ECLI:NL:RBMNE:2026:5603

Datum uitspraak
17-08-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
16/202463-25
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van diefstal met geweld en afpersing. Oplegging van een gevangenisstraf van 2 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummer: 16/202463-25

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 17 augustus 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [2006] in [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

(hierna: de verdachte).

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 3 augustus 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

  • de verdachte;

  • de officier van justitie: mr. V.H. van der Horst;

  • de advocaat van de verdachte: mr. M.H. Bahreman (hierna: de advocaat).

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

op 4 december 2024 in Soest samen met een ander met (dreiging met) geweld en dreiging met een vuurwapen een telefoon van [slachtoffer] heeft gestolen;

feit 2

op 4 december 2024 in Soest samen met een ander met (dreiging met) geweld en dreiging met een vuurwapen [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van een Tissot horloge.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in de bijlage bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van de feiten, voor zover deze zien op het medeplegen van het wegnemen van de telefoon en het horloge, omdat geen sprake is van collectieve aansprakelijkheid en dus geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de afzonderlijke handelingen. De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen feiten 1 en 2

De rechtbank oordeelt dat feit 1 (de diefstal met geweld in vereniging) en feit 2 (afpersing in vereniging) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: 1

De bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 3 augustus 2026, voor zover inhoudende:

Op 4 december 2024 heb ik samen met iemand anders geprobeerd om juwelier [slachtoffer] in Soest te overvallen. Ook hebben wij met geweld en bedreiging met geweld een telefoon van hem gestolen en hem afgeperst, zodat hij zijn horloge heeft afgegeven. Het klopt dat mijn medeverdachte een vuurwapen had. Ik had een hamer meegenomen om het glas te breken.

Een proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] op 4 december 2024, voor zover inhoudende:

Ik ben eigenaar van juwelier [slachtoffer] . Deze juwelier is gevestigd te Soest.

Op 4 december 2024 was ik omstreeks 10.00 uur aanwezig in de juwelierszaak. Ik openende het hek van het parkeerterrein en parkeerde mijn voertuig op de parkeerplaats. De parkeerplaats was verder leeg.2 Ik liep via de voorzijde richting mijn juwelierszaak.

Omstreeks 11.00 uur wilde ik mijn telefoon bekijken. Ik realiseerde mij dat mijn telefoon nog in mijn voertuig lag. Ik besloot hierdoor mijn juwelierszaak af te sluiten om mijn telefoon uit mijn voertuig te halen. Opnieuw opende ik het hek welke het parkeerterrein afsloot. Ik zag dat er achter het hek twee manspersonen stonden.

Zoals eerder genoemd, zag ik deze personen achter het afgesloten hek op het parkeerterrein staan. Ik sprak deze personen aan. Ik attendeerde ze erop dat dit privé terrein was en dat ze dit terrein moesten verlaten. Ik vond dit erg vreemd, omdat persoon 2 een mondkapje droeg (wit met verticaal zwarte strepen).

Omstreeks 17.45 uur sloot ik mijn juwelierszaak af.3 Toen ik mijn winkel verliet had ik het volgende bij mij :

- telefoon in mijn rechter jaszak;

- horloge droeg ik aan mijn linkerhand/vinger.

Ik liep terug in de richting van de steeg naar het parkeerterrein, maakte opnieuw het hek van het parkeerterrein open en liep in de richting van mijn voertuig. Ik stond op anderhalve meter van mijn voertuig vandaan. Ik zag dat er een persoon achter een pilaar vandaan kwam. Deze persoon stond op ongeveer tien meter van mij vandaan. Ik herkende deze persoon meteen als persoon 2 welke ik eerder had omschreven. Het signalement kwam volledig overeen met persoon 2. Ik herkende hem doordat hij het zelfde masker droeg (wit met verticaal zwarte strepen) en dus het zelfde signalement had als eerder in de ochtend.

Ik zag dat persoon 2 op mij af kwam rennen. Ik zag dat persoon 2 in zijn rechterhand een zwart vuurwapen vasthield. Ik zag dat persoon 2 zijn vuurwapen met gestrekte arm op mij richtte en al rennend op mij af kwam. Ik zag dat dit een vuurwapen was, omdat ik vroeger bij een schietvereniging zat en hier kennis had opgedaan over vuurwapens. Ik herkende dit vuurwapen lijkend op een FN Hl power. Ik zag dat het vuurwapen dichter bij mijn gezicht gedrukt werd door persoon 2. Ik voelde dat het vuurwapen tegen mijn linkerwang aangedrukt werd door persoon 2. Ik voelde een enorme druk op mijn wang door dit vuurwapen. Ik voelde me direct bedreigd.

Ik hoorde persoon 2 tegen mij zeggen dat ik mijn juwelierszaak moest openen want anders zouden mijn vrouw, kinderen en ik dood gaan. Ik herinnerde mij dat persoon 2 mij meerdere keren met mijn voornaam aansprak. Toen ik dat vuurwapen op mijn wang had, zag ik dat persoon 1 zich aansloot bij persoon 2. Ik zag persoon 1 vanuit links achter, de achterzijde van het parkeerterrein vandaan komen. Ik herkende deze persoon direct als persoon 1, omdat hij eerder zijn gezicht niet bedekt had en exact hetzelfde signalement had als deze persoon eerder in de ochtend.

Ik hoorde beide personen aandringen het rolluik te openen welke gelegen is aan de achterzijde van mijn juwelierszaak. Het aandringen bestond uit duwen en trekken, bewegingsruimte beperken door richting het rolluik te duwen en mij tweemaal te slaan met de kolf van het vuurwapen tegen mijn hoofd. Ik zag dat persoon 2 mij sloeg met het vuurwapen in zijn rechterhand. Ik zag dat persoon 2 zijn rechterarm naar achteren/omhoog trok en vanuit hier een slaande beweging maakte boven op mijn hoofd. Ik voelde dat ik geraakt werd boven op mijn hoofd. Toen ik geslagen werd met de kolf van het vuurwapen voelde ik niet veel pijn aan mijn hoofd, mogelijk door de adrenaline. Terwijl ik geraakt werd met de kolf van het vuurwapen hoorde ik gerinkel in het vuurwapen. Ik dacht dat de patroonhouder misschien niet goed aangesloten zat.4

Tijdens het geduw en getrek vanaf mijn voertuig in de richting van het rolluik probeerde ik aan beide personen uit te leggen dat het rolluik niet hoorde bij mijn juwelierszaak. Ik opende alsnog onder druk van persoon 1 en persoon 2 het rolluik. Ik zag dat de personen niet de passage in gingen. Direct daarna werd ik meegesleurd door persoon 2. Hij sleurde mij terug in de richting van mijn voertuig. Ik hoorde dat persoon 2 zei dat ik de juwelierszaak (in/uitgang voorzijde van [straat] ) moest openen. Ik hoorde dat ik hiervoor 20 seconden kreeg en dat persoon 1 en persoon 2 mij hierna zouden volgen. Als ik de juwelierszaak niet zou openen zouden ze mijn vrouw vermoorden. Persoon 2 liet het lijken dat er al iemand bij mij thuis was om de dreiging uit te voeren. Dit voelde ontzettend dreigend en hierdoor besloot ik mee te werken. Ik droeg op dat moment mijn telefoon (Samsung S20 FE) in mijn rechter jaszak en rondom mijn schouder de donkerblauwe tas. Persoon 2 pakte mijn telefoon uit mijn jaszak. Ook moest ik onder druk van het vuurwapen mijn horloge (welke aan mijn linkerpols zat) afgeven. Dit betrof een Tissot replica van een model uit 1938. Ik hoorde dat persoon 1 aan mij vroeg of ik een ring droeg. Ik antwoorde hierop dat ik geen ring droeg terwijl ik mijn trouwring droeg aan mijn linker ringvinger. Deze ring was uiteindelijk niet meegenomen.

Opvallend was dat persoon 2 meermaals mijn mond bedekte met zijn hand. Ik zag en voelde dat deze hand was bedekt met crèmekleurige latex handschoenen. Zoals hierboven benoemd, kreeg ik 20 seconden om mijn juwelierszaak (in/uitgang voorzijde van [straat] ) open te maken. Voordat ik naar de voorkant van mijn juwelierszaak liep om deze te gaan openen, werd ik tweemaal teruggetrokken zodat persoon 2 mij opnieuw aandrong wat ik moest doen. Opnieuw hoorde ik dat persoon 2 mij bedreigde met mijn dood of de dood van mijn vrouw als ik de juwelierszaak (in/uitgang voorzijde van [straat] ) niet zou openen. Uiteindelijk lieten persoon 1 en persoon 2 mij los om vanuit de steeg in de richting van mijn juwelierszaak (in/uitgang voorzijde van [straat] ) te lopen. Ik sloeg rechts af in de richting van mijn juwelierszaak. Terwijl ik de bocht maakte naar rechts, zag ik vanuit mijn linker ooghoek van mij dat [A] , de eigenaar van de [winkel] aan de van [straat] , spullen vanuit buiten naar binnen zijn winkel inbracht. Dit was omstreeks 18:00 uur, omdat het sluitingstijd was. Ik besloot in plaats van mijn juwelierszaak te openen, richting [A] te rennen en om hulp te vragen.

Ik vroeg [A] de [winkel] te sluiten en vertelden dat ik net was overvallen. [A] sloot zijn winkel en belde hier opvolgend direct de politie. Vanaf dit moment had ik geen zicht meer op mijn juwelierszaak of de steeg welke aansluit op de parkeerplaats. Hierdoor had ik geen zicht meer op persoon 1 of persoon 2. Ik voelde op mijn wangen een afdruk van de loop van het vuurwapen.5

Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen

Medeplegen van diefstal met geweld en afpersing

De advocaat vindt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het medeplegen van de diefstal van de telefoon en de afpersing van het horloge. De advocaat voert daartoe aan dat het afhandig maken van de telefoon en het horloge niet was gepland en ook alleen - in een spontane actie - door de medeverdachte is uitgevoerd. Op het moment dat de verdachte in beeld kwam, waren de handelingen van de medeverdachte jegens het slachtoffer al voltooid. Er was daarom geen nauwe en bewuste samenwerking bij het wegnemen/afpersen van die goederen. Ook wist de verdachte niet dat zijn medeverdachte een vuurwapen bij zich had. Het wapen is ook alleen door de medeverdachte gebruikt.

De rechtbank komt tot een andere beslissing en licht dit als volgt toe.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid bij een strafbaar feit als medeplegen kan worden gekwalificeerd wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Op basis van het dossier en van hetgeen is besproken op de zitting stelt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde het volgende vast.

De verdachte heeft op de zitting verklaard dat iemand hem heeft gevraagd om samen met een ander de juwelier te overvallen. Uit de aangifte volgt dat aangever de verdachte en zijn medeverdachte om 11:00 uur diezelfde dag ook al was tegengekomen op de (afgesloten) parkeerplaats achter zijn winkel en hen erop wees dat zij daar niet mochten komen. De verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij inderdaad al even ter plaatse was en dat hij samen met zijn medeverdachte heeft gewacht tot het slachtoffer weer op de parkeerplaats bij zijn juwelierszaak was. Ook heeft hij verklaard dat hij een hamer meenam om het glas te breken, waarmee hij volgens zijn advocaat de vitrine in de juwelier bedoelde. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het opzet van de verdachte aanvankelijk was gericht op het samen met een medeverdachte beroven van de juwelierswinkel. Uiteindelijk komt het niet tot de geplande beroving maar wordt wel de juwelier zelf beroofd van zijn telefoon en zijn horloge.

Uit de aangifte volgt dat het slachtoffer omstreeks 17:45 uur zijn winkel verlaat en dan eerst de medeverdachte tegenkomt, die op hem af komt rennen en een vuurwapen of een daarop gelijkend voorwerp trekt, op hem richt en vervolgens tegen zijn wang houdt en hem en zijn vrouw en kinderen met de dood bedreigt. Op het moment dat de medeverdachte het vuurwapen tegen de wang van het slachtoffer houdt, sluit de verdachte zich aan. De verdachte blijft vanaf dat moment steeds in de onmiddellijke nabijheid van het slachtoffer, net als zijn medeverdachte. Beiden dringen er bij het slachtoffer op aan dat hij het rolluik aan de achterkant moet openen. Hierbij wordt het slachtoffer geduwd en getrokken en wordt zijn bewegingsruimte beperkt. De medeverdachte slaat vervolgens met de kolf van het (vuur)wapen tegen het hoofd van het slachtoffer, waarna de beide verdachten het slachtoffer dwingen het rolluik daadwerkelijk te openen. Hierna wordt het slachtoffer een stuk meegesleurd door de medeverdachte. Het slachtoffer wordt wederom bedreigd met de dood (van zijn vrouw) als hij de (voordeur van de) juwelierszaak niet opent. De medeverdachte pakt vervolgens de telefoon uit de jaszak van het slachtoffer en onder druk van het vuurwapen moet het slachtoffer ook zijn horloge aan hem afgeven. Vervolgens vraagt de verdachte het slachtoffer naar zijn ring. Uiteindelijk wordt het slachtoffer nogmaals bedreigd met de dood en de dood van zijn vrouw, waarna de verdachten - die hem dus beiden vast hadden - hem loslaten, zodat hij richting zijn zaak kan lopen om die te openen.

Op grond van deze feitelijke gang van zaken oordeelt de rechtbank dat (ook) bij het wegnemen van de telefoon en de afpersing van het horloge sprake is geweest van nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte. Bij de uitvoering van hun gezamenlijke plan om de juwelierswinkel te beroven zijn zij overgegaan tot deze diefstal en afpersing, waaraan de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Daarbij maakt het niet uit dat het de medeverdachte is geweest die het slachtoffer heeft geslagen, hem het vuurwapen op zijn wang heeft gezet en de telefoon van het slachtoffer feitelijk heeft afgepakt en het horloge heeft aangenomen.

Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

feit 1

op 4 december 2024 te Soest, tezamen en in vereniging met een ander, een mobiele telefoon (Samsung S20 FE), die geheel aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan,

vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] ,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door

- met een bedekt gezicht op die [slachtoffer] af te rennen en te lopen,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan

en te richten op die [slachtoffer] ,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd

en tegen het gezicht van die [slachtoffer] te drukken,

- die [slachtoffer] meermalen de woorden toe te voegen “open de juwelierszaak anders gaan je vrouw, je kinderen en jij dood” en “we vermoorden je vrouw” en “we maken jou en je vrouw dood”,

- meermaals met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan, en

- meermaals die [slachtoffer] te duwen en aan hem te trekken;

feit 2

op 4 december 2024 te Soest, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld

[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een Tissot horloge dat geheel aan die [slachtoffer] toebehoorde door

- met een bedekt gezicht op die [slachtoffer] af te rennen en te lopen,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan

en te richten op die [slachtoffer] ,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd

en tegen het gezicht van die [slachtoffer] te drukken,

- die [slachtoffer] meermalen de woorden toe te voegen “open de juwelierszaak anders gaan je vrouw, je kinderen en jij dood” en “we vermoorden je vrouw” en “we maken jou en je vrouw dood”,

- meermaals met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan, en

- meermaals die [slachtoffer] te duwen en aan hem te trekken.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

eendaadse samenloop van

feit 1 diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

feit 2 afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen

4.2.

Strafbaarheid feiten en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5 Straf

5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarden die de verdachte nu al heeft lopen in een andere strafzaak, met uitzondering van het locatieverbod.

5.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat voert aan dat bij een strafoplegging rekening moet worden gehouden met het feit dat de verdachte tijdens het plegen van het feit net 18 jaar was, het in die periode niet goed met hem ging, hij harddrugs gebruikte, schulden had en zich in een sociaal netwerk bevond waar hem ‘klussen’ werden aangeboden. Nu gaat het beter met hem en woont hij bij zijn moeder, werkt fulltime in de horeca, doet aan sport, en begint in september 2026 aan een opleiding. Ook zijn schulden worden onder begeleiding aangepakt. Daarnaast verzoekt de advocaat de rechtbank om rekening te houden met artikel 63. De advocaat verzoekt om een zo beperkt mogelijk onvoorwaardelijk strafdeel op te leggen.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee. Dit licht de rechtbank hieronder toe.

De ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft samen met een ander een gewapende overval gepleegd op een juwelier in Soest. Deze overval vond plaats op klaarlichte dag, waarbij het slachtoffer werd bedreigd met een (vuur)wapen. Ook werd hij bedreigd met de dood van hemzelf en zijn vrouw en kinderen. De verdachte heeft uiteindelijk samen met zijn medeverdachte met geweld de telefoon van het slachtoffer afgenomen en onder bedreigende woorden en onder bedreiging met het (vuur)wapen het slachtoffer ook gedwongen tot de afgifte van zijn horloge. Dat zij uiteindelijk niet in de winkel zelf terecht zijn gekomen is niet aan hen te danken, maar aan het slachtoffer zelf, die zo dapper was om hulp te vragen aan een medewinkelier. Dat dit alles voor het slachtoffer erg angstig was en een traumatische ervaring is geweest, volgt ook uit zijn aangifte. De rechtbank vindt het schokkend dat de verdachte, die ten tijde van de overval nog maar 18 jaar was, samen met een voor hem onbekende medeverdachte, alleen uit eigen gewin om snel aan geld te komen, deze feiten heeft gepleegd. Dat de verdachte op dat moment niet heeft nagedacht over de gevolgen van deze ernstige strafbare feiten, althans die gevolgen voor lief heeft genomen, rekent de rechtbank hem aan.

De persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met een uittreksel justitiële documentatie (het strafblad) van 23 juni 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Uit het strafblad volgt wel dat de verdachte is gedagvaard voor overvallen op winkels gepleegd op 4 december 2024 in Rotterdam en 5 december 2024 in Ridderkerk. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de overval in Ridderkerk heeft gepleegd. Uit door de verdediging overgelegde stukken volgt verder dat hij in een andere zaak uit het najaar van 2024 heeft bekend een explosief te hebben geplaatst, terwijl een laatste zaak betreffende brandstichting cq. het teweegbrengen van een ontploffing nog wacht op beoordeling door de officier van justitie. De rechtbank acht het zeer zorgelijk dat de verdachte in kort tijdsbestek betrokken is bij meerdere ernstige strafbare feiten van uiteenlopende aard.

Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met een reclasseringsadvies van 14 juli 2026.

Het risico op recidive wordt door de reclassering ingeschat als gemiddeld. De reclassering adviseert om bij een veroordeling de bijzondere voorwaarden op te leggen die de verdachte al heeft lopen in een zaak onder een ander parketnummer, namelijk: meldplicht, dagbesteding, controle alcohol en drugs, behandelverplichting, meewerken aan het aflossen van zijn schulden en openheid geven over zijn sociaal netwerk.

Het strafkader

Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten (hierna: LOVS). Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden. Het oriëntatiepunt voor een overval op een winkel is een gevangenisstraf van 2 jaar. De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten ernstiger zijn dan een doorsnee straatroof. De verdachte heeft met zijn medeverdachte een plan gemaakt en de overval op de juwelier voorbereid. Bij de uitvoering is gebruik gemaakt van een (vuur)wapen om de dreigementen kracht bij te zetten. De rechtbank vindt de door de officier van justitie geëiste onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één jaar daarom passend.

De rechtbank vindt dat de verdachte ervan moet worden weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen en legt daarom ook één jaar gevangenisstraf voorwaardelijk op, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

De rechtbank houdt er bij het opleggen van de straf rekening mee dat de verdachte na het plegen van het bewezenverklaarde op 18 december 2024 voor overtreding van de Opiumwet is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf van 120 uur. De rechtbank heeft de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk (artikel 63 Sr). De advocaat heeft de rechtbank gevraagd toe te lichten welke concrete matiging voortvloeit uit de toepassing van dit artikel. De rechtbank merkt op dat de wet niet vereist dat zij vermeldt welke concrete matiging wordt toegepast. De rechtbank volstaat daarom met de vermelding dat zij dit artikel heeft toegepast.

De rechtbank vindt dat zij, gelet op de ernst van de feiten en de wijze waarop deze zijn uitgevoerd, niet kan volstaan met de oplegging van enkel een voorwaardelijke straf.

Omdat de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar oplegt, merkt zij het volgende op. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

6 Vordering benadeelde partij

6.1.

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van €2.865,- voor feit 1 en feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 2.365,- voor vergoeding van materiële schade en € 500 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).

De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:

  1. Tissot horloge (inkoopbedrag): €465,-;

  2. Samsung telefoon: € 400,-;

  3. Omzetverlies 5 december 2024: €1.500.

Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

6.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat de vordering van de benadeelde partij deels moet worden toegewezen. Het bedrag voor het horloge kan worden toegewezen. Ten aanzien van de telefoon en het omzetverlies is het verzoek onvoldoende onderbouwd. De officier van justitie verzoekt om de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Ook verzoekt zij om de gevraagde immateriële schade toe te wijzen.

6.3.

Standpunt van de verdediging

De advocaat vindt primair dat het wegnemen van de telefoon niet aan de verdachte kan worden toegerekend en dat de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. Subsidiair vindt de advocaat dat de vordering moet worden afgewezen, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Meer subsidiair kan uitsluitend een aantoonbare en aanzienlijk lagere dagwaarde worden toegewezen. Hetzelfde geldt voor het horloge. De benadeelde partij moet primair niet-ontvankelijk worden verklaard in de gevraagde kosten voor het omzetverlies wegens (kort gezegd) onduidelijkheid over hoedanigheid en vertegenwoordiging. Subsidiair dient deze post te worden afgewezen, wegens het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing.

De benadeelde partij moet ook primair niet-ontvankelijk worden verklaard ten aanzien van de immateriële schade, omdat deze blijkens de toelichting ziet op de teleurstelling van de in het buitenland verblijvende zoon van benadeelde partij, omdat de benadeelde partij als gevolg van het incident een gepland bezoek aan hem heeft moeten afzeggen. Dit is geen schade van de benadeelde partij zelf. Subsidiair verzoekt de advocaat de verzochte immateriële schade af te wijzen en meer subsidiair aanzienlijk te matigen.

6.4.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet onderbouwd. Ten aanzien van de immateriële schade is ook niet onderbouwd welke gevolgen deze strafbare feiten op het slachtoffer hebben gehad, maar wordt enkel verwezen naar de teleurstelling bij zijn zoon, omdat hij hem niet kon bezoeken, terwijl dit wel gepland was. Dit betreft geen schade van de benadeelde partij zelf.

De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om de vordering verder te onderbouwen, omdat dat leidt tot een onevenredige belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.

7 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:

- artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 55, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht

8 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

  • verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder de feiten 1 en 2 bewezenverklaarde;

straf

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 jaar;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 1 jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast;

- als algemene voorwaarden gelden dat de verdachte;

o zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

o ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

o medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;

- als bijzondere voorwaarden gelden dat de verdachte:

o zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij de reclassering Leger des Heils op het adres Triathlonstraat 3, te Rotterdam. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

o zich inspant voor het vinden en behouden van dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;

o meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol & drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak en voor hoe lang en vaak de verdachte wordt gecontroleerd.

o meewerkt aan diagnostiek en laat zich indien nodig ambulant behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte zal zich houden aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;

o meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte zal de reclassering inzicht geven in zijn financiën en schulden;

o openheid toont ten aanzien van zijn sociaal netwerk van vrienden/kennissen/contacten;

vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij ( [slachtoffer] , feit 1 en feit 2)

- verklaart [slachtoffer] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. E.H.M. Druijf, en mr. M. Rasterhoff, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Caruso als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 4 december 2024 te Soest, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een mobiele telefoon (Samsung S20 FE), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten

dele aan [slachtoffer] ,

in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het

zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan,

vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer]

,

gepleegd met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de

vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren door

- met een bedekt gezicht op die [slachtoffer] af te rennen en/of te lopen,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan

en/of te richten op die [slachtoffer] ,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd

en/of tegen het gezicht van die [slachtoffer] te drukken,

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, de woorden toe te voegen “open de

juwelierszaak anders gaan je vrouw, je kinderen en jij dood” en/of “we vermoorden

je vrouw” en/of “we maken jou en je vrouw dood”, althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking,

- meermaals, althans eenmaal, met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan, en/of

- meermaals, althans eenmaal die [slachtoffer] te duwen en/of aan hem te trekken;

feit 2

hij op of omstreeks 4 december 2024 te Soest, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een Tissot horloge, in elk geval

enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde

toebehoorde(n)

door

- met een bedekt gezicht op die [slachtoffer] af te rennen en/of te lopen,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp te tonen aan

en/of te richten op die [slachtoffer] ,

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd

en/of tegen het gezicht van die [slachtoffer] te drukken,

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, de woorden toe te voegen “open de

juwelierszaak anders gaan je vrouw, je kinderen en jij dood” en/of “we vermoorden

je vrouw” en/of “we maken jou en je vrouw dood”, althans woorden van gelijke

dreigende aard en/of strekking,

- meermaals, althans eenmaal, met een vuurwapen, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan, en/of

- meermaals, althans eenmaal die [slachtoffer] te duwen en/of aan hem te trekken;

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »