RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12099246 \ UC EXPL 26-1263
Vonnis van 22 juli 2026
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. [handelsnaam],
in [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: E.A.P. van Lith,
tegen
[gedaagde] ,
In de gemeente [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de conclusie van repliek.
[gedaagde] heeft daarna niet meer gereageerd op de conclusie van repliek, hoewel hij daarvoor wel naar behoren de mogelijkheid heeft gehad.
2 De kern van de zaak
Volgens [handelsnaam] heeft [gedaagde] online zaken gekocht bij “ [webshop] ” (hierna: de webshop), maar heeft hij die zaken nooit betaald. Volgens [handelsnaam] heeft [gedaagde] bij die bestelling gekozen voor achteraf betalen via [handelsnaam] . [gedaagde] ontkent dat hij iets heeft besteld bij de webshop. [handelsnaam] vordert in hoofdsom € 36,49, plus rente en incassokosten. De kantonrechter wijst dat toe.
3 De beoordeling
Ambtshalve toetsing
De kantonrechter overweegt eerst dat uitgestelde betaling een vorm van kredietverlening is. Normaal gesproken zijn strenge regels van consumentenbescherming van toepassing, maar die zijn in dit geval minimaal. Het krediet is beperkt van omvang, moet binnen drie maanden worden terugbetaald en er worden geen of slechts onbetekenende kosten gerekend1. [handelsnaam] heeft aan de toepasselijke regelgeving op dit punt voldaan.
Voor de koopovereenkomst tussen de webshop en [gedaagde] gelden verder voor de webshop informatieplichten2. De kantonrechter stelt vast dat die verplichtingen in dit geval zijn nageleefd. Uit de overgelegde printscreens blijkt wel dat [gedaagde] niet actief akkoord is gegaan met de toepasselijkheid van algemene voorwaarden. Maar alle benodigde essentiële informatie is gegeven in de overgelegde printscreens, die [gedaagde] niet specifiek heeft betwist. In de overgelegde algemene voorwaarden staan geen oneerlijke bedingen die de toewijsbaarheid van rente en buitengerechtelijke incassokosten in de weg zouden staan.
De vordering wordt toegewezen
[gedaagde] ontkent wel dat hij iets heeft besteld of ontvangen, maar dat slaagt niet. Volgens [handelsnaam] kan zij het afleverbewijs niet meer over leggen, maar kan het niet anders dan dat [gedaagde] de zaken besteld en ontvangen heeft. Deze zijn volgens [handelsnaam] verstuurd naar het adres waar [gedaagde] woont. [handelsnaam] heeft verder (zo stelt zij) de factuur van de aankoop en diverse betalingsherinneringen per e-mail naar [gedaagde] verstuurd en die e-mails zijn ook geopend3. Dat moet (nog steeds volgens [handelsnaam] ) wel gebeurd zijn door [gedaagde] zelf, want met datzelfde e-mailadres heeft [gedaagde] ook met de rechtbank gecommuniceerd. Als [gedaagde] inderdaad niets zou hebben besteld of ontvangen, had het op zijn weg gelegen om dat in ieder geval duidelijk te maken, aldus [handelsnaam] .
De kantonrechter vindt de nadere toelichting van [handelsnaam] voldoende. Omdat [gedaagde] daar niet op heeft gereageerd, gaat de kantonrechter uit van de juistheid daarvan. Dat betekent dat de kantonrechter ervan uitgaat dat [gedaagde] de zaken heeft besteld en ontvangen, maar niet heeft betaald. [gedaagde] moet de hoofdsom betalen.
Dat geldt ook voor de gevorderde rente (€ 1,72 aan verschenen rente tot 22 januari 2026 plus de rente over de hoofdsom na daarna). Ook moet [gedaagde] de buitengerechtelijke incassokosten betalen (€ 40,00). [handelsnaam] heeft [gedaagde] naar behoren aangemaand volgens de bepalingen van artikel 6:96 lid 6 BW en de vordering voldoet voor de hoogte aan de staffel van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdsom, verschenen rente en incassokosten tellen op tot (€ 36,49 + € 1,72 + € 40,00 =) € 78,21.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [handelsnaam] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
120,78 |
|
|
- griffierecht |
€ |
139,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
86,00 |
(2 punten × € 43,00) |
|
- nakosten |
€ |
21,50 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
367,28 |
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [handelsnaam] te betalen een bedrag van € 78,21, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 36,49, met ingang van 22 januari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 367,28, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken door
mr. F.H. Charbon op 22 juli 2026.
RW1368