RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12139228 \ MC EXPL 26-1376 AW/1583
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.
2 De kern van de zaak
[eiser] is op 23 juni 2025 bij [gedaagde] in dienst gekomen als ‘ [functie] ’ op basis van een arbeidsovereenkomst voor zeven maanden, eindigend op 22 januari 2026, tegen een salaris van € 4.600,00 bruto per maand. Het dienstverband is op 22 januari 2026 beëindigd.
Op 3 oktober 2025 dan wel 27 oktober 2025 heeft [eiser] zich ziekgemeld. [gedaagde] heeft met ingang van 8 december 2025 het loon stopgezet.
[eiser] heeft een deskundigenoordeel aangevraagd. Het UWV heeft geoordeeld dat het werkhervattingsadvies van de bedrijfsarts te vroeg is geweest en niet voldoende is onderbouwd. [eiser] kon zijn eigen werk nog niet doen.
Op 15 januari 2026 heeft [gedaagde] het loon met terugwerkende kracht voldaan, maar nagelaten de wettelijke verhoging te voldoen. [eiser] vordert onder meer betaling van de wettelijke verhoging.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] de loonstop niet had mogen opleggen en dat zij de wettelijke verhoging over het te laat betaalde salaris verschuldigd is.
3 De beoordeling
Wettelijke verhoging
Om het verzoek tot betaling van de wettelijke verhoging te kunnen beoordelen, is van belang of [gedaagde] terecht is overgegaan tot het toepassen van een loonsanctie. Dat is niet het geval.
Op 14 november 2025 heeft de bedrijfsarts geadviseerd in gesprek te gaan over de mogelijkheid van passend werk. Na een week zou [eiser] inzetbaar zijn voor 50% passend werk en vervolgens per week met 5 x 1 uur moeten opbouwen. Op 24 november 2025 heeft [eiser] laten weten, gezien zijn klachten en beperkingen, alleen schriftelijk te kunnen communiceren. Op 3 december 2025 geeft [gedaagde] [eiser] de keuze om het re-integratieadvies te volgen, en wordt [eiser] verwacht de maandag erop (8 december 2025) op kantoor te verschijnen en conform het advies van de bedrijfsarts een aanvang te nemen met passend werk. [gedaagde] bericht [eiser] dat als hij kiest voor werkhervatting en niet komt opdagen, dit kan leiden tot opschorting van het loon. Op 4 december 2025 laat [gedaagde] aan [eiser] weten dat zij heeft gesproken met de vaste bedrijfsarts en dat bevestigd is dat hij de week na het spreekuurcontact zijn werk had moeten hervatten. Omdat [eiser] niet meewerkt aan zijn re-integratie, geeft dat [gedaagde] het recht om het loon op te schorten. Op 9 december 2025 bericht [gedaagde] dan ook aan [eiser] dat zij het loon met ingang van 8 december 2025 stopzet omdat [eiser] niet meewerkt aan zijn re-integratieverplichtingen.
[gedaagde] heeft gesteld dat zij op 8 december 2025 het loon van [eiser] heeft stopgezet omdat [eiser] niet is verschenen op kantoor en geen uitvoering heeft gegeven aan het advies van de bedrijfsarts.
De kantonrechter stelt voorop dat een arbeidsongeschikte werknemer op grond van artikel 7:660a lid 1 sub a tot en met c BW verplicht is om mee te werken aan zijn re-integratie. Onder die verplichtingen vallen onder meer gevolg geven aan door de werkgever of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en het verrichten van passend werk (als de werkgever hem daartoe in staat stelt). Een werkgever kan vervolgens op grond van artikel 7:629 lid 3 BW de betaling van het loon stopzetten, als de werknemer voornoemde verplichtingen zonder deugdelijke grond niet nakomt.
Anders dan [gedaagde] van mening is, is de kantonrechter van oordeel dat er op 8 december 2025 geen sprake was van een situatie waarin [eiser] niet mee wilde werken aan zijn re-integratie. In zijn reactie van 5 december 2025 schrijft [eiser] dat er in het verslag van de bedrijfsarts geen concrete datum is genoemd voor werkhervatting, dat er geen directe belastbaarheid is vastgesteld en dat er is geadviseerd om in gesprek te gaan over de mogelijkheid van passend werk. Volgens [eiser] volgt hij het schriftelijke advies van de bedrijfsarts en de Wet verbetering Poortwachter. Niet is gebleken dat [eiser] verplicht en in staat was om op 8 december 2025 fysiek op kantoor te verschijnen. Er vond wel overleg tussen partijen plaats, alleen niet op de door [gedaagde] gewenste, mondelinge, wijze, maar schriftelijk. Dit maakt dat, anders dan [gedaagde] meent, er toen (nog) geen sprake was van het zonder deugdelijke grond niet meewerken aan re-integratie. Er doet zich dus geen situatie voor waarin [gedaagde] het loon had kunnen stopzetten.
Voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat [eiser] op 8 december 2025 niet aan zijn re-integratieverplichtingen heeft voldaan door niet op kantoor te verschijnen is dit achterhaald door het deskundigenoordeel van het UWV. [eiser] heeft immers het UWV om een deskundigenrapport gevraagd. In het deskundigenrapport van 7 januari 2025 komt de arbeidsdeskundige tot de conclusie dat [eiser] zijn aangepaste werk nog niet kon en kan voldoen. Een gesprek om het passend werk te bespreken, zoals door de bedrijfsarts was geadviseerd, had dan ook (achteraf gezien) geen in. De verzekeringsarts heeft immers op 18 december 2025 aangeven dat het werkhervattingsadvies van de bedrijfsarts te vroeg is gegeven en ook niet voldoende is onderbouwd. Dat dit oordeel van de deskundige niet juist zou zijn, heeft [gedaagde] niet aangetoond en blijkt verder nergens uit. [gedaagde] heeft dat kennelijk ook onderkend door met terugwerkende kracht het loon alsnog uit te betalen.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] het loon van [eiser] onterecht niet (tijdig) heeft uitbetaald. Zij is daarom de wettelijke verhoging over het loon verschuldigd. De gevorderde wettelijke verhoging zal daarom worden toegewezen, met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 7:625 lid 1 BW. Door [eiser] is dit berekend op 42%, wat door [gedaagde] niet is weersproken. Anders dan [gedaagde] stelt, ziet de kantonrechter geen aanleiding dit percentage te matigen, zodat het gevorderde bedrag van € 2.071,58 bruto zal worden toegewezen.
De wettelijke rente over de wettelijke verhoging van € 29,16 berekend tot 23 januari 2026 en de verdere wettelijke rente zal als onbetwist eveneens worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente is op grond van de wet niet toewijsbaar over al berekende rente voor zover deze niet over een geheel jaar verschuldigd is, zodat de verdere wettelijke rente toewijsbaar is over het bedrag van € 2.071,58 vanaf 24 januari 2026.
Kosten deskundigenoordeel UWV
Nu [eiser] in het gelijk is gesteld in het deskundigenoordeel van het UWV dient [gedaagde] de door [eiser] betaalde kosten van € 100,00 aan hem te vergoeden. De wettelijke rente wordt als onweersproken en eveneens toegewezen vanaf 24 januari 2026.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijk incassokosten. De kantonrechter wijst deze vordering af. [eiser] heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft alle correspondentie zelf verzorgd.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. [eiser] heeft geen gemachtigde ingeschakeld. De kantonrechter wijst daarom geen ‘salaris gemachtigde’ en ‘nakosten’ toe. Hij heeft verder schriftelijk geprocedeerd zodat hij geen reiskosten heeft gemaakt. Van verdere verletkosten is niet gebleken. De kosten van [eiser] worden daarom begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
156,42 |
|
|
- griffierecht |
€ |
265,00 |
|
|
Totaal |
€ |
421,42 |
De kosten van betekening worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.200,74 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.171,58, met ingang van 24 januari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 421,42, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.