbureau] stelt [eiseres] dat [gedaagde] het dak van de tuinberging niet heeft geïsoleerd, terwijl hij dat op grond van de overeenkomst wel verplicht was. [eiseres] verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar een passage in de offerte waar staat beschreven dat een dak zal worden geïsoleerd en direct daarna wordt verwezen naar sedumbeplanting (zie 3.4). Volgens [eiseres] blijkt hieruit dat in die passage van de offerte het dak van de tuinberging wordt bedoeld, omdat de sedumbeplanting op het dak van de tuinberging zou komen en niet op het dak van de aanbouw.
[gedaagde] betwist de uitleg van [eiseres] . Volgens hem zag de dakisolatie in de offerte niet op het dak van de tuinberging.
Als partijen het oneens zijn over de inhoud van een overeenkomst, moet de rechter de overeenkomst uitleggen. Bij de uitleg van een overeenkomst komt het aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij daarover redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.3
De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] zo moet worden uitgelegd dat partijen niet zijn overeengekomen dat het dak van de tuinberging zou worden geïsoleerd. [eiseres] heeft ter onderbouwing van haar uitleg namelijk alleen verwezen naar één passage in de offerte. Die passage staat onder het kopje “Dak en Luifel”, terwijl de tuinberging een eigen kopje heeft (zie 3.4). Uit die passage volgt daarom niet dat het dak dat geïsoleerd moet worden, het dak van de tuinberging is. Voor dat oordeel is ook van belang dat eenvoudige tuinbergingen zoals deze, niet standaard worden geïsoleerd. Zo heeft [gedaagde] terecht erop gewezen dat [adviesbureau] in zijn rapport het isoleren van de muren van de tuinberging als meerwerkpost heeft aangemerkt. Zonder nadrukkelijke bepaling waarin stond dat het dak van de tuinberging geïsoleerd zou worden, mocht [eiseres] daarom niet verwachten dat die isolatie was overeengekomen. [eiseres] heeft ten aanzien van dit punt daarom geen recht op vervangende schadevergoeding.
Punt 8
Met betrekking tot punt 8 van het rapport van [adviesbureau] stelt [eiseres] dat het dak van de tuinberging niet waterdicht is en lekt, omdat de opstand van de dakbedekking niet is aangesloten op de gevel van het belendende pand. [gedaagde] heeft volgens [eiseres] ook niet gewaarschuwd dat de tuinberging niet waterdicht zou worden gebouwd. [adviesbureau] schrijft in zijn rapport dat als oplossing een lekdorpel moet worden aangebracht. De kosten daarvoor zijn door [adviesbureau] begroot op € 1.100.
[gedaagde] betwist niet dat hij de tuinberging niet waterdicht heeft gemaakt. Volgens [gedaagde] kon de berging echter niet waterdicht worden gemaakt, omdat niet tegen de muur van het belendende pand gebouwd mocht worden. De herstelkosten zouden daarom niet voor zijn rekening moeten komen.
De rechtbank oordeelt dat [eiseres] ten aanzien van punt 8 recht heeft op € 1.100 aan vervangende schadevergoeding en licht dat als volgt toe.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de tuinberging oorspronkelijk niet naast het belendende pand zou worden gebouwd. Uiteindelijk hebben partijen in overleg besloten dat de tuinberging wel naast het belendende pand zou worden gebouwd. Hiermee zijn partijen afgeweken van de oorspronkelijke afspraak. Dat maakt in dit geval echter niet uit voor de beoordeling van het gebrek. De overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] is namelijk een overeenkomst van aanneming van werk.4 Voor deze overeenkomst geldt dat de aannemer verplicht is te waarschuwen voor onjuistheden in de opdracht als hij deze onjuistheden kende of redelijkerwijs behoorde te kennen.5 Als een gebrek in het werk het gevolg is van een fout in een plan van de opdrachtgever, is de aannemer aansprakelijk voor de gevolgen als hij zijn waarschuwingsplicht met betrekking tot de fout in het plan heeft geschonden.6 In dit geval oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] [eiseres] ervoor had moeten waarschuwen dat de tuinberging in het veranderde plan niet waterdicht gemaakt zou kunnen worden. [gedaagde] stelt dat hij dit wel met [eiseres] heeft besproken; de rechtbank maakt daaruit op dat het oorspronkelijk wel de bedoeling was om de tuinberging waterdicht te maken. [eiseres] betwist echter dat [gedaagde] haar heeft gewaarschuwd en het blijkt nergens uit. [gedaagde] heeft ook niet concreet gemaakt wanneer en hoe hij heeft gewaarschuwd, zodat de rechtbank niet aan bewijslevering toekomt. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat [gedaagde] zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden en aansprakelijk is voor de gevolgen van dit gebrek.
Punt 12
Met betrekking tot punt 12 van het rapport van [adviesbureau] stelt [eiseres] dat [gedaagde] geen vloerconstructie heeft aangelegd in de tuinberging, terwijl hij dat op grond van de overeenkomst wel verplicht was. [eiseres] verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar een bouwtekening waarop de woorden “verharding waterdoorlatend” staan, met daarbij een pijl die naar de tuinberging wijst. [adviesbureau] heeft de kosten voor het plaatsen van een vloer begroot op € 2.000.
[gedaagde] betwist niet dat er geen vloer is geplaatst. [gedaagde] betwist wel de uitleg die [eiseres] geeft aan de overeenkomst. [gedaagde] wijst er daarbij op dat in de offerte niets is opgenomen over een waterdoorlatende verharding.
De rechtbank moet de overeenkomst uitleggen, omdat partijen het niet eens zijn over de inhoud van de overeenkomst (zie 5.11). De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] zo moet worden uitgelegd dat partijen wel zijn overeengekomen dat [gedaagde] een waterdoorlatende verharding zou plaatsen. De offerte noemt namelijk de waterdoorlatende verharding zelf niet, maar de offerte verwijst wel naar de bouwtekeningen. De bouwtekeningen maken duidelijk dat in de tuinberging een waterdoorlatende verharding moet komen. [eiseres] mocht op basis van de verwijzing in de offerte naar de bouwtekeningen verwachten dat [gedaagde] een waterdoorlatende verharding zou plaatsen. Omdat [gedaagde] de hoogte van de kosten van verharding niet inhoudelijk heeft weersproken, heeft [eiseres] voor dit punt recht op € 2.000 aan vervangende schadevergoeding.
Punt 13
Met betrekking tot punt 13 van het rapport van [adviesbureau] stelt [eiseres] dat [gedaagde] geen hemelwaterafvoeren van de aanbouw en de tuinberging heeft aangelegd, terwijl hij dat op grond van de overeenkomst wel verplicht was. [eiseres] stelt dat de hemelwaterafvoeren daarom nog moeten worden geplaatst en aangesloten op de riolering. [adviesbureau] heeft de kosten daarvan begroot op € 2.750.
[gedaagde] betwist niet dat de hemelwaterafvoeren nog geplaatst moeten worden. Volgens [gedaagde] mogen de hemelwaterafvoeren echter niet op de riolering worden aangesloten. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat bij de tuinberging een regenton zou kunnen komen en de hemelwaterafvoer van de aanbouw zou kunnen worden aangesloten op een regengoot. Aangezien de oplossing van [adviesbureau] niet de juiste is, stelt [gedaagde] dat hij niet gehouden is de door [adviesbureau] begrote herstelkosten te betalen.
De rechtbank oordeelt dat [eiseres] ten aanzien van dit punt recht heeft op € 2.750 aan vervangende schadevergoeding. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat de kosten van zijn alternatieve oplossing ongeveer even hoog zijn als de werkwijze die [adviesbureau] in zijn rapport heeft beschreven. Aangezien de oplossingen van [gedaagde] en [adviesbureau] evenveel kosten, hoeft voor de beoordeling van de vordering niet vast komen te staan welke oplossing het meest geschikt is. [eiseres] heeft in beide gevallen namelijk recht op € 2.750 aan vervangende schadevergoeding.
Punt 19
Met betrekking tot punt 19 van het rapport van [adviesbureau] stelt [eiseres] dat [gedaagde] een fout heeft gemaakt bij het aansluiten van een lichtpunt in de tuinkamer. [adviesbureau] heeft de kosten voor het herstel begroot op € 100.
[gedaagde] betwist dat hij of een van zijn onderaannemers de elektra bij [eiseres] heeft uitgevoerd. In de offerte staat volgens [gedaagde] niet beschreven dat hij de elektra bij [eiseres] zou uitvoeren.
De rechtbank oordeelt dat [eiseres] ten aanzien van dit punt geen recht heeft op vervangende schadevergoeding. Vanwege de betwisting van [gedaagde] was het aan [eiseres] om te onderbouwen dat de elektra tot de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] behoorden. In de offerte staat niet dat [gedaagde] verantwoordelijk zou zijn voor de elektra. [eiseres] heeft haar stelling ook niet op een andere manier onderbouwd. Het is daarom niet vast komen te staan dat [gedaagde] verplicht was de elektra uit te voeren. [gedaagde] kan daarom ook niet verplicht zijn schadevergoeding te betalen voor een fout in de elektra.
Punten 22, 23 en 24
Met betrekking tot punten 22, 23 en 24 van het rapport van [adviesbureau] stelt [eiseres] dat de vloerverwarmingsverdeler en het expansievat op een onjuiste plek zijn geplaatst. [adviesbureau] heeft de kosten om de verdeler en het expansievat te verplaatsen begroot op € 950.
[gedaagde] betwist niet dat de verdeler en het expansievat op een onjuiste plek zijn geplaatst. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] echter zelf aan een onderaannemer van [gedaagde] de plek aangewezen waar de verdeler en het expansievat geplaatst zouden moeten worden.
De rechtbank oordeelt dat [eiseres] ten aanzien van dit punt recht heeft op € 950 aan vervangende schadevergoeding. [gedaagde] was verplicht de verdeler en het expansievat op een juiste plek te plaatsen. [eiseres] heeft betwist dat zij de plek heeft aangewezen en het blijkt nergens uit dat zij dat heeft gedaan. De rechtbank gaat er daarom van uit dat [eiseres] niet heeft gekozen voor de plek waarop de verdeler en het expansievat zijn geplaatst. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat, ook in het geval [eiseres] wel de plek zou hebben aangewezen waar de verdeler en het expansievat moesten worden geplaatst, [gedaagde] verplicht zou zijn geweest om [eiseres] te waarschuwen dat zij een onjuiste plek had aangewezen.7 [gedaagde] heeft niet gesteld dat hij [eiseres] hiervoor heeft gewaarschuwd. In beide gevallen – bij verkeerde plaatsing op eigen initiatief en bij schending van zijn waarschuwingsplicht – is [gedaagde] aansprakelijk voor de gevolgen van dit gebrek.8
Punt 30
Met betrekking tot punt 30 van het rapport van [adviesbureau] stelt [eiseres] dat er een gat in het plafond zit waar eerst een leidingkoker doorheen liep. Volgens [eiseres] heeft [gedaagde] de leidingkoker die erin zat verwijderd. Hij moet volgens haar daarom het gat ook dichten. [adviesbureau] heeft de kosten daarvan begroot op € 300.
[gedaagde] betwistte in eerste instantie dat hij verplicht was het gat in het plafond te dichten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft (de advocaat van) [gedaagde] erkend dat het gat nog gedicht moet worden. [eiseres] heeft ten aanzien van dit punt daarom recht op € 300 aan vervangende schadevergoeding.
Punt 33
Met betrekking tot punt 33 van het rapport van [adviesbureau] stelt [eiseres] dat het stucwerk in de woning op bepaalde plekken gebrekkig is. Volgens [eiseres] zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] het stucwerk na de werkzaamheden zou herstellen waar nodig (zie 3.5). Volgens [eiseres] is het stucwerk voor een deel niet onopvallend hersteld, zodat het stucwerk op die plekken opnieuw zal moeten worden uitgevoerd. [adviesbureau] heeft de kosten daarvan begroot op € 1.900.
[gedaagde] betwist niet dat het betreffende stucwerk gebrekkig is. [gedaagde] betwist wel dat het betreffende stucwerk onderdeel was van de overeenkomst met [eiseres] . [gedaagde] erkent dat partijen zijn overeengekomen dat het stucwerk waar nodig zou worden hersteld. [gedaagde] heeft toegelicht dat zijn onderaannemer bij [eiseres] is langs geweest om dit herstel uit te voeren. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] die onderaannemer echter opdracht gegeven ook op andere plekken opnieuw te stuken. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat [eiseres] geen vervangende schadevergoeding kan vorderen voor gebrekkig stucwerk dat buiten de overeenkomst van [eiseres] en [gedaagde] valt. [gedaagde] betwist ook de omvang van de herstelkosten die door [adviesbureau] zijn begroot, omdat de herstelkosten volgens hem aan de hoge kant zijn.
De rechtbank oordeelt dat [eiseres] ten aanzien van dit punt recht heeft op € 1.900 aan vervangende schadevergoeding. De rechtbank licht dit als volgt toe.
[eiseres] heeft haar stelling onderbouwd met het rapport van [adviesbureau] . Uit dit rapport volgt dat het gebrekkige stucwerk waarvan [eiseres] nu vervangende schadevergoeding vordert, behoorde tot het in de overeenkomst bedoelde stucwerk op de begane grond dat [gedaagde] zou herstellen. [gedaagde] betwist dit, zonder zijn betwisting te onderbouwen of concreet te maken. Gelet op de onderbouwde stelling van [eiseres] , had [gedaagde] zijn betwisting ook concreet moeten onderbouwen. Aangezien hij dit niet heeft gedaan, gaat de rechtbank gaat ervan uit dat het gebrekkige stucwerk tot het overeengekomen werk behoorde.
[eiseres] heeft recht op vervangende schadevergoeding voor dat gebrekkige stucwerk. Voor de omvang van de vervangende schadevergoeding sluit de rechtbank aan bij de begroting van de herstelkosten in het rapport van [adviesbureau] . [gedaagde] heeft zijn standpunt dat de herstelkosten te hoog zijn namelijk niet geconcretiseerd.
Punt 36
Punt 36 van het rapport van [adviesbureau] betreft een gevel van de tuinberging aan de zijde van de buren. [eiseres] stelt dat deze niet is gevoegd. [adviesbureau] heeft de kosten voor het voegen van de gevel begroot op € 750.
[gedaagde] betwist niet dat de gevel van de tuinberging niet is gevoegd. Volgens [gedaagde] was het voor hem niet mogelijk om de gevel te voegen, omdat [gedaagde] die werkzaamheden vanaf het perceel van de buren moest uitvoeren. De buren hadden echter geen toestemming gegeven om vanuit hun perceel de gevel te voegen.
De rechtbank oordeelt dat [eiseres] voor dit punt recht heeft op € 750 aan vervangende schadevergoeding, om de volgende redenen.
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het oorspronkelijk de bedoeling was dat de gemetselde muur van de tuinberging een hekwerk op de erfgrens met de buren zou vervangen. Uiteindelijk hebben partijen in overleg besloten dat de muur van de tuinberging naast het hekwerk gemetseld zou worden. De gedachte hierachter was om gedoe met de buren te vermijden door het werk op het perceel van [eiseres] uit te voeren. Hoewel partijen dus zijn afgeweken van de oorspronkelijk afspraak, maakt dat in dit geval niet uit voor de beoordeling van het gebrek. [gedaagde] was namelijk verplicht [eiseres] ervoor te waarschuwen dat de muur aan de kant van de buren in het veranderde plan niet gevoegd zou kunnen worden zonder toestemming van de buren.9 [gedaagde] heeft tijdens de zitting gesteld dat hij dit ook met [eiseres] heeft besproken, maar [eiseres] betwist dat en het blijkt nergens uit. Nu [gedaagde] pas tijdens de zitting heeft gezegd dat hij heeft gewaarschuwd maar ook na vragen van de rechter niet concreter heeft kunnen aangeven wanneer en met welke bewoordingen hij dit heeft gedaan, gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij. Omdat [gedaagde] zijn waarschuwingsplicht heeft geschonden, is hij aansprakelijk voor de gevolgen van dit gebrek.10
Tussenconclusie
[eiseres] heeft op grond van het voorgaande recht op (€ 8.550 + € 1.100 + € 2.000 + € 2.750 + € 950 + € 300 + € 1.900 + € 750 =) € 18.300 aan vervangende schadevergoeding voor de betwiste gebreken. Samen met de vordering uit vervangende schadevergoeding van € 15.650 voor de niet-betwiste gebreken (zie 5.4), heeft [eiseres] in totaal dus recht op € 33.950 aan vervangende schadevergoeding voor de gebreken.
Onbetaalde aanneemsom
[gedaagde] stelt daarnaast dat [eiseres] een deel van de aanneemsom nog niet heeft betaald. Volgens [gedaagde] heeft [eiseres] € 22.504,91 van de aanneemsom van € 129.760,40 nog niet betaald.
De rechtbank begrijpt dit verweer zo dat [eiseres] volgens [gedaagde] geen schade lijdt voor het deel van het niet-uitgevoerde werk waarvoor zij niet heeft betaald.
De rechtbank zal € 7.672,02 in mindering brengen op de vordering van [eiseres] uit vervangende schadevergoeding, en wel om de volgende redenen.
Iemand die aanspraak maakt op vervangende schadevergoeding blijft verplicht om diens eigen verplichtingen onder de overeenkomst na te komen.11 Bij de berekening van de vervangende schadevergoeding gaat de rechtbank er dus vanuit dat [eiseres] bij juiste nakoming verplicht was om [gedaagde] de volledige aanneemsom te betalen.
[eiseres] betwist niet dat partijen een aanneemsom van € 129.760,40 zijn overeengekomen. Verder staat tussen partijen vast dat [eiseres] € 83.350,89 rechtstreeks aan [gedaagde] heeft betaald en dat [eiseres] daarnaast nog € 23.904,60 heeft betaald aan onderaannemers van [gedaagde] . Partijen hebben toegelicht dat zij hadden afgesproken dat [eiseres] rechtstreeks aan onderaannemers van [gedaagde] mocht betalen vanwege de slechte financiële positie waarin [gedaagde] op dat moment verkeerde.
[eiseres] stelt dat zij, naast de betalingen waar partijen het over eens zijn, nog een bedrag van € 14.832,89 aan onderaannemers van [gedaagde] heeft betaald. [eiseres] heeft deze betalingen onderbouwd met stukken. Volgens [eiseres] gelden deze betalingen aan de onderaannemers van [gedaagde] als betalingen onder de overeenkomst tussen partijen.
[gedaagde] betwist niet dat [eiseres] ook deze betalingen aan zijn onderaannemers heeft gedaan, maar volgens hem zien die betalingen op extra werkzaamheden die [eiseres] buiten [gedaagde] om met de betreffende onderaannemers is overeengekomen. Betalingen voor extra werkzaamheden kunnen niet gelden als betalingen onder de aanneemovereenkomst.
De rechtbank oordeelt dat ook deze € 14.832,89 die [eiseres] aan de onderaannemers van [gedaagde] heeft betaald, geldt als bevrijdende betaling van (dat deel van) de aanneemsom. De rechtbank licht dat als volgt toe.
Op grond van de aannemingsovereenkomst was [gedaagde] als aannemer verplicht om het werk van de onderaannemers die hij inschakelde te coördineren. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij ervan uitging dat de onderaannemers die in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden bij haar kwamen uitvoeren, van [gedaagde] hadden gehoord wat zij moesten doen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] toegegeven dat hij niet altijd goed toezicht heeft gehouden op het werk van zijn onderaannemers. Onder deze omstandigheden is het aan [gedaagde] om nader te onderbouwen dat [eiseres] aanvullende werkzaamheden is overeengekomen met de onderaannemers van [gedaagde] . [gedaagde] heeft deze stelling echter ook na vragen van de rechtbank niet geconcretiseerd.
Het voorgaande betekent dat [eiseres] in totaal (€ 83.350,89 + € 23.904,60 + € 14.832,89 =) € 122.088,38 van de aanneemsom heeft betaald, zodat (€ 129.760,40 - € 122.088,38 =) € 7.672,02 onbetaald is gebleven. Voor dat bedrag komt [eiseres] dus geen vervangende schadevergoeding toe.
Conclusie vervangende schadevergoeding
Aangezien [eiseres] voor de gebreken recht zou hebben op € 33.950 aan vervangende schadevergoeding (zie 5.36), komt de schade van [eiseres] na aftrek va de onbetaalde aanneemsom op een bedrag van (€ 33.950 - € 7.672,02 =) € 26.277,98.
Kan [eiseres] aanspraak maken op een vergoeding van minderwerk?
[eiseres] maakt aanspraak op betaling van een vergoeding voor minderwerk. De rechtbank begrijpt dat het bij deze vordering gaat om prestaties die oorspronkelijk wel waren overeengekomen, maar uiteindelijk in overleg niet zijn uitgevoerd. [eiseres] stelt dat zij in dat geval aanspraak kan maken op terugbetaling van de waarde van die prestaties. Volgens [eiseres] is sprake van € 13.000 aan minderwerk. Zij onderbouwt dit met het rapport van [adviesbureau] , waarin [adviesbureau] heeft vastgesteld dat op zeven punten sprake is van minderwerk.
[gedaagde] betwist niet dat [eiseres] aanspraak kan maken op minderwerk, als overeengekomen werkzaamheden uiteindelijk in overleg niet zijn uitgevoerd. [gedaagde] betwist ook niet het uitgangspunt van [eiseres] dat zij in dat geval aanspraak kan maken op terugbetaling van de bruto waarde van de prestatie. [gedaagde] betwist verder niet de bevindingen van [adviesbureau] voor de punten A, B en C van zijn rapport. Daarom staat vast dat [eiseres] in elk geval recht heeft op betaling van € 7.500 aan minderwerk.
[gedaagde] betwist op punten F, H, I en J van het rapport van [adviesbureau] wel dat sprake is van minderwerk of hij betwist de omvang van de waarde van het minderwerk.
Punt F
Met betrekking tot punt F van het rapport van [adviesbureau] stelt [eiseres] dat oorspronkelijk was overeengekomen dat [gedaagde] het keukenblok zou plaatsen, maar dat [gedaagde] het keukenblok na overleg uiteindelijk niet heeft geplaatst. [adviesbureau] heeft de prijs van deze werkzaamheden begroot op € 1.350.
[gedaagde] betwist niet dat op dit punt sprake is van minderwerk. [gedaagde] betwist wel de omvang van deze minderwerkpost. Volgens [gedaagde] zou oorspronkelijk een kleiner keukenblok worden geplaatst dan uiteindelijk is gebeurd. De overeengekomen prijs was daarom lager dan het bedrag dat door [adviesbureau] is begroot. Deze minderwerkpost zou volgens [gedaagde] daarom € 360 moeten bedragen.
De rechtbank zal voor punt F € 1.350 aan minderwerk rekenen. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat de geplaatste keuken dezelfde afmetingen had als gepland. Het is daarom aan [gedaagde] om zijn standpunt dat het geplaatste keukenblok groter was, nader te onderbouwen. [gedaagde] heeft dat niet gedaan. [gedaagde] heeft daarmee de omvang van het minderwerk onvoldoende betwist.
Punt H
Met betrekking tot punt H van het rapport van [adviesbureau] stelt [eiseres] dat oorspronkelijk was overeengekomen dat [gedaagde] een luik in de voordeur zou plaatsen, maar dat het luik na overleg uiteindelijk niet door hem is geplaatst. [adviesbureau] heeft de prijs van deze werkzaamheden begroot op € 1.200.
[gedaagde] betwist niet dat op dit punt sprake is van minderwerk. [gedaagde] betwist wel de omvang van deze minderwerkpost. Voor het bedrag van € 1.200 kan volgens [gedaagde] een geheel nieuwe deur met luik worden geleverd.
De rechtbank zal voor punt H € 1.200 aan minderwerk rekenen. [eiseres] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht waarom de kosten voor het aanbrengen van een luik zo hoog zijn: het aanbrengen van een luik in een bestaande deur is maatwerk, terwijl een luik dat tegelijk met de deur wordt besteld standaard kan worden meegeproduceerd. [gedaagde] heeft niets tegenover deze toelichting gesteld, zodat hij de omvang van dit minderwerk onvoldoende heeft betwist.
Punt I
Met betrekking tot punt I van het rapport van [adviesbureau] stelt [eiseres] dat oorspronkelijk was overeengekomen dat [gedaagde] de bestrating in de tuin zou verwijderen, maar dat dit na overleg uiteindelijk niet is gebeurd. [adviesbureau] heeft de prijs van deze werkzaamheden begroot op € 2.400.
[gedaagde] betwist niet dat hij geen bestrating in de tuin heeft verwijderd. [gedaagde] betwist echter wel dat oorspronkelijk was overeengekomen dat [gedaagde] dat zou doen. Volgens [gedaagde] staat in de offerte weliswaar dat hij de bestrating zou verwijderen, maar was de offerte op dit punt verkeerd verwoord. Volgens [gedaagde] had in plaats daarvan in de offerte moeten staan dat een gevel van de woning van [eiseres] zou worden verwijderd en afgevoerd.
De rechtbank moet de overeenkomst uitleggen, omdat partijen het niet eens zijn over de inhoud van de overeenkomst (zie 5.11). De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] zo moet worden uitgelegd dat partijen zijn overeengekomen dat de bestrating in de tuin zou worden verwijderd. [eiseres] kon namelijk niet weten dat [gedaagde] de offerte op dit punt verkeerd had verwoord; zij mocht daarom afgaan op de letterlijke betekenis van de bewoordingen, dus dat [gedaagde] de bestrating zou verwijderen. Aangezien in de tuin uiteindelijk geen bestrating is verwijderd, is sprake van minderwerk. [gedaagde] heeft de prijs van het minderwerk niet betwist, zodat de rechtbank voor dit punt € 2.400 aan minderwerk zal rekenen.
Punt J
Met betrekking tot punt J van het rapport van [adviesbureau] stelt [eiseres] dat oorspronkelijk was overeengekomen dat [gedaagde] de kruipruimte zou ontluchten, maar dat dit na overleg uiteindelijk niet is gebeurd. [adviesbureau] heeft de prijs van deze werkzaamheden begroot op € 550.
[gedaagde] betwist niet dat op dit punt sprake is van minderwerk. [gedaagde] betwist wel de omvang van deze minderwerkpost. Volgens [gedaagde] is de prijs van het ontluchten slechts € 100.
De rechtbank zal voor punt J € 550 aan minderwerk rekenen. [gedaagde] heeft zijn standpunt dat de herstelkosten te hoog zijn niet geconcretiseerd; ook deze post is daarom onvoldoende betwist.
Tussenconclusie
Op grond van het voorgaande is sprake van (€ 1.350 + € 1.200 + € 2.400 + € 550 =) € 5.500 aan minderwerk voor de betwiste posten. Samen met de € 7.500 aan minderwerk die niet is weersproken (zie 5.47), komt het totale minderwerk uit op € 13.000.
[adviesbureau] heeft in zijn rapport ook geconcludeerd dat [gedaagde] op twee punten meerwerk heeft geleverd, voor een prijs van € 3.900. [eiseres] heeft haar vordering uit minderwerk verrekend met die vordering van [gedaagde] uit meerwerk.12 [gedaagde] heeft dit niet betwist. Na de verrekening heeft [eiseres] dus nog een vordering uit minderwerk van € 9.100, wat overeenkomt met wat [eiseres] in deze procedure vordert.
Heeft [gedaagde] een vordering die hij kan verrekenen met de vorderingen van [eiseres] ?
Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] vorderingen uit vervangende schadevergoeding en minderwerk heeft. [gedaagde] stelt dat hij ook vorderingen op [eiseres] heeft, op grond van meerwerk en op grond van de aanneemovereenkomst (het deel van de aanneemsom dat [eiseres] nog moet betalen). [gedaagde] wil die vorderingen verrekenen met (een deel van) de vorderingen van [eiseres] .
Meerwerk
In de conclusie van antwoord heeft [gedaagde] gesteld dat hij op negentien punten meerwerk heeft geleverd, voor een totale prijs van € 27.444,60. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] dit verrekeningsverweer op twee punten (punten 14 en 16) ingetrokken, omdat [eiseres] die meerwerkposten zelf al had verrekend (zie 5.62). [eiseres] betwist op de resterende punten dat sprake is van meerwerk.
De rechtbank zal het verrekeningsverweer van [gedaagde] passeren op grond van artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek, omdat het niet eenvoudig is om vast te stellen of [gedaagde] een vordering heeft die hij kan verrekenen.
Om te kunnen vaststellen of [gedaagde] een vordering op grond van meerwerk heeft, is namelijk nog een uitgebreid partijdebat en mogelijk ook nadere bewijslevering nodig. [gedaagde] heeft geen vordering in reconventie ingesteld en hij heeft de rechtbank en [eiseres] bijzonder weinig handvatten gegeven om het debat over het meerwerk goed te voeren. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding om deze procedure verder te belasten met een debat over de beweerde tegenvordering.
De rechtbank zal de vorderingen van [eiseres] daarom toewijzen zonder rekening te houden met dit verrekeningsverweer van [gedaagde] .
Moet de aanneemsom worden verminderd omdat [gedaagde] in de offerte niet de totale prijs inclusief belastingen heeft vermeld?
Volgens [eiseres] is in de offertes van [gedaagde] niet de totale prijs inclusief alle belastingen weergegeven. Dit is volgens [eiseres] in strijd met de informatieverplichtingen van [gedaagde] . [eiseres] vordert daarom prijsvermindering dan wel schadevergoeding
De rechtbank zal deze vordering afwijzen en licht dit als volgt toe.
De overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] kwalificeert als een overeenkomst tussen een handelaar en consument, waarop de regels van Afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn.13 De overeenkomst valt niet onder de uitzondering voor ingrijpende verbouwingen in artikel 6:230h, eerste lid, aanhef en onder g, van het Burgerlijk Wetboek omdat onder een ingrijpende verbouwing een verbouwing wordt verstaan die “vergelijkbaar is met het bouwen van een nieuw gebouw, bijvoorbeeld wanneer alleen de gevel van een oud gebouw bewaard blijft. Dienstenovereenkomsten, in het bijzonder deze betreffende het oprichten van aanbouwen (bijvoorbeeld een garage of een veranda) en betreffende andere herstel- en renovatiewerkzaamheden aan gebouwen dan grondige verbouwingen dienen te vallen onder deze richtlijn (…).”14 In het bijzonder gaat het in dit geval om een overeenkomst op afstand.15
Op grond van artikel 6:230m, eerste lid, aanhef en onder e, van het Burgerlijk Wetboek was [gedaagde] verplicht op duidelijke en begrijpelijke wijze aan [eiseres] de totale prijs van zijn diensten te verstrekken, met inbegrip van alle belastingen. Uit artikel 6:230v, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek volgt dat [gedaagde] verplicht was aan zijn informatieverplichting te voldoen op een manier die past bij de gebruikte communicatiemiddelen en in duidelijke en begrijpelijke taal.
Op grond van artikel 6:193d van het Burgerlijk Wetboek in combinatie met artikel 6:193e, eerste lid, aanhef en onder c, van het Burgerlijk Wetboek geldt ook een verplichting voor handelaars om aan consumenten de prijs, inclusief belastingen, te verstrekken. Echter, op het moment dat de informatieverplichtingen in artikel 6:230m van het Burgerlijk Wetboek en artikel 6:193d van het Burgerlijk Wetboek met elkaar samenlopen, gaan de informatieverplichtingen in artikel 6:230m van het Burgerlijk Wetboek voor.16 De rechtbank zal de vordering van [eiseres] daarom alleen beoordelen aan hand van de artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde] zijn verplichtingen op grond van de artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek niet volledig is nagekomen. Het zou namelijk voor de gebruikte communicatiemiddelen in dit geval passend zijn geweest als [gedaagde] in de offertes de totale prijs inclusief belastingen zou hebben genoemd. [gedaagde] heeft dat niet gedaan.
Nu vaststaat dat [gedaagde] zijn informatieverplichting op dit punt heeft geschonden, moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de rechtbank voor die schending een sanctie moet opleggen. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is, en wel om de volgende redenen.
De artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek zijn ingevoerd om de richtlijn consumentenrechten17 te implementeren. De richtlijn consumentenrechten laat de sanctie voor een schending van een essentiële informatieverplichting, zoals een schending van artikel 6:230m, eerste lid, aanhef en onder e, van het Burgerlijk Wetboek,18 over aan het nationale recht. De richtlijn consumentenrechten stelt in artikel 24 wel de eis dat sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Uit dit vereiste volgt dat de rechtbank gehouden kan zijn de overeenkomst (gedeeltelijk) te vernietigen als sprake is van een voldoende ernstige schending van een essentiële informatieverplichting.19 Van een voldoende ernstige schending is bijvoorbeeld geen sprake als een essentiële informatieverplichting slechts op een detailpunt niet is nagekomen.
De rechtbank oordeelt dat in dit geval geen sprake is van een voldoende ernstige schending van een essentiële informatieverplichting. Ten eerste heeft [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij telkens met [eiseres] heeft besproken dat de vermelde prijs exclusief btw was. [gedaagde] heeft daarnaast toegelicht dat [eiseres] zich er ook van bewust was dat de in de offerte vermelde prijs nog met 21% btw vermeerderd zou worden. [gedaagde] heeft deze stelling onderbouwd door erop te wijzen dat in de offerte duidelijk stond dat de genoemde prijs exclusief btw was. Daarnaast ontving [eiseres] op de dag dat zij de offertes ondertekende gelijk de eerste factuur, waar een prijs inclusief 21% btw werd genoemd. [eiseres] heeft daar volgens [gedaagde] geen opmerkingen over gemaakt. Tot slot blijkt volgens [gedaagde] dat [eiseres] zich bewust was van de totale prijs omdat zij in totaal € 122.088,38 heeft betaald voor de opdracht, terwijl in de offertes een aanneemsom van € 107.240 exclusief btw werd genoemd. Volgens [gedaagde] kende [eiseres] dus wel degelijk de totale prijs inclusief belastingen.
[eiseres] heeft geen van deze feiten betwist. [eiseres] heeft ook niet weersproken dat zij snapte dat de genoemde prijs exclusief btw was. Als [eiseres] verrast was geweest over de hoogte van het bedrag dat zij direct na ondertekening van de offerte moest betalen, had het voor de hand gelegen dat zij daar vragen over had gesteld. Zij heeft echter geen vragen gesteld over de facturen – niet na de eerste, maar ook niet na latere facturen. Gelet op het voorgaande staat vast dat [eiseres] de totale prijs inclusief belastingen wel kende, ook al werd deze, in strijd met de artikelen 6:230m en 6:230v van het Burgerlijk Wetboek, niet in de offerte genoemd. De rechtbank vindt dat onder deze omstandigheden gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] geen evenredige sanctie is. De rechtbank laat de overeengekomen prijs daarom in stand. De rechtbank vindt ook niet dat een andere sanctie aan [gedaagde] zou moeten worden opgelegd, omdat het [eiseres] op grond van de informatie die [gedaagde] haar had verstrekt kennelijk steeds duidelijk is geweest dat zij btw moest betalen, en hoeveel.
Deskundigenkosten
[eiseres] vordert ook vergoeding van € 4.791,02 voor de kosten die zij heeft moeten maken voor het bouwkundig onderzoek en het rapport van [adviesbureau] . Zij heeft de vordering onderbouwd met de factuur van [adviesbureau] die zij heeft betaald. [gedaagde] heeft op dit punt geen verweer gevoerd.
De rechtbank zal deze vordering toewijzen. Op grond van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek komen redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als schade voor vergoeding in aanmerking. Daar is in dit geval sprake van.
Slotsom
Uit het voorgaande volgt dat [eiseres] een totale vordering heeft van (€ 26.277,98 + € 9.100 + € 4.791,02 =) € 40.169,18. De rechtbank zal [gedaagde] veroordelen tot betaling van dat bedrag.
Wettelijke rente
[eiseres] vordert dat [gedaagde] wettelijke rente over haar vorderingen moet betalen, met ingang vanaf 13 februari 2025. Voor de beoordeling van die vordering geldt het volgende. Op grond van artikel 6:119, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek moet [gedaagde] wettelijke rente betalen wanneer hij in verzuim is met het betalen van een geldsom. De rechtbank moet daarom beoordelen wanneer [gedaagde] in verzuim is geraakt met het betalen van zijn schuld aan [eiseres] .
Voor de vordering van [eiseres] uit vervangende schadevergoeding geldt dat [gedaagde] direct in verzuim is geraakt toen de vordering tot vervangende schadevergoeding ontstond.20 De vordering uit vervangende schadevergoeding ontstond op het moment van omzetting op 13 februari 2025, zodat [gedaagde] vanaf dat moment wettelijke rente over de vervangende schadevergoeding moet betalen.
De gevorderde rente over de vorderingen uit minderwerk en de kosten voor het rapport van [adviesbureau] kunnen slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. [eiseres] heeft namelijk niet toegelicht waarom de rente met ingang van de gevorderde ingangsdatum verschuldigd is. Over die vorderingen moet [gedaagde] dus vanaf 30 januari 2026 wettelijke rente betalen.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] wettelijke rente moet betalen: over een bedrag van € 26.277,98 (€ 33.950 - € 7.672,02) vanaf 13 februari 2025, en over een bedrag van € 13.891,20 (€ 9.100 + € 4.791,02) vanaf 30 januari 2026.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvorderingen vallen niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Uit de door [eiseres] gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [eiseres] vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
157,83 |
|
|
- griffierecht |
€ |
1.414,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
2.580,00 |
(2 punten × € 1.290,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
4.340,83 |
6 De beslissing
De rechtbank:
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 40.169,18, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:
- het bedrag van € 26.277,98, met ingang van 13 februari 2025,- het bedrag van € 13.891,20,met ingang van 30 januari 2026,telkens tot de dag waarop volledig is betaald,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.340,83, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. C.J-A. Seinen en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026. |
3669