RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats: Zutphen
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/2133
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2026
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. K.M.J. Schrijver),
en
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: mr. C.A. van der Vlist).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de beslissing van de SVB waarbij zijn ouderdomspensioen naar de norm van een alleenstaande op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) vanaf september 2024 is herzien naar de norm van een gehuwde en van hem een bedrag van € 502,28 aan betaald ouderdomspensioen wordt teruggevorderd. Eiser is het niet eens met deze herziening en terugvordering. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de herziening en terugvordering van het AOW-pensioen van eiser.1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de SVB de juiste beslissing heeft genomen. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 16 oktober 2024 heeft de SVB het AOW-pensioen van eiser met ingang van 1 september 2024 herzien naar een gehuwdenpensioen. Daarnaast heeft de SVB het over de maand september 2024 te veel betaalde AOW-pensioen tot een bedrag van € 502,28 van eiser teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 1 april 2025 op het bezwaar van eiser is de SVB bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de SVB.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit 3. Eiser ontvangt vanaf juni 2010 een AOW-pensioen. Met ingang van 1 april 2019 ontvangt hij, vanwege de opname van zijn partner in een zorginstelling en zijn keuze voor omzetting, een AOW-pensioen naar de norm voor een ongehuwde.1
In 2024 ontving de SVB een melding dat een persoon op het adres van eiser was komen wonen. Naar aanleiding hiervan heeft de SVB eiser een vragenlijst toegestuurd, waarin hij om aanvullende informatie over zijn woonsituatie is gevraagd. Eiser heeft deze vragenlijst op 13 oktober 2024 ingevuld en daarbij het volgende verklaard:
“ [kleinzoon] is mijn kleinzoon uit Canada. Sinds dit schooljaar (2024/2025) woont hij bij mij in en draagt € 350,- bij aan de kosten. Wij hebben geen contract opgesteld”.
In aansluiting op de ingevulde vragenlijst heeft op 14 oktober 2024 een telefoongesprek met eiser plaatsgevonden. Uit het daarvan opgestelde telefoonrapport blijkt dat eiser heeft verklaard dat zijn kleinzoon sinds 15 augustus 2024 bij hem inwoont. Zijn kleinzoon komt uit Canada, studeert in Nederland en verblijft bij eiser totdat hij een studentenkamer heeft gevonden. Hij heeft bij eiser een eigen kamer om te wonen/slapen en te studeren. Verder doen zij samen boodschappen en eten zij bijna elke dag samen. Als eiser de was doet, hangt zijn kleinzoon de was op. Eiser heeft daarnaast verklaard dat zijn kleinzoon een soort kostganger is, € 350 per maand bijdraagt aan de gemaakte kosten en dat er geen huurovereenkomst is opgesteld. Hierna heeft de SVB het AOW-pensioen van eiser met ingang van 1 september 2024 herzien naar de gehuwdennorm, omdat eiser volgens de SVB sinds 15 augustus 2024 een gezamenlijke huishouding voert. Daarnaast heeft de SVB het over september 2024 te veel betaalde AOW-pensioen van € 502,28 van eiser teruggevorderd.
Heeft de SVB het AOW-pensioen van eiser terecht herzien? 4. Eiser stelt zich op het standpunt dat de SVB ten onrechte heeft aangenomen dat hij en zijn kleinzoon een gezamenlijke huishouding voeren. Volgens eiser is de situatie die hij tijdens het telefoongesprek van 14 oktober 2024 heeft beschreven kort daarna veranderd. Zijn kleinzoon is met zijn hbo-studie en een bijbaan van 20 uur per week bij Albert Heijn begonnen. Hierdoor zien zij elkaar weinig, eten zij gemiddeld nog maar een keer per week samen, doen zij geen boodschappen samen en verzorgt de kleinzoon de was niet. Volgens eiser heeft de SVB onvoldoende rekening gehouden met deze veranderde omstandigheden. Ook stelt eiser dat de eerder beschreven situatie tijdelijk was, omdat zijn kleinzoon toen net in Nederland was aangekomen. Eiser heeft daarbij aangevoerd dat zijn kleinzoon als een soort kostganger moet worden beschouwd.
De rechtbank stelt voorop dat het bestreden besluit ziet op de herziening van het AOW-pensioen van eiser met ingang van september 2024. De rechtbank beoordeelt daarom of eiser en zijn kleinzoon vanaf die periode een gezamenlijke huishouding voeren.
Op grond van artikel 1, derde lid, van de AOW wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerst graad. Mensen hebben een gezamenlijke huishouding als zij (1) op hetzelfde adres hun hoofdverblijf hebben en (2) voor elkaar zorgen, bijvoorbeeld doordat zij ieder meebetalen aan de boodschappen en andere huishoudelijke kosten. De zorg hoeft niet gelijk verdeeld te zijn, maar moet van beide kanten wel iets voorstellen. De vraag of iemand een gezamenlijke huishouding voert, moet worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria.
Niet in geschil is dat eiser en zijn meerderjarige kleinzoon hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De rechtbank moet daarom beoordelen of voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van wederzijdse zorg. De rechtbank is van oordeel dat de SVB dit voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Eiser heeft tijdens het telefoongesprek van 14 oktober 2024 verklaard dat hij en zijn kleinzoon samen boodschappen deden, bijna dagelijks samen aten en dat zijn kleinzoon de was ophing als eiser deze had gedaan. Daarnaast betaalde zijn kleinzoon € 350 per maand als bijdrage in de kosten. Deze omstandigheden zijn in onderlinge samenhang bezien voldoende om wederzijdse zorg aan te nemen. Dat eiser zijn kleinzoon als een soort kostganger beschouwt, maakt dit niet anders. Van een zakelijke relatie is immers niet gebleken. Ook wat eiser tijdens de zitting heeft aangevoerd over de door zogenoemde wenperiode en de latere veranderingen in de woonsituatie, leidt niet tot een ander oordeel. De SVB heeft de woonsituatie beoordeeld aan de hand van de door eiser ingevulde vragenlijst en zijn verklaringen tijdens het telefoongesprek. Tijdens de hoorzitting heeft eiser bevestigd dat de destijds geschetste situatie juist was. Uit deze verklaringen blijkt dat op dat moment sprake was van een gezamenlijke huishouding. Dat eiser deze periode als een wenperiode beschouwde, maakt dit niet anders, omdat de AOW geen afzonderlijke regeling voor een wenperiode kent. Ook de gestelde latere veranderingen leiden niet tot een ander oordeel. Dat eiser en zijn kleinzoon door de studie en het werk van de kleinzoon minder tijd samen doorbrengen, neemt niet weg dat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben behouden en de kleinzoon € 350 per maand is blijven bijdragen. De SVB heeft daarom terecht aangenomen dat sprake is van een gezamenlijke huishouding. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Schadevergoeding en overschrijding van de redelijke termijn 5. Eiser verzoekt daarnaast om vergoeding van de door hem geleden schade. Hij verzoekt de rechtbank om hem in de gelegenheid te stellen de gestelde schade nader te specifiëren. Omdat het beroep ongegrond is, is geen sprake van een onrechtmatig besluit.2 Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. Aan een beoordeling van de gestelde schade en de omvang daarvan komt de rechtbank niet toe. Daarom bestaat ook geen aanleiding eiser in de gelegenheid te stellen om het verzoek om schadevergoeding nader te onderbouwen.
Eiser heeft tijdens de zitting aangevoerd dat, indien de uitspraak niet binnen de redelijke termijn wordt gedaan, sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat de behandeling van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar mag duren. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste zes maanden en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt en eindigt op de datum van de uitspraak. In dit geval is het bezwaarschrift op 22 november 2024 door de SVB ontvangen. De rechtbank doet op 19 oktober 2026 uitspraak. Daarmee is de termijn van twee jaar niet overschreden. Het beroep op overschrijding van de redelijke termijn slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de SVB het AOW-pensioen van eiser terecht met ingang van september 2024 heeft herzien naar een gehuwdenpensioen en het over september 2024 te veel betaalde AOW-pensioen ter hoogte van € 502,28 terecht van eiser heeft teruggevorderd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Mamedova, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.