ECLI:NL:RBMNE:2026:5326

Datum uitspraak
11-08-2026
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Rechtsgebied
Strafrecht
Zaaknummer
16/226535-25; 16/254911-25 (t.t.z. gevoegd)
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere (doods)bedreigingen. De bedreigingen waren (onder andere) gericht aan personen die een publieke taak uitoefenen, zoals zorgmedewerkers. De rechtbank legt aan de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging op (gemaximeerd). De rechtbank overweegt dat eerdere hulpverlening in voorwaardelijke strafkaders en in het kader van de zorgmachtiging onvoldoende effect hebben gehad. De rechtbank ziet geen mogelijkheid de noodzakelijke behandeling binnen een minder strikt kader te realiseren. Daarnaast legt de rechtbank aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand (met aftrek van voorarrest) en een GVM, op.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/226535-25; 16/254911-25 (t.t.z. gevoegd)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 11 augustus 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [1991] in [geboorteplaats] ,

verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,

nu gedetineerd in de [verblijfplaats] ,

hierna: de verdachte.

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 28 juli 2026.

Op de zitting waren de officier van justitie, mr. J. Boon, en de advocaat van de verdachte, mr. F.M.R. Ilahibaks (hierna: de advocaat), aanwezig. De verdachte heeft afstand gedaan van zijn recht om op de zitting aanwezig te zijn.

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

in de zaak met parketnummer 16/226535-25

feit 1: op 21 augustus 2025 in Utrecht medewerkers en/of ambtenaren van het politiebureau [locatie] in Utrecht heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling;

feit 2: in de periode van 27 juli 2025 tot en met 17 augustus 2025 in Utrecht [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling;

in de zaak met parketnummer 16/254911-25 feit 1: in de periode van 22 februari 2024 tot en met 3 juni 2024 in Almere [slachtoffer 2] woordelijk en/of schriftelijk heeft bedreigd met openlijk geweld en/of verkrachting en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling;feit 2:in de periode van 11 september 2025 tot en met 15 september 2025 in Utrecht [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of andere medewerkers van [instelling] (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling en/of brandstichting;

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage 1 bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vindt bewezen dat de verdachte de feiten uit de beschuldiging heeft gepleegd.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van feit 1 in de zaak met parketnummer 16/254911-25. De advocaat voert aan dat de uitlatingen, genoemd onder het eerste en tweede (gedachte)streepje van de beschuldiging, alleen door aangeefster in haar aangifte worden benoemd en dus niet door twee bewijsmiddelen worden gedekt.

De raadsman voert geen verweer ten aanzien van de overige feiten.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen

De rechtbank oordeelt dat alle feiten uit de beschuldiging wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage 2 van dit vonnis staan vermeld.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen

Parketnummer 16/226535-25, feit 2: gedeeltelijke vrijspraak gedachtestreepje drie en vier In het dossier zitten screenshots van een WhatsApp-gesprek tussen aangeefster [slachtoffer 1] en de verdachte. Uit dit gesprek blijkt dat de verdachte de (bedreigende) uitlatingen, ten laste gelegd onder gedachtestreepje drie en vier, op enig moment naar aangeefster heeft gestuurd. Op basis van de screenshots en de overige stukken in het dossier kan de rechtbank echter niet vaststellen wanneer deze berichten door de verdachte zijn gestuurd, zodat niet vaststaat dat hij deze uitlatingen in de tenlastegelegde periode heeft gedaan. Hij moet daarom (gedeeltelijk) worden vrijgesproken van dit deel van de beschuldiging. Dat de overige uitlatingen in de ten laste gelegde periode zijn gedaan vindt de rechtbank wel bewezen.

Parketnummer 16/254911-25, feit 1: geen gedeeltelijke vrijspraak gedachtestreepje een en twee In de aangifte is beschreven dat de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 2] (onder andere) heeft bedreigd met de uitlatingen, genoemd onder gedachtestreepje een en twee. Dat deze specifieke uitlatingen niet blijken uit andere bewijsmiddelen in het dossier, staat aan een bewezenverklaring niet in de weg. Niet voor iedere uitlating genoemd in de tenlastelegging hoeft immers sprake te zijn van twee bewijsmiddelen. Bovendien blijkt uit andere bewijsmiddelen voldoende dat de verdachte (soortgelijke) dreigende uitlatingen richting [slachtoffer 2] heeft gedaan. De verdachte erkent dit zelf ook. De rechtbank heeft dan ook geen reden te twijfelen aan wat in de aangifte van [slachtoffer 2] naar voren is gebracht, zodat alle uitlatingen genoemd in de tenlastelegging bewezen kunnen worden.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

in de zaak met parketnummer 16/226535-25

feit 1 op 21 augustus 2025 te Utrecht medewerkers en/of ambtenaren werkzaam bij politiebureau [locatie] in Utrecht centrum heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door mede te delen- "Die collega gaat dood, geld op zijn kop zetten" en- "Ik ga je collega slopen, als ik hem tegenkom zonder wapen, niemand gaat een kans krijgen, als je geen outfit aan hebt ga ik je slopen" en- "Als ik morgen niet gebeld wordt met de naam van die agent, als ik er achter kom wie dit is, ga ik geld op zijn hoofd zetten en een handgranaat op [locatie] te gooien" en- "Ik heb zin om iemand te vermoorden" en- " [naam] is niet de enige";

feit 2: op 17 augustus 2025 te Utrecht [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen:- "ik maak jou dood" en- "ik wil jullie allemaal dood zien";

in de zaak met parketnummer 16/254911-25

feit 1:

in de periode 22 februari 2024 tot en met 3 juni 2024 te Almere [slachtoffer 2] woordelijk en schriftelijk heeft bedreigd met openlijk geweld en verkrachting en enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:- "Bitch. Ik heb zin om je in je gezicht te schoppen. Vieze kanker hoer.";- "Ik neuk je, ik verkracht je in je vieze kutje. Ik doe je iets aan. Ik hoop dat je doodgereden wordt.";- "De volgende keer dat je weer op locatie komt, dan krijg je 2 blauwe ogen en eengebroken neus van mij.";-“Geloof mij, ik sloop jullie allebei, tegelijk. Kankermongolen.”-“Jij, met je nieuwe kanker man, bro. Geloof me, die kanker nieuwe Hollander, ikbreek hem, voor je neus bro. Geloof je joh, geloof mij. Jullie allebei tegelijk.”althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

feit 2:in de periode van 11 september 2025 tot en met 15 september 2025 te Utrecht, [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en andere medewerkers van [instelling] (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of brandstichting, door die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of andere medewerkers van [instelling] (indirect) dreigend de woorden toe te voegen:- "Ik ga [slachtoffer 3] haar kankerkop van haar lichaam trekken. Die kanker vieze duivel gaat dood. Ik maak ze allemaal dood. Ga haar laten bellen." en - "Jullie allemaal gaan de kanker krijgen, door mij. Zorg dat jullie allemaal gepakt worden." en - te zeggen dat als hij die [slachtoffer 3] niet aan de telefoon zou krijgen, hij haar zou vinden en dood zou maken en - te zeggen dat hij hen allemaal dood zal maken en een granaat op [instelling] zal gooien.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.

Kwalificatie

De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:

16/226535-25, feit 1 en feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

16/254911-25, feit 1: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling en openlijk geweld en verkrachting, meermalen gepleegd;

16/254911-25, feit 2: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en brandstichting, meermalen gepleegd.

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.2.

Strafbaarheid feit en verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5 Straf en maatregel

5.1.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat de verdachte moet worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet aan de verdachte een maatregel van terbeschikkingstelling met bevel van overheidswege (hierna: tbs-maatregel met dwangverpleging) worden opgelegd. Wat de officier van justitie betreft moet de duur van de tbs-maatregel ongemaximeerd zijn.

Verder vordert zij aan de verdachte een maatregel ter gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking op te leggen (hierna: GVM).

5.2.

Standpunt van de verdediging

Gelet op het tijdsverloop, de chronische persoonlijkheidsproblematiek van de verdachte en zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, moet volgens de advocaat worden volstaan met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest.

In het geval de rechtbank net als de deskundigen, behandeling en begeleiding nodig acht, vraagt de advocaat dit aan de verdachte op te leggen in het kader van een voorwaardelijk strafdeel. De oplegging van een tbs-maatregel met dwangverpleging vindt hij disproportioneel en niet passend en de verdachte is niet bereid zich aan voorwaarden te houden als die in het kader van een voorwaardelijke tbs-maatregel zouden worden opgelegd.

5.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank legt aan de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand, een gemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging en een GVM op. Bij het bepalen van deze straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.

5.3.1.

Ernst en omstandigheden van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere bedreigingen. Het gaat om nare en dwingende (doods)bedreigingen. De bedreigingen waren (onder andere) gericht aan personen die een publieke taak uitoefenen, zoals medewerkers van de politie en zorginstellingen. Voornamelijk de zorgmedewerkers, die de verdachte hulp en begeleiding boden, zijn meermaals en aanhoudend (telefonisch) door de verdachte lastiggevallen. Zorgmedewerkers moeten hun werk ongehinderd en onder veilige omstandigheden kunnen uitvoeren. De verdachte heeft met zijn gedrag gezorgd voor situaties waarin de zorgmedewerkers, maar ook medewerkers van de politie en aangeefster [slachtoffer 1] , zich onveilig voelden. De verdachte zegt bedreigingen te hebben geuit uit frustratie en emotie. Hoog opgelopen emoties, om welke reden dan ook, rechtvaardigen op geen enkele manier de uitlatingen die de verdachte heeft gedaan.

5.3.2.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Het strafblad van de verdachte

Bij het bepalen van de op te leggen straf en maatregel houdt de rechtbank rekening met het strafblad van de verdachte van 6 februari 2026, waaruit blijkt dat hij al eerder (in 2020, 2021, 2022 en 2025) voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Bij de veroordeling in 2022 is de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd met als bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, een behandelverplichting en opname in een instelling voor begeleid wonen.

De rechtbank neemt in aanmerking dat de verdenking onder feit 1 in de zaak met parketnummer 16/254911-25 zich heeft afgespeeld in 2024, nog voor een gewezen vonnis tegen de verdachte in 2025. De rechtbank zal daarmee op grond van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) in de op te leggen straf en maatregel rekening houden.

Verder blijkt uit het strafblad uit het Caribisch deel van het Koninkrijk van de verdachte van 4 maart 2025 dat hij op 11 december 2014 in Curaçao is veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf, waarvan 2 jaar voorwaardelijk, voor een poging tot verkrachting, gepleegd op 25 januari 2014.

Het Pro Justitia-onderzoek

De verdachte heeft zijn medewerking aan het Pro Justitia-onderzoek in deze strafzaak geweigerd. Wel heeft de verdachte toestemming gegeven de eerdere Pro Justitia-rapportages, opgesteld ten behoeve van een eerdere strafzaak, waarin vonnis is gewezen op 20 maart 2025, te gebruiken.

In de eerdere Pro Justitia-rapportages van psychiater J.C. Laheij, van 9 januari 2025, en GZ-psycholoog A. van der Weijden, van 17 december 2024, is - kort gezegd - het volgende beschreven.

De verdachte heeft een licht verstandelijke beperking. Dit zorgt voor hinder in zijn dagelijks functioneren, zowel op praktisch als sociaal gebied. De verdachte is onvoldoende in staat de gevolgen van zijn handelen voor zichzelf en anderen op langere termijn te overzien. Naast een beperkt inlevingsvermogen, heeft de verdachte een zeer beperkt probleembesef. Hierdoor overschat hij zichzelf, is hij achterdochtig en bagatelliseert hij zijn eigen aandeel en/of verantwoordelijkheid. Wanneer hij begrensd wordt en dit zijn sociale beoordelingsvermogen te boven gaat, voelt hij zich al snel afgewezen en tekortgedaan. Vanuit zijn beperkte impuls-, emotie- en agressieregulatie wordt hij vervolgens boos, en reageert hij door te dreigen. Mogelijk nemen de problemen met betrekking tot regulatie toe wanneer sprake is van middelengebruik.

Volgens de deskundigen beïnvloedt de licht verstandelijk beperking het gedrag van de verdachte en beperkt het hem in zijn keuzevrijheid. Zo (ook) ten tijde van de (toen) bewezenverklaarde feiten, zodat de verdachte volgens de deskundige verminderd toerekeningsvatbaar moet worden verklaard.

De psychische problematiek van de verdachte is chronisch van aard en de (toen) bewezen verklaarde feiten speelden zich, net zoals in de huidige strafzaak, (onder andere) af in het contact met hulpverlening. Ook uit het dossier dat nu voorligt, blijkt dat de verdachte dreigementen uit als hem - naar zijn overtuiging - door een ander onrecht wordt aangedaan. Omdat de licht verstandelijke beperking het gedrag en de keuzevrijheid van de verdachte beperkt zal de rechtbank de te bewijzen feiten verminderd aan de verdachte toerekenen.

5.3.3.

Oplegging van straf en maatregel

Tbs-maatregel met dwangverpleging

De rechtbank zal aan de verdachte een tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen. Er is voldaan aan alle wettelijke vereisten om tot oplegging van deze maatregel te komen:

1. de bewezenverklaarde feiten zijn feiten waarop minimaal 4 jaar gevangenisstraf staat;

2. bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een “gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens”; en

3. de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eisen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld.

De rechtbank licht hieronder toe hoe zij tot het oordeel komt dat aan de tweede en derde voorwaarde is voldaan.

Pro Justitia-rapportage ten behoeve van het vonnis van 20 maart 2025

Op grond van de aangehaalde Pro Justitia-rapporten van twee gedragsdeskundigen, een psychiater en psycholoog, staat vast dat ten tijde van de bewezen verklaarde feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens.

Deze deskundigen hebben zich in 2025 ook uitgelaten over de kans op recidive van de verdachte. De psychiater schat de kans op herhaling van geweld in het algemeen hoog in. De kans op fysieke agressie ligt lager. De psycholoog ziet (ook) een hoog risico op toekomstig gewelddadig gedrag. Volgens de deskundigen is duidelijke, gestructureerde en langdurige begeleiding noodzakelijk om het hogere risico op nieuwe incidenten te doen afnemen. De deskundigen kwamen destijds niet tot het advies een tbs-maatregel op te leggen. Ten tijde van het advies gold een zorgmachtiging en geadviseerd werd (daarnaast) bijzondere voorwaarden op te leggen in het kader van een voorwaardelijk strafdeel, waaronder (klinische) behandeling.

Met dit advies heeft deze rechtbank op 20 maart 2025 vonnis gewezen. Bij dat vonnis werd bewezenverklaard dat de verdachte zich onder andere schuldig had gemaakt aan vernieling, bedreiging, belaging en mishandeling. Anders dan door de officier van justitie in die zaak was geëist, heeft de rechtbank geen tbs-maatregel (met dwangverpleging) aan de verdachte opgelegd. De rechtbank heeft daarbij onder meer in aanmerking genomen dat er geen tbs-advies lag en de bewezenverklaarde feiten van relatief lichte aard en ernst waren. Door de rechtbank is verder overwogen dat nog niet alle strafrechtelijke mogelijkheden in het kader van hulpverlening waren uitgeput.

Maatregelenrapport van de Reclassering van 14 juli 2026

In de huidige strafzaak heeft de reclassering op 14 juli 2026 een rapport opgesteld.

De reclassering is gevraagd advies uit te brengen over de (on)mogelijkheid van een tbs-maatregel met voorwaarden.

De reclassering benoemt dat de verdachte op meerdere leefgebieden problemen heeft. Daarnaast is sprake van (dagelijks) gebruik van alcohol en cannabis. Ondanks de inzet van reclasseringstoezicht (voor soortgelijke feiten) en andere hulpverlening (in het kader van een zorgmachtiging), is de persoonlijke situatie van de verdachte de afgelopen jaren niet gestabiliseerd en is zijn gedrag niet verbeterd. Tijdens het reclasseringstoezicht in 2022 heeft de verdachte alleen meegewerkt aan de meldplicht. Bij de contactmomenten is de reclassering vaak getuige geweest van ‘ontvlammende’ verbale agressie van de verdachte, waardoor gesprekken voortijdig zijn gestopt. De verdachte zette zich af tegen de zorgmachtiging en accepteerde nauwelijks hulpverlening. Zo heeft ook de klinische opname van de verdachte in dit kader geen positief effect gehad. Tijdens de klinische opname liet de verdachte ook geregeld seksueel grensoverschrijdend gedrag zien.

Het risico op onttrekken aan voorwaarden is hoog. De reclassering benadrukt dat bij de verdachte sprake is van complexe en langdurige problematiek. Zij concludeert dat de beperkte copingvaardigheden, het beperkte ziekte- en probleeminzicht en de geringe en wisselende behandelmotivatie maken dat de verdachte (bijzondere) voorwaarden moeilijk kan nakomen en blijft recidiveren. Zo heeft de verdachte bijvoorbeeld (ook) een contactverbod (opgelegd als maatregel bij voornoemd vonnis uit 2025) overtreden.

De reclassering schat het risico recidive hoog in. Het risico op letsel is gemiddeld tot hoog. Spanning loopt bij de verdachte snel op en hij kan die niet zelfstandig reguleren. Dit resulteert in impulsief, agressief en antisociaal gedrag. Deze vijandige houding is voornamelijk zichtbaar richting medewerkers van hulpverlening, omdat zij de verdachte aanspreken op zijn eigen gedrag en tekortkomingen. De kans is daarom doorgaans groot dat hij in conflict komt met zijn omgeving.

Het voorgaande maakt dat de reclassering negatief adviseert over tbs met voorwaarden. Zij ziet geen mogelijkheden (meer) om met voorwaarden de risico’s te beperken en het gedrag van de verdachte te veranderen. De verdachte laat zich onvoldoende begeleiden en is niet in staat om vrijwillig of binnen een voorwaardelijk kader verantwoordelijkheid te nemen voor behandeling en begeleiding. De reclassering acht de kans groot dat opgelegde voorwaarden onvoldoende zullen worden nageleefd, waardoor toezicht en behandeling binnen een tbs met voorwaarden naar verwachting niet uitvoerbaar en onvoldoende effectief zullen zijn. Daarbij komt dat de verdachte, zowel in het gesprek over de huidige verdenkingen, als in het gesprek voor de opmaak van een eerder maatregelenrapport in 2025, aangeeft niet mee te willen werken aan voorwaarden. Gelet op het aanhoudende verhoogde recidiverisico, de beperkte behandelbaarheid binnen een ambulant of voorwaardelijk kader, is de reclassering van oordeel dat een steviger kader (juridisch en behandelinhoudelijk) noodzakelijk is.

Noodzakelijkheid van de tbs-maatregel voor de veiligheid van anderen

De rechtbank overweegt dat oplegging van een tbs-maatregel moet zijn vereist voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen. De verdachte is aanhoudend en op dwingende wijze verbaal agressief naar personen. Zijn verbale agressie is voornamelijk gericht op zorgmedewerkers. Gelet op deze aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten, het strafblad (met daarop onder meer een poging tot verkrachting en een mishandeling), de chronische en complexe psychische problematiek van de verdachte en het hoge recidiverisico, oordeelt de rechtbank dat ook aan deze voorwaarde is voldaan. Zoals de reclassering, en ook de Pro Justitia-deskundigen benoemen, heeft de verdachte langdurige begeleiding en behandeling nodig om het recidivegevaar te verminderen.

De tbs-maatregel met dwangverpleging is een uiterst middel. Omdat in deze zaak geen sprake is van (fysieke) geweldsfeiten en de wachtlijsten tot plaatsing in een tbs-kliniek op dit moment lang zijn, heeft de rechtbank geworsteld met de vraag of de nodige begeleiding en behandeling niet buiten het kader van tbs met dwangverpleging kan worden vormgegeven.

Op grond van wat hiervoor is overwogen, komt de rechtbank toch tot het oordeel dat de (klinische) setting die een tbs-maatregel met dwangverpleging biedt, het enige geschikte traject is om de verdachte de juiste structuur, hulp en behandeling te bieden die hij nodig heeft. Eerdere hulpverlening in voorwaardelijke strafkaders en in het kader van de zorgmachtiging (met klinische opname) hebben onvoldoende effect gehad. De rechtbank ziet geen mogelijkheid de noodzakelijke behandeling binnen een minder strikt kader te realiseren, omdat ziektebesef en (duurzame) behandelmotivatie bij de verdachte ontbreken. Dat de verdachte op dit moment wel bereid zou zijn zich aan bijzondere voorwaarden te houden, zoals de advocaat op de zitting heeft gesteld, maakt de beslissing van de rechtbank dan ook niet anders. Daarbij komt dat de verdachte zich ook nu nog verzet tegen de (bijzondere) voorwaarde van klinische behandeling en hoe dan ook niet wil meewerken aan voorwaarden in een voorwaardelijk tbs-kader, zoals zijn advocaat namens de verdachte op de zitting heeft verklaard. Er is onvoldoende vertrouwen dat de verdachte voorwaarden in een minder ingrijpend kader kan en zal nakomen.

Maximering

De bewezen verklaarde feiten waarvoor de tbs-maatregel met dwangverpleging wordt opgelegd, te weten: bedreigingen, zijn (in dit geval) niet aan te merken als misdrijven gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam. De bedreigingen zijn niet voorafgegaan door, vergezeld of gevolgd door geweld. De rechtbank zal daarom geen ongemaximeerde tbs-maatregel met dwangverpleging opleggen, maar de duur van de maatregel beperken tot maximaal vier jaren.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM)

Rekening houdend met de maximering van de op te leggen tbs-maatregel, de complexe (chronische) psychische problematiek, het hoge recidiverisico en de (vermoedelijk) benodigde langdurige behandeling, vindt de rechtbank het noodzakelijk om naast de tbs-maatregel ook een GVM aan de verdachte op te leggen. Aan de voorwaarden voor het opleggen van een dergelijke maatregel is voldaan. De GVM is bedoeld om de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen te beschermen, in aansluiting op een in duur gemaximeerde tbs-maatregel. Zo wordt de mogelijkheid gecreëerd om na afloop van de tbs-maatregel toezicht op de verdachte te houden en dan bijzondere voorwaarden te formuleren waaraan hij zich moet houden, indien dat op dat moment nog noodzakelijk wordt gevonden.

De rechtbank merkt op dat de maatregel pas ten uitvoer kan worden gelegd na een daartoe strekkende vordering van het Openbaar Ministerie tegen het einde van de tbs-maatregel en een daaropvolgende beslissing van de rechtbank (artikel 6:6:23a e.v. van het Wetboek van Strafvordering).

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf

Gelet op de ernst van de bedreigingen en het aantal personen dat de verdachte met zijn gedrag heeft lastig gevallen, als ook de recidive van de verdachte, vindt de rechtbank (daarnaast) de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. De aard van de feiten rechtvaardigen echter niet een straf gelijk aan de (lange) duur van het voorarrest. Zo is het landelijke oriëntatiepunt voor bedreiging (zonder wapen) een geldboete én is de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar. Alles afwegende vindt de rechtbank de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand, met aftrek van het voorarrest, passend.

5.3.4.

De voorlopige hechtenis

Omdat de rechtbank tbs met dwangverpleging oplegt, zal zij de voorlopige hechtenis niet opheffen.

6 Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: artikelen 37a, 37b, 38z, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

7 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • verklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder parketnummer 16/226535-25 en 16/254911-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;

  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;

strafbaarheid feit

- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;

strafbaarheid verdachte

- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 1 maand;

  • bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

tbs-maatregel met dwangverpleging

  • gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd;

  • bepaalt dat de terbeschikkingstelling in duur is gemaximeerd tot 4 jaar;

gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mrs. K. de Meulder en G.M.C. Klink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.W. Hekker, als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.

De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 16/226535-25

1 hij op of omstreeks 21 augustus 2025 te Utrecht medewerkers en/of ambtenaren werkzaam bij politiebureau [locatie] in Utrecht centrum, althans de Nationale Politie heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door mede te delen- "Die collega gaat dood, geld op zijn kop zetten" en/of- "Ik ga je collega slopen, als ik hem tegenkom zonder wapen, niemand gaat een kans krijgen, als je geen outfit aan hebt ga ik je slopen" en/of- "Als ik morgen niet gebeld wordt met de naam van die agent, als ik er achter kom wie dit is, ga ik geld op zijn hoofd zetten en een handgranaat op [locatie] te gooien" en/of- "Ik heb zin om iemand te vermoorden" en/of- " [naam] is niet de enige"en/of woorden van gelijke aard en strekking;

2hij in of omstreeks de periode 27 juli 2025 tot en met 17 augustus 2025 te Utrecht, althans in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen- "ik maak jou dood" en/of- "ik wil jullie allemaal dood zien" en/of- "als ik je nog 1 keer in Utrecht zie zal ik geld op je kop zetten" en/of- "ik zorg eerst dat jij eerst dood bent",althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

parketnummer 16/254911-25 1hij in of omstreeks de periode 22 februari 2024 tot en met 3 juni 2024 te Almere, althans in Nederland, [slachtoffer 2] woordelijk en/of schriftelijk heeft bedreigd met openlijk geweld en/of verkrachting en/of enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:- "Bitch. Ik heb zin om je in je gezicht te schoppen. Vieze kanker hoer.";- "Ik neuk je, ik verkracht je in je vieze kutje. Ik doe je iets aan. Ik hoop dat je doodgereden wordt.";- "De volgende keer dat je weer op locatie komt, dan krijg je 2 blauwe ogen en eengebroken neus van mij.";-“Geloof mij, ik sloop jullie allebei, tegelijk. Kankermongolen.”-“Jij, met je nieuwe kanker man, bro. Geloof me, die kanker nieuwe Hollander, ikbreek hem, voor je neus bro. Geloof je joh, geloof mij. Jullie allebei tegelijk.”althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2hij in of omstreeks 11 september 2025 tot en met 15 september 2025 te Utrecht, althans in Nederland, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of andere medewerkers van [instelling] (indirect) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of brandstichting, door die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of andere medewerkers van [instelling] (indirect) dreigend de woorden toe te voegen:- "Ik ga [slachtoffer 3] haar kankerkop van haar lichaam trekken. Die kanker vieze duivel gaat dood. Ik maak ze allemaal dood. Ga haar laten bellen." En/of- "Jullie allemaal gaan de kanker krijgen, door mij. Zorg dat jullie allemaal gepakt worden." en/of- te zeggen dat als hij die [slachtoffer 3] niet aan de telefoon zou krijgen, hij haar zou vinden en dood zou maken en/of- te zeggen dat hij hen allemaal dood zal maken en een granaat op [instelling] zal gooien.althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Bijlage II: Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van parketnummer 16/226535-25 1

feit 1:

De verdachte verklaart bij de rechter-commissaris - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

De rechter commissaris: U wordt verdacht van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht op 21 augustus 2025 te Utrecht. U heeft verschillende keren gebeld naar de politie.

De verdachte: Ik was gefrustreerd. Ik deed dat uit emotie.2

Aangever [aangever 1] verklaart namens de politie - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Op 21 augustus 2025 was ik belast met de incidentafhandeling binnen Utrecht-Stad. Die dag belde de verdachte (de rechtbank begrijpt: [verdachte] ) in naar het alarmnummer. In dat telefoongesprek deed de verdachte dreigende uitspraken. Ik las de volgende logging op het meldkamerscherm:

- Hij is volgens zichzelf net als [naam] , “ [naam] is niet de enige”, “doodmaken, neer laten gaan”.- “die collega gaat dood, geld op zijn kop zetten”;- “De politie is getraind om te beveiligen, [verdachte] is getraind om te vermoorden”;- “Ik ga je collega slopen, als ik hem tegenkom zonder wapen, niemand gaat een kans krijgen, als je geen outfit aan hebt ga ik je slopen”;3- “Als ik morgen niet gebeld word met de naam van die agent, als ik er achter kom wie dit is, ga ik geld op zijn hoofd zetten en een handgranaat op [locatie] te gooien”;- “Ik heb zin iemand te vermoorden”;

- “ Ik ga een handgranaat tegen politiebureau [locatie] gooien”;4

feit 2:

Aangeefster [slachtoffer 1] verklaart - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Plaats delict: Utrecht.

Op 17 augustus 2025 zag ik dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte [verdachte] ) meerdere spraakopnames gestuurd had. Ik zag dat [verdachte] gebeld had. Ik nam de telefoon op. In het begin praatte [verdachte] aardig, maar dit sloeg over in geschreeuw en gescheld. Ik hoorde dat hij de volgende uitspraak deed: “ik maak jou dood”. Ik heb geluidsfragmenten van ons gesprek op WhatsApp. Ik geef dit af aan de politie.5

Verbalisant [verbalisant 1] verklaart - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Ik was op het politiebureau voor het luisteren naar een geluidsopname, die door het slachtoffer beschikbaar was gesteld voor de politie. Ik hoorde een mannenstem, die ik ambtshalve herken als de stem van de verdachte [verdachte] . Ik hoorde de verdachte het volgende zeggen:- “je moet ophouden voordat ik geld op jouw kankerkop zet”;- “ik wil jullie allemaal dood zien”.6

Ten aanzien van parketnummer 16/254911-25 7

feit 1:

Aangever [getuige 2] verklaart namens [slachtoffer 2] - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende: Op 22 februari 2024 was [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) bij het Leger des Heils in [plaats] .8 [slachtoffer 2] vertelde aan mij dat [verdachte] zich naar haar richtte en dat zij hoorde dat [verdachte] tegen haar zei: “Bitch. Ik heb zin om je in je gezicht te schoppen. Vieze kanker hoer”.9 [slachtoffer 2] vertelde aan mij dat zij zag dat [verdachte] haar achterna kwam en bleef uitschelden. [slachtoffer 2] vertelde mij dat zij hoorde dat [verdachte] naar [slachtoffer 2] het volgende riep: “Ik neuk je, ik verkracht je in je vieze kutje. Ik doe je iets aan. Ik hoop dat je doodgereden wordt”. [slachtoffer 2] vertelde mij dat zij WhatsApp berichten ontving van [verdachte] .10

Op de bij voornoemd proces-verbaal van aangifte gevoegde screenshots van het WhatsApp-gesprek tussen [slachtoffer 2] en de verdachte staat onder meer - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende:

Pagina 16: “Als je nog hier alweer kom zal ik je blauwe ogen geven of je neus breken.”11

Op 3 juni 2024, pagina 19a: “Flikker op jij met je nieuwe man”.12

Verbalisant [verbalisant 2] verklaart - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

De WhatsAppberichten op bladzijde 16 van dit dossier zijn gestuurd op 22 februari 2024.13

Verbalisant [verbalisant 2] verklaart - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Door mij werden audioberichten afkomstig van aangever [slachtoffer 2] beluisterd. Het betreffen audioberichten die zij ontvangen heeft via berichtendienst Whatsapp en zijn gestuurd vanaf de telefoon van [verdachte] . Deze berichten zouden op 29 mei 2024 en 3 juni 2024 gestuurd zijn.

Ik hoorde een mannenstem praten en ik hoorde dat hij het volgende zei:

Spraakbericht 2: “Ja toch, wie dacht je dat je bent? Prinsesje [slachtoffer 2] ? Queen [slachtoffer 2] ? Geloof mij, ik sloop jullie allebei, tegelijk. Kankermongolen.” 14

Spraakbericht 3: “Jij, met je nieuwe kanker man, bro. Geloof me, die kanker nieuwe Hollander, ik breek hem, voor je neus bro. Geloof je joh, geloof mij. Jullie allebei tegelijk.”15

feit 2:

De verdachte verklaart op de zitting van 1 december 2025 - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer:

Het klopt dat ik dingen heb gezegd zoals 'ik ga [slachtoffer 3] haar kankerkop van haar lichaam trekken’.16

Aangever [getuige 2] verklaart namens medewerkers van [instelling] - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer:

Plaats delict: [instelling] in Utrecht.

[verdachte] belt sinds 11 september 2025 en 15 september 2025 naar medewerkers van [instelling] en naar het algemene nummer. In de telefoongesprekken heeft [verdachte] medewerkers bedreigd. De medewerkers die bedreigd zijn, betreffen:17- [slachtoffer 3] ,

- [slachtoffer 5] ,

- [slachtoffer 4] .

Zij zijn allen werkzaam bij [instelling] te Utrecht.

Op 15 september 2025 ben ik getuige geweest van een bedreiging die [verdachte] deed tegen [slachtoffer 3] . Hij belde [slachtoffer 4] . [slachtoffer 4] deed de telefoon op luidspreker. Ik hoorde dat [verdachte] het volgende zei: “Ik ga [slachtoffer 3] haar kankerkop van haar lichaam trekken. Die kanker vieze duivel gaat dood. Ik maak ze allemaal dood. Ga haar laten bellen”.18

[slachtoffer 4] verklaart - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Op 15 september 2025 belde [verdachte] mij. Hij deed een gerichte bedreiging naar [slachtoffer 3] . Dit is te horen een geluidsfragment wat ik heb van het gesprek heb opgenomen.19

Verbalisant [verbalisant 2] verklaart - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende: Het audiofragment was een opname van een deel van een telefoongesprek tussen [slachtoffer 4] en [verdachte] . Dit telefoongesprek heeft volgens [slachtoffer 4] op maandag 15 september 2025 plaatsgevonden. Ik hoorde op de audio 2 verschillende mannenstemmen. Eén van de stemmen herken ik als die van [slachtoffer 4] . De andere stem is mij niet bekend, maar dit is waarschijnlijk die van [verdachte] , derhalve heb ik deze aan [verdachte] toegeschreven.

Ik hoorde het volgende:- “Jullie allemaal gaan de kanker krijgen, door mij. Zorg dat jullie allemaal gepakt worden.”20- “Want ik ga [slachtoffer 3] zijn kankerkop van zijn lichaam aftrekken. kanker vieze duivel gaat dood hier. Ik maak ze allemaal dood. ik ga haar later bellen.”21

[getuige 1] verklaart - samengevat en zakelijk weergegeven - onder meer het volgende: Ik werk voor [instelling] in Utrecht. Op 11 september 2025 was ik bij [instelling] . Er werd gebeld. Ik hoorde dat ik [verdachte] aan de telefoon had. Ik herkende zijn stem en ik hoorde dat hij zijn naam zei. Ik hoorde dat [verdachte] zei dat als hij [slachtoffer 3] niet direct aan de telefoon zou krijgen hij ons allemaal dood ging maken. Ik hoorde dat hij dreigde een granaat naar [instelling] te gooien. Vervolgens hoorde ik hem zeggen dat hij ons allemaal wel zou gaan vinden en ons dood zou gaan maken.22

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »