ECLI:NL:RBMNE:2026:6790

Datum uitspraak
23-09-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/16/604931 / HA ZA 26-13
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Goederen bestemd voor [eiseres] zijn zoekgeraakt. [gedaagde sub 1] c.s. hebben deze zonder titel gehouden en verhandeld, wat verduistering/onrechtmatige daad oplevert. Zij zijn hoofdelijk aansprakelijk voor schade.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/604931 / HA ZA 26-13

Vonnis van 23 september 2026

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiseres] ,

advocaat: mr. A.H. Gaastra,

tegen

1 [gedaagde sub 1] B.V.,

te [plaats 2] ,2. [gedaagde sub 2] B.V.,

te [plaats 2] ,3. [gedaagde sub 3],

te [plaats 2] ,

gedaagde partijen,

hierna ook samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s.,

advocaat: mr. N.J.M. Derks.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties 1 tot en met 21;- de conclusie van antwoord met productie 1;

- de akte strekkende tot uitlating verjaring van [eiseres] ;

- de akte houdende overlegging van nadere producties van [eiseres] , met producties 22 tot en met 27;

- de mondelinge behandeling van 17 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2

Daarna is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.

2 De kern van de zaak

2.1

In 2019 raken drie pallets met voor [eiseres] B.V. (hierna: [eiseres] ) bestemde goederen zoek. De rechtbank oordeelt dat [gedaagde sub 1] B.V. (hierna: [gedaagde sub 1] B.V. ), [gedaagde sub 2] B.V. (hierna: [gedaagde sub 2] ) en de heer [gedaagde sub 3] (hierna: [gedaagde sub 3] ) deze goederen zonder recht of titel onder zich hebben gehouden en (deels) hebben verhandeld. Dit kwalificeert als verduistering en is daarmee een onrechtmatige daad tegenover [eiseres] . [gedaagde sub 1] B.V. , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn hiervoor hoofdelijk aansprakelijk en moeten de schade van [eiseres] ten bedrage van € 18.079,97 vergoeden.

3 De beoordeling

3.1

[eiseres] is importeur van en groothandelaar in hydraulische apparatuur en toebehoren. [gedaagde sub 1] B.V. en [gedaagde sub 2] zijn concurrenten van [eiseres] . [gedaagde sub 3] is bestuurder van [gedaagde sub 1] B.V. en middellijk bestuurder van [gedaagde sub 2] . Beide vennootschappen zijn gevestigd op hetzelfde adres en worden in de dagelijkse praktijk als één onderneming gedreven.

3.2

[eiseres] koopt hydraulische componenten van [onderneming 1] S.r.l. (hierna: [onderneming 1] ) te Italië, die op haar beurt goederen inkoopt bij de producent [onderneming 2] S.p.A (hierna: [onderneming 2] ). Op 5 maart 2019 zijn voor [eiseres] bestemde zendingen terechtgekomen bij [gedaagde sub 2] . Na een melding door [eiseres] bij vervoerder [onderneming 3] B.V. (hierna: [onderneming 3] ) heeft [onderneming 3] de zending opgehaald bij [gedaagde sub 2] en deze alsnog bij [eiseres] afgeleverd.

3.3

Op 2 april en 4 september 2019 zijn wederom door [eiseres] bij [onderneming 1] bestelde goederen niet bij [eiseres] bezorgd. Het betrof in totaal drie pallets met van [onderneming 2] afkomstige goederen (hierna: de Vermiste Goederen). [onderneming 3] heeft [eiseres] hiervoor € 9.763,49 vergoed. Dit bedrag is gebaseerd op het gewicht van de goederen en niet op de daadwerkelijke inkoopwaarde, zodat de daadwerkelijke schade van [eiseres] slechts ten dele is vergoed.

3.4

Ruim vijf jaar later, in oktober 2024, heeft [gedaagde sub 1] B.V. zeven tandwielpompen geleverd aan een derde partij, [onderneming 4] B.V. (hierna: [onderneming 4] ). Bij aankomst van deze levering stelt een gerechtsdeurwaarder in een proces-verbaal van constatering vast dat de pompen zijn voorzien van productiedata en serienummers. [onderneming 2] bevestigt vervolgens per e-mail dat de pompen met deze specifieke productiedata en serienummers in 2019 aan [onderneming 1] zijn verkocht.

3.5

[eiseres] vordert op grond van deze gebeurtenissen hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling van € 18.079,97 aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en kosten. Zij legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde sub 1] c.s. de Vermiste Goederen zonder recht of titel onder zich hebben gehouden en dit tegenover de vervoerder hebben verzwegen, en dat dit een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW oplevert. [gedaagde sub 1] c.s. beroept zich primair op verjaring en subsidiair op de stellingen dat geen onrechtmatige daad is gepleegd, dat de gestelde schade niet is bewezen en dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [eiseres] .

[gedaagde sub 1] c.s. heeft een onrechtmatige daad tegenover [eiseres] gepleegd

3.6

De rechtbank stelt voorop dat sprake is van strafrechtelijke verduistering als iemand opzettelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat hij anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toe-eigent (artikel 321 Sr). Een dergelijke gedraging is naar haar aard onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW. Als komt vast te staan dat voor [eiseres] bestemde goederen bij [gedaagde sub 2] zijn afgeleverd en dat [gedaagde sub 1] c.s. zich deze goederen vervolgens zonder recht of titel heeft toegeëigend, dan staat daarmee ook de onrechtmatige daad tegenover [eiseres] vast.

3.7

De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat deze drie pallets bij [gedaagde sub 1] c.s. zijn gebleven en dat zij zich deze zonder recht of titel heeft toegeëigend. Daarvoor is het volgende redengevend.

3.8

Vast staat dat specifieke zendingen voor [eiseres] zijn zoekgeraakt. De eerste keer dat dit gebeurde (op 5 maart 2019) bleek dat de vervoerder de zending per abuis bij [gedaagde sub 2] had bezorgd. Dit is toen meteen door de vervoerder hersteld, doordat de vervoerder de goederen heeft opgehaald bij [gedaagde sub 2] en alsnog bij [eiseres] heeft bezorgd. Kort daarna is het weer misgegaan. Op 2 april 2019 had [eiseres] twee pallets van de vervoerder moeten ontvangen: een pallet met goederen afkomstig van [onderneming 1] en een pallet met goederen afkomstig van [onderneming 2] . Slechts de goederen van [onderneming 1] zijn bij [eiseres] bezorgd. De vervoerder heeft getracht te achterhalen waar deze goederen dan wel abusievelijk zijn bezorgd, maar de ontvangers van alle afleveradressen van die dag – inclusief [gedaagde sub 2] , waar de vervoerder die dag ook had bezorgd – deelden aan de vervoerder mee dat zij de goederen niet hadden ontvangen. Op 4 september 2029 voltrok zich eenzelfde situatie. Toen verwachtte [eiseres] drie pallets van de vervoerder: een pallet met goederen afkomstig van [onderneming 1] en twee pallets met goederen afkomstig van [onderneming 2] . Wederom werden slechts de goederen van [onderneming 1] bij [eiseres] bezorgd. En wederom heeft de vervoerder getracht te achterhalen waar deze goederen dan wel abusievelijk waren bezorgd. Wederom hebben de ontvangers van alle afleveradressen van die dag – inclusief [gedaagde sub 2] , waar de vervoerder die dag ook had bezorgd – medegedeeld dat zij deze goederen niet hadden ontvangen.

In 2024 heeft het bedrijf [onderneming 4] bij [gedaagde sub 1] c.s. een offerte gevraagd voor 10 tandwielpomen. Naar ter zitting is gebleken, heeft [onderneming 4] deze offerte gevraagd in samenspraak met [eiseres] . De aanleiding daarvoor was dat [eiseres] op de website van [gedaagde sub 1] c.s. had gezien dat deze pompen werden aangeboden en [eiseres] het vermoeden had dat dit de pompen konden zijn die destijds aan haar geleverd hadden moeten worden. 7 pompen konden door [gedaagde sub 1] c.s direct geleverd worden en die zijn ook daadwerkelijk geleverd. Na onderzoek bleek dat deze pompen rechtstreeks te herleiden waren tot de zendingen die in 2019 vermist geraakt waren.

3.9

De pompen die [gedaagde sub 1] B.V. in 2024 aan [onderneming 4] heeft geleverd, zijn voorzien van productiedata en serienummers die volgens [onderneming 2] horen bij twee specifieke partijen die [onderneming 2] in 2019 aan [onderneming 1] heeft verkocht. Het betreffen derhalve pompen die deel uitmaakten van de Vermiste Goederen, zodat het ervoor gehouden moet worden dat [gedaagde sub 1] c.s. wel degelijk over de Vermiste Goederen hebben beschikt. Ter zitting heeft [gedaagde sub 3] in algemene zin nog een alternatief scenario geschetst op grond waarvan zij over de betreffende pompen zou beschikken. Het zou namelijk zo kunnen zijn dat de Vermiste Goederen op enig moment teruggestuurd zouden zijn naar [onderneming 2] en vervolgens alsnog weer aan [gedaagde sub 1] c.s. zouden zijn geleverd. Van dit scenario levert [gedaagde sub 1] c.s. echter geen enkele onderbouwing (bijvoorbeeld door te verwijzen naar inkoopbewijzen waaruit blijkt dat zij zelf deze pompen op enig moment heeft besteld). Van [gedaagde sub 1] c.s. mag, juist gelet op door [eiseres] onderbouwde stellingen, een concretere betwisting worden verwacht.

3.10

Dat [gedaagde sub 1] c.s. van meet af aan over de Vermiste Goederen heeft beschikt wordt ondersteund door de verklaring van [A] , die destijds werkzaam was als inkoper bij [gedaagde sub 2] . Hij verklaart zowel schriftelijk als tijdens het voorlopig getuigenverhoor dat de Vermiste Goederen bij [gedaagde sub 2] zijn binnengekomen en zijn opgeslagen, dat [gedaagde sub 3] zijn personeel opdracht heeft gegeven dit tegenover de vervoerder te ontkennen en dat [B] de goederen op enig moment via een “bonus-inkooporder” van ongeveer € 25.000,- in het systeem van [gedaagde sub 2] heeft geboekt. Deze order is nooit gefactureerd. Zijn verklaring is consistent en gedetailleerd, en sluit aan bij de objectieve gegevens. Zo komt de omvang van de bonusorder overeen met de totale inkoopwaarde van de Vermiste Goederen en vindt wat [A] beschrijft voor het overige geen tegenspraak in enig concreet, verifieerbaar tegenbewijs.

3.11

Voor zover [gedaagde sub 1] c.s. aanvoert dat de verklaring van [A] wordt weersproken door de overige gehoorde getuigen, overweegt de rechtbank dat deze getuigen ( [B] , [C] , [D] en [E] ) en [gedaagde sub 3] zich beperken tot het in algemene termen ontkennen van betrokkenheid en wetenschap. Zij schetsen wederom geen alternatieve toedracht voor de drie vermiste pallets.

3.12

Op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat de drie in 2019 bij [gedaagde sub 2] afgeleverde pallets met Vermiste Goederen door [gedaagde sub 1] c.s. zonder recht of titel onder zich hebben gehouden, dat dit hun bekend was, dat zij dit tegenover de vervoerder hebben verzwegen en dat [gedaagde sub 1] B.V. (een deel van) deze goederen nadien aan een derde heeft doorverkocht. Dit is een onrechtmatige daad tegenover [eiseres] .

De schade is € 18.079,97

3.13

Voor de omvang van de schade is niet doorslaggevend dat van zeven pompen is vastgesteld dat deze zich in 2024 nog bij [gedaagde sub 1] c.s. bevonden. Vaststaat dat de gehele inhoud van de drie pallets zonder recht of titel bij [gedaagde sub 2] is beland, aangezien [gedaagde sub 1] c.s. geen verifieerbare verklaring heeft gegeven waaruit zou volgen dat slechts toevallig de door haar aan [onderneming 4] geleverde goederen in haar bezit waren. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook de overige goederen aan het rechtmatig gebruik en de beschikking van [eiseres] zijn onttrokken door [gedaagde sub 1] c.s. De vordering wordt daarom toegewezen voor de volledige, met facturen en bankafschriften onderbouwde omvang van € 18.079,97. Dit bedrag bestaat uit de inkoopwaarde van de Vermiste Goederen, verminderd met de door [onderneming 3] vergoede € 9.763,49 en vermeerderd met de gederfde winst van € 3.420,-.

[gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] B.V. en [gedaagde sub 3] zijn hoofdelijk aansprakelijk

3.14

[gedaagde sub 2] heeft de Vermiste Goederen in 2019 ontvangen en opgeslagen in haar bedrijfspand. Weliswaar verkoopt [gedaagde sub 2] de goederen niet door, maar dat neemt niet weg dat de goederen bij haar zijn afgeleverd en dat haar werknemer [B] de bonus-inkooporder in haar systeem heeft aangemaakt. Deze gedraging van [B] , verricht in de uitoefening van zijn werkzaamheden, wordt op grond van artikel 6:170 BW aan [gedaagde sub 2] toegerekend. Daar komt bij dat de beslissing om de goederen niet terug te geven, en de instructie daartoe aan het personeel, is genomen door [gedaagde sub 3] in zijn hoedanigheid van (middellijk) bestuurder van [gedaagde sub 2] . Ook die beslissing rekent de rechtbank aan [gedaagde sub 2] toe.

3.15

[gedaagde sub 1] B.V. heeft in 2024, via haar eigen webshop en onder haar eigen naam, (een deel van) de Vermiste Goederen aan [onderneming 4] verkocht en geleverd. Die gedraging is een zelfstandige onrechtmatige daad van [gedaagde sub 1] B.V. Zij heeft zich toegeëigend wat niet van haar is en dit als ware het haar eigendom verhandeld.

3.16

[gedaagde sub 3] is naar het oordeel van de rechtbank ook persoonlijk aansprakelijk, naast de beide vennootschappen. Uit de verklaring van [A] volgt dat [gedaagde sub 3] persoonlijk de instructie heeft gegeven om de ontvangst van de Vermiste Goederen tegenover de vervoerder te ontkennen. Deze instructie is een zelfstandige, aan [gedaagde sub 3] toe te rekenen onrechtmatige gedraging. Dat hij daarbij ook handelt in zijn hoedanigheid van bestuurder, doet aan zijn aansprakelijkheid niet af.

3.17

De schade van [eiseres] is het gevolg van deze onderling samenhangende en op elkaar voortbouwende gedragingen van [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] B.V. en [gedaagde sub 3] . Omdat deze gedragingen tezamen tot dezelfde schade leiden, zijn [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 3] op grond van artikel 6:102 BW hoofdelijk verbonden tot vergoeding van de volledige schade.

Het verweer dat de schadevergoedingsvordering is verjaard, is ter zitting ingetrokken

3.18

[gedaagde sub 1] c.s. heeft aangevoerd dat de vordering tot schadevergoeding is verjaard, omdat de stuitingsbrief van 16 januari 2024 op grond van artikel 3:317 lid 2 BW niet binnen zes maanden is gevolgd door het instellen van een eis. [gedaagde sub 1] c.s. heeft dit verweer ter zitting ingetrokken. Dit onderdeel behoeft daarom geen verdere bespreking.

Er is geen sprake van eigen schuld bij [eiseres]

3.19

[gedaagde sub 1] c.s. stelt dat de schade (mede) het gevolg is van eigen schuld van [eiseres] , omdat zij onvoldoende verzekerd zou zijn geweest en de vervoerder niet (volledig) zou hebben aangesproken (artikel 6:101 BW). Dit verweer wordt verworpen. De gestelde onvoldoende verzekering van [eiseres] betreft een omstandigheid in de rechtsverhouding tussen [eiseres] en haar verzekeraar respectievelijk haar vervoerder. Die omstandigheid houdt geen verband met het ontstaan van de hier aan de orde zijnde schade en beïnvloedt evenmin de omvang daarvan. Ook bestaat geen rechtsplicht voor [eiseres] om eerst de vervoerder volledig aan te spreken voordat zij [gedaagde sub 1] c.s. voor deze onrechtmatige daad aansprakelijk mag houden. Voor zover [gedaagde sub 1] c.s. wijst op het ontbreken van labels op de pallets, geldt dat dit gegeven hooguit de verkeerde bezorging verklaart, maar niet de daaropvolgende beslissing van [gedaagde sub 1] c.s. om de goederen achter te houden en dit te verzwijgen. Van eigen schuld die tot vermindering van de vergoedingsplicht zou moeten leiden, is dan ook niet gebleken.

[gedaagde sub 1] c.s. moet de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.742,30 betalen

3.20

[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Voor de deurwaarderskosten van € 786,50, gemaakt ter vaststelling van de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] c.s. door middel van het proces-verbaal van constatering, geldt dat deze met een factuur zijn onderbouwd en op grond van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen.

3.21

De overige, als ‘interne kosten’ gevorderde € 2.500,- heeft [eiseres] niet nader heeft gespecificeerd of met stukken onderbouwd, terwijl [gedaagde sub 1] c.s. deze gemotiveerd heeft betwist. Het is aannemelijk dat [eiseres] de nodige inspanningen heeft moeten verrichten om deze zaak rond te krijgen. De rechtbank ziet aanleiding om de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten te begroten aan de hand van de staffel behorend bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] vordert het bedrag inclusief btw. De gevorderde btw wordt afgewezen, omdat [eiseres] niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn op grond van de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie te hebben verricht. Daarom zal een bedrag van € 955,80 worden toegewezen. Het meerdere wordt afgewezen.

De wettelijke rente wordt toegewezen

3.22

De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is niet afzonderlijk bestreden en is gegrond op artikel 6:119 BW. Deze rente is toewijsbaar vanaf de data waarop de schade telkens is ontstaan: over € 5.012,35 vanaf 2 april 2019, en over € 9.647,62 en € 3.420,- vanaf 4 september 2019. De wettelijke rente over de toegewezen buitengerechtelijke incassokosten is toewijsbaar vanaf de dag van de dagvaarding.

De gevorderde dwangsom wordt afgewezen

3.23

[eiseres] vordert dat de veroordeling wordt versterkt met een dwangsom. Dat wijst de rechtbank af. De vorderingen van [eiseres] strekken tot betaling van een geldsom en voor een veroordeling tot betaling van een geldsom kan geen dwangsom worden opgelegd op grond van artikel 611a lid 1 Rv. Deze uitzondering geldt alleen wanneer voldoening aan de veroordeling niet met de gewone executiemiddelen kan worden verkregen, bijvoorbeeld omdat daarvoor eerst nog een afzonderlijke, niet-geldelijke medewerking van de wederpartij nodig is. Daarvan is hier geen sprake. Een toewijzend vonnis kan direct met de gewone executiemiddelen ten uitvoer worden gelegd.

[gedaagde sub 1] c.s. betaalt de proces- en nakosten

3.24

[gedaagde sub 1] c.s. is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] dragen. Deze kosten worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

126,68

- griffierecht

€

3.083,00

- salaris advocaat

€

1.306,00

(2 punten × € 653,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

4.704,68

3.25

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.26

De veroordeling wordt op de hiervoor besproken onderdelen hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde voor het geheel kan worden aangesproken. Als de één (een deel van) het bedrag betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te voldoen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1

veroordeelt [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 1] B.V. en [gedaagde sub 3] hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] van een schadevergoeding van € 18.079,97, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 5.012,35 vanaf 2 april 2019, over € 9.647,62 vanaf 4 september 2019 en over € 3.420,- vanaf 4 september 2019, telkens tot de dag van volledige betaling,

4.2

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 1.742,30 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 11 december 2025 tot aan de dag van volledige betaling,

4.3

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 4.704,68, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

4.4

veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

4.5

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.6

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.P. van Tricht en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.

5996

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »