RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/604232 / HA ZA 25-629
Vonnis in incident van 30 september 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
te [plaats] , [postcode] (Verenigde Staten),
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. G.C. Vergouwen,
tegen
1 [gedaagde sub 1] B.V.,
te [plaats] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
niet verschenen,2. [gedaagde sub 2],
te [plaats] , [postcode] (Verenigde Staten),
hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. S.N. Naäman,3. [gedaagde sub 3] GMBH,
te [plaats] (Duitsland),
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
advocaat: mr. N.W. Mulder,4. [gedaagde sub 4],
te [plaats] (Duitsland),
advocaat: mr. N.W. Mulder,
hierna te noemen: [gedaagde sub 4] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagden]
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 september 2025 van [eiseres] met producties 1 t/m 50,
- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van [gedaagde sub 2] met producties 1 t/m 3,
- de incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring van [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] met producties 1 t/m 3,
- de conclusie van antwoord in het incident van [eiseres] met producties 51 t/m 54,
- de mondelinge behandeling in het incident van 19 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2 De kern van de zaak
In dit incident wordt de vraag beantwoord of de rechtbank Midden-Nederland bevoegd is om kennis te nemen van het geschil over het [naam spel] ruilkaartspel tussen [eiseres] en de verschillende gedaagde [gedaagde sub 1] entiteiten. Omdat [eiseres] en [gedaagde sub 2] zijn gevestigd in de Verenigde Staten en [gedaagde sub 3] en AG zijn gevestigd in Duitsland hebben de vorderingen een internationaal karakter. [eiseres] vindt dat deze rechtbank bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, [gedaagden] betwisten dat. Geoordeeld wordt dat deze rechtbank bevoegd is voor wat betreft de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] . De bevoegdheid voor [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 2] wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de rechtbank tot dit oordeel is gekomen.
3 De beoordeling in het incident
Het juridisch kader
De algemene regel
De vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegdheid toekomt, moet aan de hand van de Verordening Brussel I-bis (hierna: Brussel I-bis) worden beantwoord. De rechter moet zich bij het onderzoek naar deze bevoegdheid niet beperken tot de stellingen van de eisende partij, maar moet acht slaan op alle hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding en, in voorkomend geval, op de stellingen van de verwerende partij. Voor bewijslevering is bij de beoordeling van de bevoegdheid geen plaats.
Artikel 4 Brussel I-bis bepaalt dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, worden opgeroepen voor de gerechten van die lidstaat. Gelet op deze hoofdregel moet [gedaagde sub 1] dus in Nederland worden opgeroepen, [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3] voor de Duitse rechter en [gedaagde sub 2] in Amerika. De vraag is of in dit geval één van de bijzondere bevoegdheidsregels van Brussel I-bis de Nederlandse rechter kunnen ook bevoegd maakt voor alle [gedaagden] entiteiten.
De bevoegdheidsgrond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis (nauwe band)
Op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis kan, als er meer dan één verweerder is, een verwerende partij die op het grondgebied van een lidstaat woonplaats heeft ook worden opgeroepen voor het gerecht van de woonplaats van één van die verweerders, op de voorwaarde dat er tussen de vorderingen een zo nauwe band bestaat dat de goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, om te voorkomen dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven.
De bevoegdheidsregel van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis strekt ertoe een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken, parallel lopende processen zo veel mogelijk te beperken en dus te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven. Omdat met deze bevoegdheidsregel wordt afgeweken van de hoofdregel van Brussel I-bis dat de rechter van de woonplaats van de verweerder bevoegd is (artikel 4), moet deze regel eng worden uitgelegd. Die uitleg mag zich alleen uitstrekken tot de in die verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen.
Het gevaar op onverenigbare beslissingen moet worden verstaan als het gevaar op tegenstrijdige beslissingen. Beslissingen kunnen niet tegenstrijdig worden geacht in de zin van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis op grond van enkele divergentie in de beslechting van het geschil. Vereist is dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. Daarbij kan van belang zijn of de verwerende partijen onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld. Ook de rechtsgrondslag van de vorderingen is een relevante factor. Een identieke rechtsgrondslag is geen onmisbare voorwaarde voor toepassing van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Wanneer tegen de verschillende verwerende partijen ingestelde vorderingen verschillende rechtsgrondslagen hebben, staat dat dus op zich niet in de weg aan toepassing van artikel 8 lid 1, mits voor deze partijen voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar ten minste één van hen woonplaats had.
Artikel 7 lid 1 Rechtsvordering (hierna: Rv)
Ten aanzien van verweerders die geen woonplaats hebben in een lidstaat waarop Brussel I-bis van toepassing is, moet de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden beoordeeld aan de hand van het commune bevoegdheidsrecht. Artikel 7 lid 1 Rv bepaalt dat: ‘Indien in zaken die bij dagvaarding moeten worden ingeleid de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft, komt hem deze ook toe ten aanzien van in hetzelfde geding betrokken andere gedaagden, mits tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.’
Dit artikel is weliswaar anders geformuleerd, maar wijkt inhoudelijk niet af van het voor deze zaak relevante deel van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Met “een zodanige samenhang dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen” in artikel 7 lid 1 Rv wordt hetzelfde bedoeld als met “een zo nauwe band dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven” in artikel 8 lid 1 Brussel I-bis.
De rechtbank is bevoegd ten aanzien van [gedaagde sub 1]
Ten aanzien van [gedaagde sub 1] is de rechtbank Midden-Nederland bevoegd om kennis te nemen van het geschil op grond van artikel 4 Brussel I-bis, omdat [gedaagde sub 1] gevestigd is in Nederland ( [plaats] ).
De rechtbank is bevoegd voor alle vorderingen tegen [gedaagde sub 3]
Standpunten van partijen
[eiseres] baseert haar bevoegdheid van de rechtbank primair op artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Volgens [eiseres] bestaat tussen de vorderingen tegen de verschillende [gedaagden] entiteiten een zodanig nauwe band dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, om te voorkomen dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare beslissingen genomen worden.
Partijen hebben hun stellingen over de vereiste samenhang niet of nauwelijks toegespitst op de afzonderlijke vorderingen. Dat is in deze zaak wel van belang. [eiseres] heeft drie pagina’s aan omvangrijke verbods- en gebodsvorderingen geformuleerd, die meestal zijn gericht tegen alle [gedaagden] entiteiten tezamen, en die zijn gebaseerd op verschillende rechtsgrondslagen, waaronder het auteursrecht en de onrechtmatige daad. De rechtbank zal daarom, toegespitst op de feitelijke verhoudingen tussen de verschillende entiteiten en de aan ieder van hen verweten handelingen, beoordelen tussen welke vorderingen de vereiste samenhang wel of niet bestaat.
Voldoende samenhang tussen de vorderingen
Voor de op het auteursrecht gebaseerde vorderingen is de vraag of er voldoende samenhang bestaat tussen de volgende vorderingen:
enerzijds:
a. de vorderingen tegen de Nederlandse ankergedaagde ( [gedaagde sub 1] ), waarvan de belangrijkste is dat [gedaagde sub 1] stopt met de verkoop van [naam spel] in Nederland,
en anderzijds:
de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] waarvan de belangrijkste is dat [gedaagde sub 3] stopt met de export van [naam spel] naar Nederland / de verkoop van [naam spel] aan [gedaagde sub 1] , en
de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] waarvan de belangrijkste is dat [gedaagde sub 3] stopt met de verkoop van [naam spel] in Duitsland en Oostenrijk én met de export daarvan naar de diverse andere EU-landen waar het spel op de markt wordt gebracht.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat tussen vorderingen A en B een duidelijke samenhang in de zin van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Beide vorderingen hebben feitelijk betrekking op dezelfde markt, Nederland, en zien op dezelfde gestelde auteursrechtinbreuk: de verkoop en distributie van het spel in Nederland. Dat de aan de vorderingen ten grondslag gelegde feitelijke handelingen door verschillende entiteiten worden verricht, doet daar niet aan af. De vorderingen tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] hangen juist samen doordat zij betrekking hebben op aansluitende schakels binnen de verkoop- en distributieketen.
Daarmee resteert de vraag of ook tussen vorderingen A en C de vereiste samenhang bestaat. De geografische reikwijdte van die beide vorderingen verschilt: vordering A ziet op de verkoop van [naam spel] in Nederland, terwijl vordering C betrekking heeft op de verkoop in Duitsland en Oostenrijk en op de export naar andere EU-lidstaten, en eigenlijk ziet op alles wat buiten Nederland gebeurt. Dat verschil is niet doorslaggevend. Juridisch gezien gaat het om dezelfde kernvraag, namelijk of de door [gedaagde sub 3] en de met haar verbonden entiteiten verrichte verkoop- en distributiehandelingen met betrekking tot hetzelfde product, [naam spel] , inbreuk maken op de aan [eiseres] toekomende auteursrechten. Ook feitelijk bestaat er nauwe samenhang omdat de vorderingen betrekking hebben op dezelfde verkoop -en distributieactiviteiten van het [gedaagde sub 1] concern.
Bij de beoordeling van de vereiste samenhang kan van belang zijn of de verweerders onafhankelijk van elkaar handelen. Daarvan is in dit geval geen sprake. [gedaagde sub 3] is als centrale entiteit betrokken bij de verkoop en distributie van hetzelfde spel in meerdere EU-lidstaten, terwijl [gedaagde sub 1] als Nederlandse distributeur een schakel vormt in diezelfde distributieketen. De vorderingen tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] zijn daarmee niet slechts door een gemeenschappelijk product met elkaar verbonden, maar door de wijze waarop de verschillende entiteiten gezamenlijk uitvoering geven aan de verkoop en distributie daarvan. De omstandigheid dat de gedragingen van [gedaagde sub 3] zich ook buiten Nederland voordoen, neemt de feitelijke samenhang met de in Nederland verrichte distributiehandelingen niet weg. Deze zaak verschilt wat dit aspect betreft duidelijk van bijvoorbeeld de zaak waarin het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden eerder dit jaar uitspraak deed (ECLI:NL:GHARL:2026:2224).
Forumshopping staat niet aan de bevoegdheid in de weg
[gedaagden] heeft aangevoerd dat het meer voor de hand zou liggen dat [eiseres] haar vordering C tegen [gedaagde sub 3] voor de Duitse rechter instelt. De rechtbank ziet de logica van dat argument. De hoofdregel van artikel 4 Brussel I-bis is dat een rechtspersoon wordt opgeroepen voor de gerechten van de lidstaat waar hij woonplaats heeft. Als een onderneming vanuit één lidstaat een product in verschillende andere lidstaten op de markt brengt, kan het vanuit het oogpunt van concentratie van procedures voor de hand liggen om de onderneming die als centrale distributeur en daarmee als zogenaamde ‘spin in het web’ optreedt, in haar eigen lidstaat aan te spreken en daar een EU-wijd verbod te vragen. Dat neemt echter niet weg dat artikel 8 lid 1 Brussel I-bis juist voorziet in een bevoegdheidsgrond die het mogelijk maakt om, onder de daarin genoemde voorwaarden, meerdere verweerders gezamenlijk voor het gerecht van de woonplaats van één van hen te dagvaarden. Dat [eiseres] van die mogelijkheid gebruikmaakt, kan niet alleen daarom als ontoelaatbaar worden aangemerkt.
Het is mogelijk dat [eiseres] met haar keuze voor de Nederlandse rechter mede heeft beoogd haar vorderingen tegen [gedaagde sub 3] bij een voor haar gunstiger forum aan te brengen. Er bestaat een perceptie dat de Nederlandse rechter minder kritisch is dan de Duitse als het gaat om de vraag of iets de werktoets doorstaat, ook al is sprake van geharmoniseerd recht. Daarmee zou sprake zijn van forumshopping. Maar ook dat zou op zichzelf onvoldoende zijn om de bevoegdheid op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis af te wijzen. Het systeem van Brussel I-bis verzet zich niet tegen het benutten van een bevoegdheidsgrond die [eiseres] een procesvoering voor een voor haar aantrekkelijker forum mogelijk maakt, zolang aan de voorwaarden van die bevoegdheidsgrond daadwerkelijk is voldaan. Er is geen sprake van een kunstmatige vordering tegen [gedaagde sub 1] en een kunstmatige ankergedaagde. [eiseres] stelt dat de verkoop van [naam spel] in Nederland inbreuk maakt op haar auteursrechten en verlangt een verbod op die verkoop. [eiseres] wil daadwerkelijk iets van [gedaagde sub 1] gedaan krijgen en daarmee kan niet gezegd worden dat [gedaagde sub 1] als ankergedaagde in de procedure is betrokken met het uitsluitende doel om [gedaagde sub 3] voor de Nederlandse rechter te kunnen brengen. De Nederlandse vordering heeft een zelfstandige feitelijke en juridische grondslag en houdt bovendien rechtstreeks verband met de vorderingen tegen [gedaagde sub 3] betreffende de distributie van [naam spel] naar en binnen Nederland.
Voorzienbaar dat [gedaagde sub 3] in Nederland wordt opgeroepen
Daarbij komt dat het voorzienbaar is voor [gedaagde sub 3] dat zij in een andere lidstaat dan de lidstaat van haar woonplaats in rechte wordt betrokken. Een onderneming die ervoor kiest haar producten in meerdere lidstaten van de Europese Unie op de markt te brengen, moet rekening houden met de omstandigheid dat zij, afhankelijk van de inrichting van haar distributieketen en de wijze waarop een rechthebbende zijn vorderingen instelt, in ieder van die lidstaten kan worden aangesproken als aan de daarvoor geldende bevoegdheidsvoorwaarden is voldaan. Dat geldt des te meer als de onderneming rechtstreeks betrokken is bij de distributie van het product in de lidstaat van het gerecht waarbij de procedure aanhangig wordt gemaakt.
Ook bevoegd voor de vorderingen op grond van onrechtmatige daad
[eiseres] heeft haar vorderingen ook gebaseerd op de grondslag onrechtmatige daad. Voor de beoordeling van de bevoegdheid ten aanzien van deze vorderingen geldt in essentie dezelfde redenering die hiervoor ten aanzien van de auteursrechtelijke vorderingen (A en C) is uiteengezet. Deze vorderingen zien, toegespitst op de verschillende [gedaagden] entiteiten, op de verkoop en distributie van hetzelfde spel binnen dezelfde distributieketen. De omstandigheid dat voor deze vorderingen een andere rechtsgrondslag wordt aangevoerd, staat aan het aannemen van de vereiste samenhang niet in de weg. De rechtbank is daarom ook ten aanzien van deze vorderingen op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis bevoegd.
Beoordeling artikel 7 lid 2 Brussel I-bis niet nodig
[eiseres] heeft haar bevoegdheid subsidiair gebaseerd op artikel 7 lid 2 Brussel I-bis. Omdat de rechtbank op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis al bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen, hoeft deze bevoegdheidsgrondslag niet meer besproken te worden.
Conclusie
De rechtbank komt tot de slotsom dat de verschillende vorderingen voldoende nauw met elkaar verbonden zijn om te kunnen spreken van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens. De Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van alle vorderingen tegen [gedaagde sub 3] .
De rechtbank is niet bevoegd ten aanzien van [gedaagde sub 4]
Ten aanzien van [gedaagde sub 4] geldt ook het toetsingskader van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Voor toepassing van deze bepaling moet sprake zijn van een voldoende nauwe samenhang tussen de vorderingen tegen [gedaagde sub 4] en de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] .
Nauwe band onvoldoende onderbouwd
[eiseres] heeft tegenover het gemotiveerde verweer van [gedaagde sub 4] onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde sub 4] betrokken is bij de handelingen die volgens [eiseres] inbreuk maken op haar auteursrechten dan wel onrechtmatig jegens haar zijn. [eiseres] heeft met name aangevoerd dat [gedaagde sub 4] aan het hoofd van het concern staat en vanuit die positie kennis heeft van en zeggenschap kan uitoefenen over de activiteiten van de andere concernvennootschappen. Dat is op zichzelf niet genoeg om ervan uit te kunnen gaan dat ook [gedaagde sub 4] de handelingen verricht; met de simpele stelling dat de moedervennootschap kennis en zeggenschap heeft zou die steeds verantwoordelijk zijn voor het handelen van de dochtervennootschap en het uitgangspunt van het vennootschapsrecht is nu juist dat dit niet het geval is. [gedaagde sub 4] heeft onderbouwd dat zij geen handelsactiviteiten verricht. Dit wordt ondersteund door de door haar overgelegde verklaring van haar Chief Product Officer. Uit die verklaring volgt niet dat [gedaagde sub 4] zelf het spel verkoopt of andere handelsactiviteiten verricht met betrekking tot [naam spel] . Dat de Chief Product Officer binnen het concern betrokken is bij producten en vanuit haar functie zeggenschap kan uitoefenen, is zonder nadere toelichting onvoldoende om daaruit af te leiden dat [gedaagde sub 4] zelf de gestelde inbreukmakende of onrechtmatige handelingen verricht of daarvoor verantwoordelijk is. Ook de vermelding van [gedaagde sub 4] in het impressum van de website leidt niet tot een ander oordeel. [eiseres] heeft erop gewezen dat [gedaagde sub 4] als eerste in het impressum van de website www. [gedaagde sub 4] .de wordt vermeld en daaruit afgeleid dat [gedaagde sub 4] verantwoordelijk kan worden gehouden voor de gehele website waarop [naam spel] wordt aangeboden. [eiseres] heeft onvoldoende weersproken dat niet [gedaagde sub 4] , maar [gedaagde sub 3] de website exploiteert. Bovendien richt de website zich uitsluitend op Duitsland en Oostenrijk en niet op Nederland. De enkele vermelding van [gedaagde sub 4] in het impressum biedt daarom onvoldoende grond om [gedaagde sub 4] verantwoordelijk te houden voor de verkoop en distributie van het spel in Nederland.
Ook niet bevoegd op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis
Ook is de rechtbank niet bevoegd op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis. Dit artikel geeft een bijzondere bevoegdheidsgrond voor vorderingen uit onrechtmatige daad. De gedaagde kan worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. [eiseres] heeft onvoldoende concrete feiten gesteld waaruit volgt dat [gedaagde sub 4] iets heeft gedaan of nagelaten dat in Nederland tot schade heeft geleid. De enkele positie van [gedaagde sub 4] als topholding binnen het concern en haar vermelding in het impressum van de website zijn daarvoor onvoldoende, zoals hiervoor in 3.22 is uitgelegd.
Conclusie
Omdat onvoldoende is onderbouwd dat [gedaagde sub 4] betrokken is bij de gestelde inbreukmakende of onrechtmatige handelingen, ontbreekt de vereiste feitelijke samenhang tussen de vorderingen tegen [gedaagde sub 4] en de vorderingen tegen de [gedaagde sub 1] . De rechtbank is daarom niet bevoegd op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Ook ontstaat er geen bevoegdheid op grond van artikel 7 lid 2 Brussel I-bis.
De rechtbank is niet bevoegd ten aanzien van [gedaagde sub 2]
Ten aanzien van [gedaagde sub 2] moet de internationale bevoegdheid van de rechtbank worden beoordeeld aan de hand van artikel 7 lid 1 Rv. De in die bepaling neergelegde maatstaf sluit voor de hier relevante beoordeling aan bij die van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Ook hier is vereist dat tussen de vorderingen tegen [gedaagde sub 2] en de vorderingen tegen de [gedaagde sub 1] een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
Nauwe band onvoldoende onderbouwd
[eiseres] heeft onvoldoende concrete feiten gesteld waaruit volgt dat [gedaagde sub 2] zelf betrokken is bij de handelingen waarop de vorderingen zijn gebaseerd. [eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde sub 2] zich onder meer bezighoudt met de ontwikkeling, verkoop en distributie van het spel in de Verenigde Staten en de Europese Unie. Ook heeft zij erop gewezen dat [gedaagde sub 2] samen met [gedaagde sub 3] als uitgever op de handelsverpakkingen van het spel wordt vermeld die binnen de Europese Unie, waaronder Nederland, worden gedistribueerd, en dat op die verpakkingen de vermelding ‘Made in the USA’ staat.
[gedaagde sub 2] heeft daartegenover gemotiveerd toegelicht dat zij geen handelsactiviteiten in de Europese Unie verricht en dat zij geen betrokkenheid heeft bij de verkoop of distributie van de door eiseres in Nederland aangeschafte producten. Daarnaast heeft [gedaagde sub 2] aangevoerd dat zij geen directe contractuele relatie heeft met [gedaagde sub 1] , die uitsluitend als lokale distributeur van [gedaagde sub 3] optreedt. De door [eiseres] aangevoerde omstandigheden zijn, ook in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende om het bestaan van een dergelijke betrokkenheid van [gedaagde sub 2] bij de gestelde auteursrechtinbreuken aan te nemen. Dat [gedaagde sub 2] binnen dezelfde groep als de overige gedaagden valt en betrokken is bij de ontwikkeling van het product, brengt niet mee dat zij daarmee ook betrokken is bij de verkoop en distributie van het product in Nederland. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [gedaagde sub 2] als uitgever op de verpakking wordt vermeld. Zonder nadere concrete aanwijzingen kan uit die vermelding niet worden afgeleid dat [gedaagde sub 2] de in Nederland verkochte producten heeft verkocht, gedistribueerd of anderszins betrokken is geweest bij de verhandeling daarvan. Ook de verklaring van [A] , waarin zij verklaart verantwoordelijk te zijn voor het productdesignteam, biedt daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Zelfs als daaruit volgt dat [gedaagde sub 2] betrokken is bij het productontwerp, volgt daaruit niet dat [gedaagde sub 2] een rol heeft bij de verkoop of distributie van het spel in Nederland. [eiseres] heeft tegenover het gemotiveerde verweer van [gedaagde sub 2] niet nader geconcretiseerd welke feitelijke handelingen [gedaagde sub 2] in Nederland zou hebben verricht of aan welke handelingen van de Nederlandse entiteit [gedaagde sub 2] heeft deelgenomen of haar medewerking heeft verleend. Daarmee ontbreekt de feitelijke grondslag om aan te nemen dat de vorderingen tegen [gedaagde sub 2] zodanig samenhangen met de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] dat een gezamenlijke behandeling op grond van artikel 7 lid 1 Rv is gerechtvaardigd.
Ook niet bevoegd op grond van artikel 6 sub e Rv
Subsidiair heeft [eiseres] aangevoerd dat er bevoegdheid volgt uit artikel 6 sub e Rv. Op grond van dit artikel kan de gedaagde worden opgeroepen in Nederland als het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan in Nederland. Om dezelfde redenen zoals hiervoor besproken, namelijk dat [eiseres] onvoldoende concrete feiten heeft gesteld waaruit volgt dat [gedaagde sub 2] iets heeft gedaan dat tot schade in Nederland heeft geleid, is de rechtbank ook niet op grond van artikel artikel 6 sub e Rv bevoegd.
Conclusie
Omdat onvoldoende is onderbouwd dat [gedaagde sub 2] betrokken is bij de gestelde inbreukmakende of onrechtmatige handelingen, ontbreekt de vereiste feitelijke samenhang tussen de vorderingen tegen [gedaagde sub 2] en de vorderingen tegen de [gedaagde sub 1] . De rechtbank is daarom niet bevoegd op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. Ook ontstaat er geen bevoegdheid op grond van artikel artikel 6 sub e Rv
De rechtbank staat geen tussentijds hoger beroep toe
[gedaagden] hebben de rechtbank verzocht om, als zij zich niet onbevoegd zou verklaren, tussentijds hoger beroep open te stellen. Dat verzoek strekt ertoe een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel dat hoger beroep van tussenvonnissen slechts is toegestaan gelijk met dat van het eindvonnis. Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling kan worden afgeleid dat het de bedoeling is om bij het toestaan van tussentijds hoger beroep een grote mate van terughoudendheid in acht te nemen en dat de beslissing daartoe afhankelijk is van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van de in artikel 337 lid 2 Rv neergelegde hoofdregel rechtvaardigen uit het oogpunt van doelmatigheid. Gesteld noch gebleken is dat van dergelijke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval sprake is. Het openstellen van tussentijds hoger beroep zou naar het oordeel van de rechtbank bovendien een onredelijke vertraging met zich brengen. De rechtbank zal dus géén tussentijds hoger beroep openstellen.
De proceskosten worden gecompenseerd
Omdat [eiseres] en de gedaagde partijen die het bevoegdheidsverweer hebben gevoerd over en weer gedeeltelijk gelijk en ongelijk krijgen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hoewel aan de zijde van [gedaagden] verschillende advocaten zijn gesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat zij gezamenlijk verweer hebben gevoerd. De advocaten zijn kantoorgenoten, de incidentele conclusies waren nagenoeg identiek en op zitting hebben ze gezamenlijk verweer gevoerd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om in het kader van een proceskostenveroordeling onderscheid te maken tussen enerzijds [gedaagde sub 2] en anderzijds [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] .
4 De beslissing
De rechtbank
in het incident
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak tegen [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 2] ,
verklaart zich bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen in de hoofdzaak tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] ,
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 11 november 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] in de hoofdzaak, en bepaalt dat zij daarin in ieder geval een uitleg moet geven over haar bedrijfsstructuur en distributiestructuur in Europa, zoals besproken tijdens de mondelinge behandeling,
verwijst de zaak naar de rol van 11 november 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] in het inzage-incident,
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 14 oktober 2026 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden januari tot en met april 2027, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak en het inzage-incident zullen worden bepaald,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
LLO 5791