RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18-029165-26
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte [verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 4 augustus 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.M. Karsten, advocaat te Amsterdam.
Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. Broerse.
Tenlastelegging
Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 24 juli 2025 te Heerenveen, in de gemeente Heerenveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld, in een tankstation, gelegen aan of bij de [adres] , aldaar, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] en/of [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde, door zich samen met zijn mededader naar dat tankstation te begeven en/of (- zakelijk weergegeven -) met een (geheel of deels) bedekt gezicht en met een (op een) groot (brood)mes (gelijkend voorwerp) in de hand dat tankstation binnen te rennen/binnen te gaan en/of (voor de toonbank) ten overstaan van die [slachtoffer 1] en met dat (op een) (brood)mes (gelijkend voorwerp) in de hand die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: "Dit is een overval. Geld, geld", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
2.
hij op of omstreeks 24 juli 2025 te Heerenveen, in de gemeente Heerenveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een tankstation, gelegen aan of bij de [adres] , aldaar, een hoeveelheid geld (in totaal ongeveer 350 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan het [bedrijf] en/of [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf
of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door zich samen met zijn mededader naar dat tankstation te begeven en/of (- zakelijk weergegeven -) met een (geheel of deels) bedekt gezicht en/of met een (op een) groot (brood)mes (gelijkend voorwerp) in de hand, voornoemd tankstation binnen te rennen/binnen te gaan
en/of zich (voor de toonbank) ten overstaan van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] met dat (op een) (brood)mes (gelijkend voorwerp) in de hand die
[slachtoffer 1] de woorden toegevoegd: "Dit is een overval. Geld, geld ", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3.
hij op of omstreeks 20 december 2025 te Heerenveen , in de gemeente Heerenveen , op of aan de openbare weg de Nieuwestad, aldaar, in elk geval openlijk, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal,
-
vastpakken en/of duwen van die [slachtoffer 3] en/of
-
( met kracht) (met de handen/vuisten) slaan en/of stompen in het gezicht, althans tegen het hoofd, van die [slachtoffer 3] , tengevolge waarvan die [slachtoffer 3] achterover op de grond is gevallen en/of
-
( terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag) schoppen en/of trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] en/of opnieuw slaan en/of stompen tegen het hoofd van die [slachtoffer 3] .
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor alle ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat alle feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen op grond van de bekennende verklaringen van verdachte en de aangiftes. Ten aanzien van het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie opgemerkt dat er sprake is van eendaadse samenloop.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweren gevoerd. De raadsman heeft opgemerkt dat er sprake is van eendaadse samenloop ten aanzien van de onder feit 1 en onder feit 2 ten laste gelegde feiten.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
Deze opgave luidt als volgt:
Feiten 1 en 2
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 augustus 2026;
-
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 juli 2025, opgenomen op pagina 176 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN1R025089 d.d. 22 april 2026, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] .
Feit 3
-
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 4 augustus 2026;
-
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 januari 2026, opgenomen op pagina 327 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1.
hij op 24 juli 2025 te Heerenveen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld, in een tankstation, gelegen aan de [adres] , aldaar, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [bedrijf] en/of [slachtoffer 1] , door zich samen met zijn mededader naar dat tankstation te begeven en met een deels bedekt gezicht en met een groot mes in de hand dat tankstation binnen te gaan en voor de toonbank ten overstaan van die [slachtoffer 1] en met dat mes in de hand die [slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: "Dit is een overval. Geld, geld";
2.
hij op 24 juli 2025 te Heerenveen, tezamen en in vereniging met een ander, uit een tankstation, gelegen aan de [adres] , aldaar, een hoeveelheid geld, toebehorende aan het [bedrijf] en/of [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, door zich samen met zijn mededader naar dat tankstation te begeven en met een deels bedekt gezicht en met een groot mes in de hand, voornoemd tankstation binnen te gaan en voor de toonbank ten overstaan van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en met dat mes in de hand die
[slachtoffer 1] de woorden toe te voegen: "Dit is een overval. Geld, geld";
3.
hij op 20 december 2025 te [geboorteplaats] , op en aan de openbare weg de Nieuwestad, aldaar, openlijk, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 3] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het meermalen
-
met kracht met de handen/vuisten slaan en stompen tegen het hoofd van die [slachtoffer 3] , ten gevolge waarvan die [slachtoffer 3] achterover op de grond is gevallen en
-
terwijl die [slachtoffer 3] op de grond lag, schoppen tegen het lichaam van die [slachtoffer 3] .
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
-
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
-
diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
-
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van feit 1 en feit 2 sprake is van eendaadse samenloop in de zin van artikel 55 van het Wetboek van strafrecht (hierna: Sr).
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat toepassing wordt gegeven aan het volwassenenstrafrecht aangezien er contra-indicaties zijn voor het toepassen van het jeugdstrafrecht, waaronder het recidiveren binnen de proeftijd en het feit dat verdachte niet openstaat voor pedagogische beïnvloeding. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de jonge leeftijd van verdachte en dat de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.
De officier van justitie vordert dat verdachte ter zake van alle ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering worden verbonden, met daaraan toegevoegd de voorwaarde dat verdachte meewerkt aan diagnostiek, zodat uitsluitsel kan worden gegeven of er sprake is van FASD. Verder heeft de officier van justitie gevorderd dat de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) ex artikel 38z Sr aan verdachte wordt opgelegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht gelet op de persoonlijkheid en de achtergrond van verdachte. Ook in het psychologisch onderzoek van het NIFP wordt geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen. Wat betreft de strafmaat heeft de raadsman verzocht om een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden kan worden opgelegd met een proeftijd van drie jaren, zodat de reclassering langere tijd hulp kan bieden aan verdachte. De raadsman heeft verzocht om geen GVM aan verdachte op te leggen, aangezien daarvoor geen indicaties worden genoemd in de door de reclassering en de psycholoog opgestelde rapportages. Bovendien past oplegging van een GVM niet binnen de kaders van het jeugdstrafrecht.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de over verdachte opgemaakte rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich op 24 juli 2025, op klaarlichte dag, samen met een ander schuldig gemaakt aan een overval op een tankstation. Verdachte heeft samen met zijn medeverdachte het plan opgevat het tankstation te beroven. Verdachte is met een groot mes in zijn hand het tankstation binnen gerend en heeft tegen aangever [slachtoffer 1] en getuige [slachtoffer 2] , die op dat moment in het tankstation aan het werk waren, geschreeuwd dat zij geld moesten afgeven, terwijl de medeverdachte buiten het tankstation bleef staan.
De rechtbank rekent verdachte deze gedragingen zwaar aan. De slachtoffers zijn erg bang geweest tijdens de overval, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaringen. Ook na de overval hebben zij nog lang gevoelens van angst en onveiligheid gehad. Verdachte heeft, zoals hij zelf ook heeft verklaard, geen oog gehad voor de slachtoffers en enkel nagedacht over het geld dat hij snel wilde hebben.
Daarnaast heeft verdachte zich op 20 december 2025, na een avond stappen, schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Een opmerking van het slachtoffer die uit het café kwam waar verdachte en zijn broer graag naar binnen wilden was voor hun voldoende aanleiding om het slachtoffer ernstig te mishandelen. Verdachte heeft daarbij meerdere keren geschopt en geslagen, ook nog terwijl het slachtoffer op de grond lag. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever en letsel en pijn veroorzaakt. Daarnaast dragen dit soort feiten bij aan de in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, zeker nu het feit in het openbaar is gepleegd.
Justitiële documentatie
Uit de justitiële documentatie van 8 juli 2026 blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor onder meer afpersing en diefstal vergezeld van dreiging met geweld.
Persoon van de verdachte
Uit het rapport van Reclassering Nederland van 21 juli 2026 blijkt dat verdachte een ernstig belaste voorgeschiedenis heeft. Er wordt geadviseerd om verdachte te laten onderzoeken op FASD (Foetaal Alcohol Spectrum Stoornis), vanwege de ernstige alcoholverslaving van de moeder van verdachte tijdens de zwangerschap en daarna tijdens de borstvoeding, in combinatie met de gedragskenmerken van verdachte. De reclassering concludeert dat het specialistische onderzoek naar mogelijke FASD-problematiek plaats zal moeten vinden om tot een passend advies ten aanzien van de behandeling en woonsetting te komen. De reclassering merkt hierbij op dat een dergelijk onderzoek op korte termijn niet haalbaar is. De gespecialiseerde klinieken hebben namelijk lange wachtlijsten en er is zelfs sprake van een opnamestop.
Vanwege het ontbreken van de juiste diagnostiek kan de reclassering geen advies geven ten aanzien van toepassing van het jeugdstrafrecht. De reclassering geeft wel aan dat zij het jeugdstrafrecht zou laten prevaleren, aanzien opschalen van jeugdstrafrecht naar volwassenenstrafrecht naar het oordeel van de reclassering eenvoudiger is dan het afschalen van volwassenenstrafrecht naar jeugdstrafrecht. De reclassering schat het risico op recidive in als hoog. Het eerste feit zou zijn gepleegd terwijl verdachte in een proeftijd liep, er is sprake van een zorgelijke ontwikkeling in het delictpatroon en in de ernst van het delictgedrag. De reclassering schat het risico op letsel en het onttrekken aan voorwaarden in als gemiddeld. Hoewel verdachte gemotiveerd is om mee te werken aan een onderzoek naar en de behandeling van zijn problematiek, heeft de reclassering twijfels of verdachte deze motivatie behoudt als hij niet meer in een gestructureerde setting verblijft.
Ter zitting is het advies nader toegelicht door de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] . Zij hebben, in aanvulling op het advies, onder meer naar voren gebracht dat er tot op heden nog geen geschikte woonplek voor verdachte is gevonden. Verdachte zou de komende periode wel bij zijn broer terechtkunnen. Hoewel deze plek niet ideaal is, is het alternatief dat verdachte naar de nachtopvang moet. Binnenkort staat een intake gepland voor een woongroep in [plaats] die op 15 september 2026 van start gaat en waar verdachte mogelijk kan worden geplaatst.
Daarnaast hebben zij naar voren gebracht dat de geadviseerde bijzondere voorwaarden uitvoerbaar zijn, ondanks dat er nog geen diagnostiek heeft plaatsgevonden en nog niet duidelijk is of er sprake is van FASD-problematiek. Ter zitting heeft de reclassering nog toegelicht dat het advies jeugdstrafrecht toe te passen gebaseerd is op praktische en niet op inhoudelijke gronden.
Bij de bepaling van de straf van verdachte heeft de rechtbank ook gelet op het rapport van 16 juni 2026 van drs. M.C.G. Smeets, GZ-psycholoog. De conclusie van dit rapport luidt, zakelijk weergegeven, dat verdachte te maken heeft met een complexe samengestelde problematiek met een chronisch karakter. Er is sprake van ernstige functionele beperkingen in cognitieve regulatie, gedragsregulatie en emotionele
regulatie. Ook is er sprake van een verstoorde hechting, complexe PTSS-problematiek met al langer bestaande depressieve klachten en een hoge prikkelgevoeligheid, een verstoorde identiteitsontwikkeling, een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling, ernstige verslavingsproblematiek, ernstige slaapproblemen en gedragsproblemen (risicovol, antisociaal en crimineel gedrag). Ten tijde van het ten laste gelegde was betrokkene lijdend aan bovengenoemde stoornissen. Deze stoornissen beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde. Er wordt door de psycholoog geadviseerd een onderzoek naar prenatale blootstelling aan alcohol, ook wel een alcoholgerelateerde neuro ontwikkelingsstoornis (NCS-PBA/ARND) bij een gespecialiseerde FASD-kliniek te laten plaatsvinden, zodat de oorzaak van de problematiek van verdachte kan worden vastgesteld. Uitsluitsel hierover is essentieel. Indien er sprake is van NCS-PBA/ARND zal de behandeling meer gericht moeten zijn op het verminderen van de risicofactoren, maar minder op het verminderen van de functionele beperkingen. Indien er geen sprake is van NCS-PBA/ARND kan er worden ingezet op intensieve behandeling voor de ernstige functionele beperkingen. Daarnaast adviseert de psycholoog de feiten in verminderde mate toe te rekenen aan verdachte. De psycholoog beschrijft daarnaast dat er nog enige mate van keuze over denken en handelen wordt gezien bij verdachte. Indien uit het gespecialiseerd onderzoek naar voren komt dat betrokkene NCS-PBA/ARND heeft, kan ook worden overwogen de feiten in het geheel niet toe te rekenen aan verdachte. De psycholoog adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen. Verdachte kan niet in staat worden geacht om de risicos van zijn handelen in te schatten. Hoewel verdachte zelf niet open staat voor pedagogische beïnvloeding zou dit passend kunnen zijn bij zijn achterlopende sociaal-emotionele en ego-ontwikkeling en zijn bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling.
Op te leggen straf
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de vraag aan de orde is of er mogelijk sprake is van FASD bij verdachte. Het antwoord op die vraag is ook van belang voor de uitkomst van deze strafzaak. Zo blijkt uit het rapport van de reclassering dat het onderzoek naar FASD tot twee uitkomsten kan leiden, waarbij elke uitkomst om een verschillende aanpak vraagt ten aanzien van onder meer behandeling, begeleiding en woonsetting. Uit het rapport van de psycholoog volgt dat overwogen moet worden om de feiten in het geheel niet aan verdachte toe te rekenen op het moment dat blijkt dat er sprake is van FASD. De rechtbank stelt echter ook vast dat er geen enkel concreet uitzicht is op uitvoering van dit onderzoek.
Duidelijk is wel dat de wachtlijsten bij gespecialiseerde klinieken lang zijn en er een opnamestop is en dat het onderzoek dus niet binnen een redelijke termijn kan worden verricht. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het belang van verdachte bij afdoening van deze zaak dan ook groter. De rechtbank zal de zaak daarom niet aanhouden om het NIFP de opdracht te geven onderzoek te verrichten naar de vraag of er sprake is van FASD bij verdachte. De rechtbank heeft daarbij ook betrokken dat de reclassering heeft aangegeven dat er, ook zonder de uitkomsten van voornoemd onderzoek, uitvoering kan worden gegeven aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het volwassenenstrafrecht of het jeugdstrafrecht moet worden toegepast.
De rechtbank stelt vast dat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft begaan toen hij 18 jaar oud was. Het uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte die ten tijde van de strafbare feiten meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter besluiten voor jongvolwassenen met toepassing van artikel 77c Sr, jeugdsancties toe te passen indien daartoe grond wordt gevonden in de persoon van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.
De rechtbank oordeelt dat deze gronden niet worden gevonden in de persoon van verdachte en zal daarom het volwassenenstrafrecht toepassen. Verdachte leeft al jaren zelfstandig en er is geen sprake van beïnvloeding vanuit een gezin. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat verdachte niet open staat voor
pedagogische beïnvloeding, en dat door de reclassering ook geen interventies in het kader van het jeugdstrafrecht worden geadviseerd. Ook in de overige omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om jeugdstrafrecht toe te passen.
De rechtbank ziet, gelet op het rapport van de psycholoog, wel redenen om de bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst en de aard van de feiten, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de justitiële documentatie van verdachte, oplegging van een gevangenisstraf passend is. Hoewel de bewezenverklaarde feiten een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, gaat de rechtbank uit van verminderde toerekenbaarheid van de feiten aan verdachte. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat, gelet op de persoon van verdachte, moet worden ingezet op behandeling van zijn complexe problematiek. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. De rechtbank zal de proeftijd vast stellen op twee jaren. De rechtbank acht het van belang dat verdachte blijft meewerken aan het toezicht en de begeleiding van de reclassering en zal om die reden, en om hem te weerhouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten, de gevangenisstraf deels voorwaardelijk opleggen, waaraan de rechtbank de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, zal verbinden. Daaraan voegt de rechtbank toe de voorwaarde dat verdachte meewerkt aan diagnostiek zodat duidelijk wordt of bij verdachte sprake is van FASD-problematiek.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De rechtbank zal de door de officier van justitie gevorderde GVM ex artikel 38z Sr niet opleggen, nu niet is gebleken van een uitzonderlijke situatie die het opleggen van deze maatregel rechtvaardigt. Bovendien heeft verdachte ten aanzien van de overval van het tankstation gedreigd met geweld en dus niet daadwerkelijk geweld gebruikt.
Voorlopige hechtenis
Ter zitting is door de raadsman verzocht om de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen. Door de raadsman zijn echter geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die tot een schorsing zouden moeten leiden. De rechtbank zal dit verzoek dan ook als onvoldoende onderbouwd afwijzen.
Benadeelde partijen
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 494,00 ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit 250,00 voor het deel van de inhoud van de kassa dat niet is vergoed door de verzekering en 244,00 aan loonkosten om gedurende 12 uur een vervangende werknemer in te huren, en 1.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
[slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 285,00 ter vergoeding van materiële schade, bestaande uit kosten gemaakt voor tien behandelingen bij de sportfysiotherapeut, en 1.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade
is ontstaan.
[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 3.640,86 ter zake van materiële schade, bestaande uit medische kosten gemaakt ter reparatie van zijn tand, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen voor hoofdelijke toewijzing in aanmerking komen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ten aanzien van de immateriële schade gematigd moeten worden. Daarbij heeft de raadsman opgemerkt dat een eerdere financiële schuld de oorzaak was voor het plegen van de overval en dat verdachte niet moet worden belast met een nieuwe grote financiële schuld.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de raadsman verzocht om de vordering gedeeltelijk toe te wijzen. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering onvoldoende is onderbouwd, nu niet duidelijk is waarom de verzekeraar de gemaakte kosten niet heeft vergoed.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 en onder feit 2 bewezen verklaarde. De materiële schade van beide benadeelde partijen is onderbouwd en niet betwist door de verdediging. De vorderingen zullen daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 juli 2025. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde bedragen aan immateriële schade, ook gelet op de Rotterdamse Schaal, redelijk zijn en ziet geen aanleiding om de vorderingen te matigen.
Daarbij heeft verdachte op de zitting gezegd bereid te zijn de schadevergoedingen volledig te betalen. De gevorderde bedragen aan immateriële schade zullen dan ook geheel worden toegewezen, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2025.
De rechtbank stelt vast dat verdachte de strafbare feiten samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen voor zover zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3]
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 3 bewezen verklaarde. De vordering is voldoende onderbouwd nu er een begroting van de te maken medische kosten is bijgevoegd. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 20 december 2025. Daarbij heeft verdachte ook ten aanzien van deze vordering op de zitting gezegd bereid te zijn de schade volledig te vergoeden.
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen voor zover zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Toepassing van wetsartikelen
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart de ten laste gelegde feiten bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 9 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd:
-
dat de veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij reclassering van het Leger des Heils aan de [adres] ;
-
dat de veroordeelde zich laat behandelen door de GGZ van VNN Leeuwarden of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start bij het ingaan van de proeftijd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling richt zich op verslavingsproblematiek, slaapproblemen en agressiebeheersing. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
-
dat de veroordeelde meewerkt aan diagnostiek welke gericht is op de vraag of bij verdachte sprake is van Foetaal Alcohol Spectrum Disorder (FASD);
-
dat de veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen, te bepalen door de reclassering en zolang de reclassering dat nodig vindt. Het verblijf start op het moment dat de reclassering een geschikte locatie heeft gevonden. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
-
dat de veroordeelde geen alcohol gebruikt. De veroordeelde werkt mee aan controles op dit verbod. Dit kunnen zijn urineonderzoek en speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
-
dat de veroordeelde zich niet binnen een straal van 500 meter in de omgeving van de [adres] te Heerenveen bevindt, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan de veroordeelde toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. De veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
-
dat de veroordeelde verlaat Nederland niet zonder toestemming van de reclassering voor een goede werking van het elektronisch toezicht gedurende de duur van het elektronisch toezicht;
8. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. Het locatiegebod geldt op de volgende dagen en tijden. Bij de start dient de veroordeelde op doordeweekse dagen met dagbesteding 12 uur op het verblijfadres te zijn. Op doordeweekse dagen zonder opleiding, (vrijwilligers)werk of behandeling is dat 22 uur en op dagen in het weekend 16 uur. De reclassering kan de dagen en tijden waarop het locatiegebod geldt, al dan niet tijdelijk, verminderen. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met de veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Tot aan de dag dat er een plek beschikbaar komt in een passende beschermde woonvorm verblijft de veroordeelde, voor zover nodig, op het adres van zijn broer aan de [adres] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatiegebod, of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt;
9. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van softdrugs en/of dit gebruik te leren beheersen. Deze controles bestaan uit urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:
-
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
-
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.
Benadeelde partij [slachtoffer 1] , feit 1 en feit 2
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 1] te betalen:
-
het bedrag van 1.994,00 (zegge: duizend negenhonderd vierennegentig euro);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.994,00 (zegge: duizend negenhonderd vierennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 494,00 aan materiële schade en 1.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 19 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet
op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Benadeelde partij [slachtoffer 2] , feit 2
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:
-
het bedrag van 1.785,00 (zegge: duizend zevenhonderd vijfentachtig euro);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.785,00 (zegge: duizend zevenhonderd vijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 285,00 aan materiële schade en 1.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 17 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet
op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Benadeelde partij [slachtoffer 3] , feit 3
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 3] te betalen:
-
het bedrag van 3.640,86 (zegge: drie duizend zeshonderd veertig euro en zesentachtig cent);
-
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 december 2025 tot de dag van algehele voldoening;
-
de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.640,86 (zegge: drie duizend zeshonderd veertig euro en zesentachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 december 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 36 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet
op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, voorzitter, mr. T.M.L. Wolters, voorzitter, mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. A. Niklasch, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 augustus 2026.