RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/616933 / JE RK 26-1314
Datum uitspraak: 9 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming,
regio Midden-Nederland, locatie Utrecht,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] (Marokko),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
ingeschreven in [plaats] , maar feitelijk verblijvend in [verblijfplaats] ,
advocaat mr. T. Schouten.
de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland, gevestigd in Utrecht,
hierna te noemen: de GI.
1 Het verdere verloop van de procedure
Bij mondelinge spoedbeslissing van 27 augustus 2026, op schrift gesteld op 28 augustus 2026, heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van twee weken en de behandeling van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing voor het overige aangehouden.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- meneer [A] en mevrouw [B] , namens de Raad;
-
meneer [C] , namens de GI;
-
meneer M. Bourik, een tolk voor moeder in de Arabische taal.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . De vader is overleden.
De moeder en [minderjarige] staan in het brp van de gemeente [gemeente] ingeschreven. Feitelijk verblijft het gezin in [verblijfplaats] sinds het gezin in Nederland is komen wonen eind 2025.
[minderjarige] verblijft bij crisiswoongroep [locatie] van [instelling] in [plaats] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 augustus 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van drie maanden.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 augustus 2026 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van twee weken, tot 10 september 2026.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De moeder is het niet eens met het verzoek van de Raad. Zij wil dat [minderjarige] weer bij haar komt wonen, waarbij wel zijn mentale situatie goed wordt gemonitord. Haar zoon doet op de accommodatie niets, terwijl hij thuis weer zijn school weer kan oppakken.
5 De beoordeling
Horen van de betrokkenen
De kinderrechter heeft de betrokkenen gehoord over de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing. Zij ziet naar aanleiding daarvan geen reden om met ingang van vandaag anders te beslissen.
De verlenging van de uithuisplaatsing
De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. Hierna legt zij uit waarom.
De kinderrechter kan een machtiging verlenen om een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is (onder meer) in het belang van de verzorging en opvoeding. Op verzoek kan de kinderrechter deze machtiging telkens met maximaal een jaar verlengen.1
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. In de afgelopen periode heeft er geweld plaatsgevonden door [minderjarige] in en buiten de thuissituatie. Dit maakt dat [minderjarige] nu niet zonder meer naar huis kan terugkeren. Hij zal nu eerst passende hulpverlening moeten komen voor zijn agressie-gedragsproblematiek. De Raad noemt verder dat zij binnen het raadsonderzoek aandacht willen besteden aan de dynamiek tussen [minderjarige] en de moeder en de zussen.
Op de zitting is duidelijk geworden dat de moeder problemen heeft met de huisvesting van haar gezin, het regelen van inkomen en andere praktische zaken. Zij verblijft tijdelijk in een woning in [plaats] van iemand anders. Op dit adres kan zij niet bij de gemeente ingeschreven zijn. Zij moet deze woning bovendien over een maand verlaten. De moeder heeft nu geen enkele hulp of ondersteuning in het regelen van praktische zaken zoals huisvesting, omdat de lokale teams in de gemeente van inschrijving en de gemeente van feitelijk verblijf beiden aangeven niets te kunnen of willen doen. De kinderrechter vindt dat er een stabiele thuisbasis moet zijn, voordat [minderjarige] terug kan keren. Als de moeder een woning heeft waar ze kan verblijven en ingeschreven kan zijn, dan kan [minderjarige] ook bij de moeder worden ingeschreven. Dit geeft de GI vervolgens de mogelijkheid om jeugdhulpverlening binnen de regio in te zetten. Daarom doet de kinderrechter een oproep aan zowel de GI als de Raad om te kijken wie de moeder bij ondermeer de huisvestingsproblemen zou kunnen ondersteunen, zodat de GI aan zijn jeugdbeschermingstaak toe kan komen. De kinderrechter weet dat de rol van de GI en de Raad op dit punt beperkt is, zij maar hoopt dat Raad en GI kanalen vinden om de moeder te laten ondersteunen.
Tot slot benoemt de kinderrechter nog dat de zorgen over [minderjarige] groot zijn. Als deze problemen nu niet worden beperkt, dan vreest zij grote problemen rondom [minderjarige] . Hij is pas [leeftijd] jaar en de komende puberteitsjaren moet hij zich veilig kunnen ontwikkelen tot een zelfstandige jong-volwassene. De huidige praktische problemen van het gezin en de agressie/gedragsproblematiek bij [minderjarige] maken dat de kinderrechter zich daar grote zorgen over maakt. Als er nu niet adequaat wordt gereageerd ziet de kinderrechter grote risico’s op een ongunstige ontwikkeling van [minderjarige] , met gevolgen voor hemzelf de moeder, het gezin en voor de samenleving als geheel op langere termijn.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 27 november 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
|
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026 door mr. E.A.A. van Kalveen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.F. van Loon als griffier, en op schrift gesteld op 17 september 2026. |
||
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
-
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
-
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.