ECLI:NL:RBMNE:2026:6864

Datum uitspraak
12-10-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
UTR 26/2340
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

AOW. De Svb kon van een gezamenlijke huishouding uitgaan. Beroep ongegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Lelystad

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/2340

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P.A.J. van Putten),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, Svb

(gemachtigde: mr. P.C. van der Voorn).

Inleiding

1. De Svb heeft met het besluit van 22 oktober 2025 (het primaire besluit) het AOW1-pensioen van eiseres per november 2025 gewijzigd van een alleenstaande pensioen naar een gehuwdenpensioen. De reden is dat de Svb ervan uitgaat dat eiseres per 1 oktober 2025 een gezamenlijke huishouding2 voert met mevrouw [A] (hierna: [A] ).

2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt. Zij stelt dat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding maar van een commerciële huurrelatie, omdat [A] een kamer huurt in haar woning.

3. De Svb heeft het bezwaar met het besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

4. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres en haar gemachtigde deelgenomen, evenals de gemachtigde van de Svb.

Bestreden besluit (in essentie)

5. De Svb stelt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding, omdat aan het huisvestingscriterium en aan het zorgcriterium wordt voldaan.

6. Als het gaat om het huisvestingscriterium is van belang dat Svb ervan uitgaat dat het hoofdverblijf wordt gedeeld. Eiseres en [A] staan op hetzelfde adres ingeschreven. Ook de post van [A] komt op het adres van eiseres. [A] kan het hele jaar beschikken over een kamer in het huis van eiseres. Dat [A] tijdens de zomermaanden in een tuinhuisje verblijft op een camping is onvoldoende om niet van gezamenlijk hoofdverblijf uit te gaan. [A] doet bijvoorbeeld in de zomermaanden wel haar was in de woning van eiseres.

7. Voor het zorgcriterium is van belang dat het niet enkel gaat om het ondernemen van gezamenlijke activiteiten, maar dat daarbij sprake kan zijn van financiële verstrengeling of een andere vorm van zorg.3 Tijdens het huisbezoek hebben eiseres en [A] verklaard dat zij een gezamenlijke bankrekening hebben waar ieder van hen maandelijks € 50,- op stort. Dit geld wordt gebruikt voor boodschappen en gezamenlijke activiteiten, zoals (korte) vakanties, naar een museum, naar een film of uit eten. Ook gaat eiseres met [A] voor langere periodes op vakantie, maar het is niet duidelijk of dan sprake is van financiële verstrengeling. Er wordt twee keer per week gezamenlijk gegeten, degene die kookt haalt de boodschappen en betaalt deze van de gezamenlijke rekening. Verder hebben eiseres en [A] meegedeeld elkaar te zullen verzorgen bij ziekte.

8. Eiseres stelt weliswaar dat sprake is van een commerciële relatie, maar dit wordt enkel aangenomen als twee personen de huisvesting en zorg op een zakelijke wijze hebben vormgegeven. Dit moet bovendien met schriftelijk bewijs worden aangetoond. De zorgcomponenten in de relatie tussen eiseres en [A] (zie onder 7) zijn niet opgenomen in het overgelegde huurcontract en dus niet van zakelijke aard. De wederzijdse betrokkenheid gaat een zakelijk karakter te boven.

Beoordeling door de rechtbank

9. De rechtbank stelt vast dat de Svb het AOW-pensioen per november 2025 heeft herzien naar de norm voor een gehuwde. In dit geval moet daarom beoordeeld worden of eiseres per 1 november 2025 een gezamenlijke huishouding voerde. Dat de Svb hier voor een eerdere periode, na onderzoek in 2020, niet van is uitgegaan betekent niet dat de Svb, na nieuw onderzoek, hier niet anders over kan oordelen. Op de zitting heeft de Svb in dit verband toegelicht dat bij het onderzoek in 2020 onvoldoende uitvraag is gedaan. Ook was er in 2020 volgens de Svb nog geen sprake van een gezamenlijke bankrekening. Onder deze omstandigheden is, anders dan eiseres heeft aangevoerd, geen sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

10. Er is sprake van een gezamenlijke huishouding als twee personen het hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.4

Hoofdverblijf in dezelfde woning

11. Eiseres stelt dat geen sprake is van een gezamenlijk hoofdverblijf. [A] verblijft een substantieel deel van het jaar elders, namelijk op een complex in een tuinhuisje. Het enkel ontvangen van post en aanhouden van een sleutel van het huuradres maakt niet dat zich daar het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Verder liggen de tuinhuisjes van eiseres en [A] op het complex ver uit elkaar en hebben zij daar vrijwel geen contact.

12. Het hoofdverblijf van een betrokkene ligt daar waar zich het zwaartepunt van het persoonlijk leven bevindt. Dit dient te worden bepaald aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.5 Aspecten die in onderlinge samenhang van belang kunnen zijn om het hoofdverblijf vast te stellen zijn onder meer: verblijf op het adres voor het grootste deel van de week, de aanwezigheid van persoonlijke spullen, het ontvangen van post op het adres.6 De aard van de relatie van betrokkenen en hun subjectieve beleving zijn niet van belang.7

13. De rechtbank overweegt dat de Svb op 16 september 2025 een huisbezoek heeft afgelegd en toen een gesprek heeft gevoerd met eiseres en [A] . Het is tussen partijen niet in geschil dat eiseres en [A] beiden in de brp staan ingeschreven op het adres aan het [adres] te [plaats] (hierna: het adres) en dat eiseres hier het grootste deel van het jaar verblijft. Het gaat dus met name om de woonsituatie van [A] . [A] heeft op het adres persoonlijke spullen en administratie liggen. Daarnaast is verklaard dat [A] het hele jaar, dus ook in de zomermaanden, huur betaalt en over een kamer op het adres kan beschikken. Verder ontvangt [A] het hele jaar haar post op het adres, omdat bij haar tuinhuisje geen brievenbus is. In de wintermaanden (november/ december tot maart) is [A] volledig op het adres en in de zomer wel eens, bijvoorbeeld bij slecht weer of om de was te doen, omdat in haar tuinhuisje geen wasmachine is. Het verblijf is niet als tijdelijk bedoeld, omdat de situatie al sinds 2019 bestaat en [A] heeft verklaard niet actief op zoek te zijn naar een andere woning. Gelet op al deze aspecten, in onderlinge samenhang bezien, kon de Svb in dit geval uitgaan van gezamenlijk hoofdverblijf op het adres. Het argument dat [A] in bepaalde maanden van het jaar (gedeeltelijk) in het tuinhuis verblijft is in het licht van alle andere elementen onvoldoende om niet van gezamenlijk hoofdverblijf uit te gaan. De afstand tussen de tuinhuisjes van eiseres en [A] op het complex is niet van belang voor het antwoord op de vraag of sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf op het adres. De beroepsgrond slaagt niet.

Wederzijdse zorg

14. Eiseres stelt dat niet wordt voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. Er is namelijk slechts sprake van minimale en incidentele zorg. Structurele financiële verstrengeling ontbreekt. Zo is geen sprake van gezamenlijke betaling van de huur of hypotheek of andere vaste lasten (energie, verzekeringen, gemeentelijke heffingen). De beperkte storting van € 50,- per persoon per maand op een gezamenlijke bankrekening dekt hoofdzakelijk recreatieve of incidentele kosten. Daar komt bij dat sprake is van een commerciële huurrelatie, die blijkt uit het overeengekomen huurcontract en de betaalbewijzen.

15. De wederzijdse zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan alleen het delen van de met wonen samenhangende lasten. Als er weinig of geen financiële verstrengeling is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Daarbij moeten alle gebleken, niet van subjectieve aard zijnde, feiten en omstandigheden worden betrokken.8

16. Indien sprake is van een strikt zakelijke of commerciële huurrelatie wordt niet voldaan aan de eis van wederzijdse zorg en kan dus ook geen gezamenlijke huishouding worden aangenomen. De prestaties die over en weer worden verleend, dienen te zijn vastgelegd in een contract en voor de (kost en) inwoning die wordt verschaft zal een commerciële prijs moeten worden betaald waarvan controleerbare betaalgegevens kunnen worden overgelegd.9 Als er elementen van wederzijdse zorg zijn die niet vallen onder de in het huurcontract vastgelegde afspraken en waar geen betaling tegenover staat, dan past dit in hoofdregel niet bij wat in een zuiver zakelijke relatie gebruikelijk is.10

17. De rechtbank overweegt dat de Svb de wederzijdse zorg eveneens heeft gebaseerd op informatie verkregen uit het gesprek op 16 september 2025. Hierin is naar voren gekomen dat eiseres en [A] over een gezamenlijke bankrekening beschikken, waar zij gezamenlijke boodschappen, uitstapjes en korte vakanties van betalen. Eiseres en [A] eten geregeld samen (ongeveer twee keer per week) en koken dan voor elkaar. De één haalt boodschappen voor de ander als gezamenlijk gegeten wordt. Als het nodig is laat [A] wel eens de hond uit van eiseres. Verder gaan [A] en eiseres gezamenlijk op vakantie en mag [A] gebruik maken van de auto van eiseres. Bij ziekte zullen zij voor elkaar zorgen zo is verklaard. Dit maakt, in onderlinge samenhang bezien, dat de Svb terecht is uitgegaan van wederzijdse zorg. Dat bepaalde vaste lasten van de woning niet worden gedeeld maakt dit niet anders. De stelling van eiseres dat sprake is van een commerciële huurrelatie volgt de rechtbank niet. Dit blijkt niet uit de manier waarop eiseres en [A] met elkaar omgaan. Lang niet alle gedeelde kosten in het kader van wederzijdse zorg zijn op zakelijke wijze contractueel overeengekomen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

18. Uit het voorgaande volgt dat de Svb aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Dit betekent dat de Svb het AOW-pensioen van eiseres terecht heeft herzien naar de gehuwdennorm.

19. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »