ECLI:NL:RBLIM:2026:10431

Datum uitspraak
07-10-2026
Instantie
Rechtbank Limburg
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Zaaknummer
11732265 \ CV EXPL 25-2605
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Schending nevenwerkzaamhedenbeding; aanzienlijke boetes verbeurt; matiging boete artikel 7:650 lid 6 BW.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 11732265 \ CV EXPL 25-2605

Vonnis van 7 oktober 2026

in de zaak van

BOUWQ B.V.,

te Son,

eisende partij,

hierna te noemen: BouwQ ,

gemachtigden: mrs. M.J.G.A. van Gelder, K. van Laar, J.J.E. van der Wallen en

T. Mimpen,

tegen

1 [gedaagde 1],

te [plaats],2. [gedaagde 2], H.O.D.N. [bedrijf],

te [plaats],

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden],

gemachtigde: mr. H.W.T. de Ruijter.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met 30 producties (inclusief beslagstukken)

- de conclusie van antwoord met 1 productie

- de brief van 13 november 2025 met producties 31 tot en met 48 zijdens BouwQ- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- de brief van 14 november 2025 met productie 2 zijdens [gedaagden]

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 november 2025

- de berichten van partijen van 17 februari 2026, waarin zij laten weten geen

overeenstemming te hebben

- de brief van 17 juli 2026 met producties 49 tot en met 55 zijdens BouwQ

- de brief, waarin is meegedeeld dat de mondelinge behandeling wordt voortgezet

- de nadere mondelinge behandeling van 30 juli 2026

- de spreekaantekeningen van beide partijen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

BouwQ is een onderneming die zich bezighoudt met het afgeven van kwaliteitsverklaringen voor bouwwerken, waaronder begrepen het ontwikkelen en beheren van beoordelingssystemen en het uitvoeren van ontwerpbeoordelingen en inspecties met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van bouwwerken en het bouwproces in alle fases van de bouw.

2.2.

BouwQ beschikt over een accreditatie als Type A inspectie-instelling conform ISO/IEC 17020. De accreditatie is een accreditatienorm voor inspectiebedrijven die wordt verleend door de Raad van Accreditatie. Inspectiebedrijven moeten aan onafhankelijkheids- integriteits- deskundigheids- en onpartijdigheidseisen voldoen voor het krijgen en behouden van de accreditatie.

2.3.

[gedaagde 1] is op 1 maart 2020 in dienst getreden bij BouwQ in de functie van Controleur Constructieve Veiligheid, laatstelijk tegen een loon van € 4.275,00 bruto per maand (exclusief vakantiegeld en overige emolumenten). In de arbeidsovereenkomst is onder artikel 15 een nevenwerkzaamhedenbeding opgenomen.

2.4.

[gedaagde 2] is de echtgenote van [gedaagde 1].

2.5.

[gedaagde 2] is eigenaar van [bedrijf]. Dit bedrijf is opgericht op

25 oktober 2023. In het uittreksel van de Kamer van Koophandel is onder meer opgenomen dat dit bedrijf zich bezig houdt met “Constructieberekeningen, detaillering en bouwkundig advies.”

2.6.

Op 24 maart 2025 heeft BouwQ [gedaagde 1] op staande voet ontslagen vanwege overtreding(en) van het nevenwerkzaamhedenbeding. De kantonrechter te Eindhoven heeft bij beschikking van 23 oktober 2025 geoordeeld dat het gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is. [gedaagde 1] is niet in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak.

2.7.

BouwQ heeft [gedaagde 1] laten weten aanspraak te maken op boetes wegens stelselmatige overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. BouwQ heeft [gedaagde 1] gesommeerd de boetes te voldoen, waaraan [gedaagde 1] geen gehoor heeft gegeven.

2.8.

BouwQ heeft – na verkregen verlof van de rechtbank – conservatoir (derden)beslag laten leggen ten laste van [gedaagden].

2.9.

BouwQ is hierna deze procedure gestart.

2.10.

Tijdens de 1e mondelinge behandeling is besproken dat partijen gaan proberen om een regeling te treffen. Partijen hebben de kantonrechter laten weten dat dit niet gelukt is.

De mondelinge behandeling is om die reden voortgezet op 30 juli 2026.

3 Het geschil

3.1.

BouwQ vordert - samengevat - :

Ten aanzien van [gedaagde 1]

  • veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 544.250,00 aan verbeurde contractuele boetes, vermeerderd met rente;

  • veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van € 4.496,25 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente;

  • voor recht te verklaren dat BouwQ op goede gronden een beroep op verrekening van de gefixeerde schadevergoeding heeft gedaan en dat zij aan [gedaagde 1] verder geen betaling verschuldigd is.

Ten aanzien van [bedrijf]

  • veroordeling van [bedrijf] tot betaling van € 12.650,65 aan schadevergoeding, vermeerderd met rente;

  • veroordeling van [bedrijf] tot betaling van € 901,51 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met rente.

Ten aanzien van [gedaagden]

  • hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de beslagkosten, vermeerderd met rente;

  • hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten, vermeerderd met rente.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van BouwQ, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van BouwQ, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van BouwQ in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Ten aanzien van [gedaagde 1]

4.1.

De kantonrechter te Eindhoven heeft bij beschikking van 23 oktober 2025

(onder meer) geoordeeld dat [gedaagde 1] het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden. [gedaagde 1] is niet in hoger beroep gegaan tegen deze uitspraak.

Hoewel [gedaagde 1] het niet eens is met dit oordeel van de kantonrechter te Eindhoven, kan over de in dit oordeel vastgestelde feiten en omstandigheden geen discussie meer plaatsvinden. In artikel 236 lid 1 Rv is namelijk bepaald dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben (gezag van gewijsde).

4.2.

Hieruit volgt ook dat [gedaagde 1] vanwege de schending van het nevenwerkzaamhedenbeding op grond van artikel 15.2. van de arbeidsovereenkomst aan BouwQ een opeisbare boete verbeurt van € 5.000,00 per overtreding en € 250,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt. De kantonrechter zal hierna de omvang van de boete bespreken. De kantonrechter merkt op dat de kantonrechter te Eindhoven over hetgeen hierna besproken en beoordeeld zal worden geen oordeel/beslissing heeft gegeven.

Omvang boete

4.3.

BouwQ stelt dat [gedaagde 1] in ieder geval 83 keer het nevenwerkzaamhedenbeding heeft geschonden, te weten:

  1. 1 overtreding wegens de inschrijving van [bedrijf] in het handelsregister van de Kamer van Koophandel;

  2. 82 overtredingen vanwege het namens [bedrijf] uitvoeren van 82 projecten.

a. Inschrijving Kamer van Koophandel

4.4.

Volgens BouwQ kwalificeert de inschrijving van [bedrijf] bij de Kamer van Koophandel als een overtreding van het nevenwerkzaamhedenbeding. BouwQ verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam1.

4.5.

[gedaagde 1] voert aan dat [gedaagde 2] de inschrijving heeft gedaan en dat het nevenwerkzaamhedenbeding niet uitdrukkelijk een inschrijving of oprichting van een onderneming verbiedt. De enkele inschrijving toont volgens [gedaagde 1] niet aan dat [gedaagde 1] zelf verboden nevenwerkzaamheden heeft verricht of anderszins direct of indirect bij gelijk of vergelijkbaar werk betrokken was.

4.6.

De kantonrechter volgt BouwQ niet in haar stelling en legt dit hierna uit.

4.7.

Het nevenwerkzaamhedenbeding (artikel 15 lid 1 van de arbeidsovereenkomst) luidt:

“15.1. Werknemer onthoudt zich van het verrichten van werkzaamheden voor derden gelijk

aan of vergelijkbaar met de voor werkgever te verrichten werkzaamheden, van het doen van zaken voor eigen rekening gelijk aan of vergelijkbaar met de zaken van werkgever, alsmede van elke directe of indirecte betrokkenheid of financiële interesse bij dergelijke werkzaamheden of zaken, een en ander behoudens de uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke toestemming van werkgever.”

Los van het feit dat [gedaagde 1] niet zelf de inschrijving heeft gedaan ziet het nevenwerkzaamhedenbeding specifiek op een verbod om feitelijk dezelfde werkzaamheden te verrichten als die [gedaagde 1] uit hoofde van zijn dienstverband voor BouwQ heeft verricht2. Administratieve handelingen die niet zien op het feitelijk uitvoeren van deze werkzaamheden vallen daarom niet onder dit verbod. Voormelde uitspraak van de rechtbank Rotterdam, waarnaar BouwQ verwijst, leidt niet tot een ander oordeel.

b) 82 projecten

4.8.

BouwQ voert aan dat [gedaagde 1] namens [bedrijf] ten minste 82 projecten heeft uitgevoerd. In dit verband heeft BouwQ gesteld dat [bedrijf] 81 facturen heeft gestuurd met de vermelding “constructieberekening” als verrichte werkzaamheid en 1 factuur met de vermelding “Bouwinspectie”. Beide werkzaamheden (constructieberekening en bouwinspectie) betreffen werkzaamheden die onder het nevenwerkzaamhedenbeding vallen. Volgens BouwQ dienen deze overtredingen gezien te worden als 82 afzonderlijke overtredingen.

4.9.

[gedaagde 1] voert aan dat BouwQ niet heeft aangetoond dat de facturen zien op 82 losse opdrachten en dat [gedaagde 1] deze 82 opdrachten heeft uitgevoerd. [gedaagde 1] wijst erop dat uit jurisprudentie (vgl. ECLI:NL:GHDHA:2023:2337 r.o. 6.27) volgt dat overtredingen vaker niet per individuele werkzaamheden zijn beoordeeld maar juist zijn gebundeld tot 1 feitencomplex/overtreding. [gedaagde 1] heeft daarnaast aangevoerd dat BouwQ de informatie (waaronder 82 facturen) op onrechtmatige wijze heeft verkregen en buiten beschouwing gelaten dient te worden.

4.10.

Wat betreft dit laatste punt over het onrechtmatig verkregen bewijs, kan de kantonrechter [gedaagde 1] niet volgen. Uit artikel 152 Rv volgt dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd en dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. In een civiele procedure geldt niet als algemene regel dat de rechter op onrechtmatig verkregen bewijs geen acht mag slaan. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken (welke belangen mede aan artikel 152 Rv ten grondslag liggen) zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs.3 In hetgeen [gedaagde 1] heeft aangevoerd, ziet de kantonrechter geen aanleiding het bewijs (de facturen) buiten beschouwing te laten.

4.11.

De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde 1] de met 82 facturen onderbouwde stelling van BouwQ, dat er sprake is van 82 opdrachten, onvoldoende heeft betwist. De tekst van de facturen is duidelijk en wijst op specifieke werkzaamheden voor steeds andere klanten. Daar tegenover volstaat [gedaagde 1] met een blote betwisting, terwijl hij kan verklaren over de inhoud van deze opdrachten. Dat is onvoldoende om de stelling van BouwQ in twijfel te brengen. Daarmee staat het aantal overtredingen van 82 vast.

4.12.

De kantonrechter volgt BouwQ ook in haar stelling dat dit 82 afzonderlijke, van elkaar losstaande, overtredingen oplevert. Doorslaggevend voor dit oordeel acht de kantonrechter dat tussen de 82 opdrachten geen onderling verband bestaat. Er is bijvoorbeeld niet gesteld dat het zou gaan om geclusterde opdrachten (tegelijk aanvaard) of dat er een ander verband tussen de opdrachten bestaat waarbij het aanvaarden van de ene opdracht automatisch leidt tot de andere opdracht. [gedaagde 1] heeft dus (in elk geval) 82 keer de afweging gemaakt, althans had kunnen maken, om de opdracht te aanvaarden en daarmee het nevenwerkzaamhedenbeding te schenden. Dat [gedaagde 1] - naar eigen zeggen - zich van geen kwaad bewust was, kan de kantonrechter niet volgen en hij verwijst naar rechtsoverweging 4.19.

4.13.

De conclusie van al het voorgaande is dat [gedaagde 1] in beginsel een boete verbeurt van € 410.000,00 (82 x € 5.000,004).

Beroep matiging boetes gehonoreerd

4.14.

[gedaagde 1] verzoekt de kantonrechter de boetes te matigen, omdat deze bovenmatig en buitensporig zijn. [gedaagde 1] wijst erop dat BouwQ geen werkelijke schade heeft geleden. BouwQ heeft niet aangetoond dat i) zij relaties heeft verloren, ii) zij accreditaties heeft verloren, iii) omzet heeft misgelopen of iv) andere schade heeft geleden.

Daarnaast voert [gedaagde 1] aan dat de totaal door [bedrijf] behaalde winst laag is (vergeleken met de boete) en hij failliet zal gaan bij toewijzing van de vordering van BouwQ (en met zijn gezin het huis zal verliezen). [gedaagde 1] wijst erop dat hij het beding anders geïnterpreteerd heeft en niet willen en wetens heeft overtreden. Hij wist niet dat BouwQ het beding mede bedoeld had om haar accreditatie en certificering te beschermen.

Ten slotte wijst [gedaagde 1] erop dat de vordering van BouwQ gebaseerd is op onrechtmatig verkregen bewijs en dit bij de matiging van de boete betrokken dient te worden.

4.15.

Volgens BouwQ dient het beroep op matiging van de boete niet gehonoreerd te worden. BouwQ wijst erop dat volgens de Hoge Raad matiging in zeer uitzonderlijke gevallen dient te worden toegepast.

4.16.

De kantonrechter zal de boete matigen en legt dit als volgt uit.

4.17.

Ingevolge het bepaalde in artikel 7:650 lid 6 BW is de rechter bevoegd de boete op een kleinere som te bepalen indien die hem bovenmatig voorkomt. De rechter dient te toetsen of de hoogte van de boete overeenstemt met het daarmee nagestreefde doel. Belangrijke gronden voor matiging zijn de aard van de overtreding, de schade van de werkgever, het voordeel voor de werknemer en de verhouding tussen de schade en de hoogte van de boete, alsook de hoogte van het salaris en de duur en omvang van het dienstverband.

4.18.

De kantonrechter acht de door [gedaagde 1] begane overtredingen ernstig en verwijtbaar. Het gaat om een groot aantal overtredingen (in elk geval 82). Van het verbod op onderhavige nevenwerkzaamheden en de op overtreding daarvan gestelde boete dient een voldoende preventieve werking uit te gaan. Dit geldt vooral nu vaststaat dat de accreditatie van BouwQ in gevaar komt bij overtreding van onderhavig beding met verstrekkende gevolgen voor BouwQ en haar medewerkers tot gevolg. Het is niet ondenkbeeldig dat het doek voor BouwQ zou kunnen vallen als de accreditatie wordt ingetrokken.

4.19.

Als [gedaagde 1] al niet op de hoogte was van de overtreding van het beding, dan had hij zich daar in ieder geval van bewust moeten zijn.

De werknemers van BouwQ, waaronder [gedaagde 1], dienen jaarlijks een verklaring te ondertekenen, waarvan de strekking is (kort samengevat) dat werknemers geen activiteiten mogen verrichten die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van BouwQ in gevaar brengen. [gedaagde 1] heeft deze verklaringen tijdens zijn ontwikkelgesprek op 30 november 2020 en 25 oktober 2024 ondertekend. Daarnaast heeft [gedaagde 1] in juli 2022, toestemming gevraagd om (op vrijwillige basis) advieswerkzaamheden voor een vriend te verrichten, hetgeen door BouwQ is geweigerd. BouwQ heeft toen aan [gedaagde 1] laten weten dat dit niet mag “met het oog op de onafhankelijkheid van BouwQ om te allen tijde onpartijdig te kunnen oordelen”. Dit heeft [gedaagde 1] er echter niet toe gebracht om eens bij BouwQ na te vragen hoe het dan staat met de geoorloofdheid van de door hem ondernomen activiteiten ten behoeve van [bedrijf]. Als het verbod hem werkelijk niet duidelijk is geweest, dan ontstaat toch het beeld dat [gedaagde 1] “niet heeft willen weten”, ofwel zijn hoofd bewust in het zand heeft gestoken. De gevolgen daarvan blijven dan voor rekening van [gedaagde 1].

4.20.

Hieruit volgt genoegzaam dat matiging van de boete tot nihil, zoals is verzocht, niet aan de orde is.

4.21.

Anderzijds heeft BouwQ weliswaar gesteld dat zij haar accreditatie had kunnen verliezen door de ontoelaatbare gedragingen van [gedaagde 1] waardoor het voortbestaan van BouwQ in gevaar zou zijn, maar inmiddels staat vast dat dit niet is gebeurd en ook niet meer gaat gebeuren. BouwQ heeft immers de organisatie die de accreditatie beheert over het voorval geïnformeerd. Vervolgens heeft deze organisatie in een brief aan BouwQ de mogelijke gevolgen voor BouwQ geschetst maar uit dezelfde brief blijkt ook dat zij de stappen die BouwQ heeft genomen (zoals het ontslag van [gedaagde 1]) voldoende acht. De accreditatie van BouwQ is niet ingetrokken. Daarmee is er van rechtstreekse schade dus geen sprake.

4.22.

BouwQ heeft nog gewezen op haar beslag- en advocaatkosten (alsmede kosten deurwaarder van € 2.936,33). Volgens BouwQ bedragen de advocaatkosten in de ontslagzaak van [gedaagde 1] en onderhavige zaak circa € 100.000,00. [gedaagde 1] heeft aangegeven de hoogte van deze advocaatkosten buitensporig te vinden.

Naar het oordeel van de kantonrechter staat het BouwQ uiteraard vrij zelf te bepalen hoe zij procedures wil voeren maar dat betekent niet dat alle daaraan verbonden kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Vergoeding van proceskosten vindt plaats via het systeem van geliquideerde kosten. Had BouwQ haar reële kosten vergoed willen zien, dan had zij daartoe een vordering moeten indienen met daarbij de daarvoor vereiste motivering die vervolgens beoordeeld zou zijn op grond van de daarvoor geldende criteria.

4.23.

Uit de eigen stellingen van BouwQ volgt dat de door [bedrijf] behaalde winst begroot dient te worden op € 12.650,65, hetgeen niet in verhouding staat tot de boete.

4.24.

De kantonrechter heeft niet de overtuiging gekregen dat van de kant van [gedaagde 1] sprake is geweest van kwaad opzet, in de zin van het voorgenomen doel om BouwQ schade toe te brengen. Het lijkt er meer op dat hij de mogelijke consequenties onvoldoende op de juiste waarde heeft ingeschat. Daarnaast betreffen de werkzaamheden, op één opdracht na, activiteiten die niet concurrerend zijn met BouwQ, omdat zij deze niet verricht.

4.25.

[gedaagde 1] heeft verder voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in grote financiële problemen zou komen bij toewijzing van de boetes in volle omvang.

4.26.

Tenslotte. Hiervoor is het doel van een boete in een arbeidsovereenkomst al besproken. De boete moet, in verhouding tot de belangen die spelen, voldoende afschrikwekkend zijn en mag ook tot doel hebben collega’s van het plegen van een zelfde feit te weerhouden. Maar de boete is niet bedoeld als “verdienmodel”.

4.27.

Al het vorenstaande in aanmerking genomen ziet de kantonrechter aanleiding de gevorderde boete te matigen tot € 40.000,00. De door BouwQ gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar.

Verklaring voor recht gefixeerde schadevergoeding: vervaltermijn verstreken

4.28.

BouwQ vordert voor recht te verklaren dat BouwQ op goede gronden een beroep op verrekening van de gefixeerde schadevergoeding heeft gedaan en dat zij aan [gedaagde 1] verder geen betaling verschuldigd is. Aan deze vordering heeft BouwQ ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] aan haar een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, zodat hij een vergoeding aan BouwQ is verschuldigd. BouwQ heeft een verrekeningsverklaring verstuurd (op 24 maart 2025 dan wel 14 mei 2025) aan [gedaagde 1] binnen de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW, aldus BouwQ.

4.29.

Deze vordering is deels toewijsbaar.

Het artikel waarnaar BouwQ terecht verwijst (artikel 7:686a lid 4 sub a BW) heeft betrekking op onder meer het verzoek om wettelijke schadeloosstelling (bijvoorbeeld gefixeerde schadevergoeding). Dit verzoek moet worden ingediend binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Dat is echter niet gebeurd. De arbeidsovereenkomst is geëindigd op 24 maart 20255 en de vordering is ingesteld op 27 mei 20256. Indien de vervaltermijn is verstreken is daarmee de rechtsvordering vervallen. Dat betekent echter niet dat niet bij wege van verweer (verrekening) een beroep op de gefixeerde schadevergoeding zou kunnen worden gedaan. In zoverre is de vordering dus toewijsbaar.

Echter, er bestaat geen grondslag voor het niet verschuldigd zijn van bedragen die boven de som van het te verrekenen bedrag uitgaan.

Buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen

4.30.

BouwQ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen.

Gesteld noch gebleken is dat aan [gedaagde 1] een veertiendagen brief is verstuurd, hetgeen wel vereist is. [gedaagde 1] is immers een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf. De hoedanigheid van de schuldeiser (lees: BouwQ) is daarbij niet van belang. Ingevolge artikel 6:96 lid 6 BW dient in dit geval een veertiendagen brief verstuurd te worden.

Beslagkosten

4.31.

BouwQ vordert [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 1.051,947 voor kosten deurwaardersexploten m.b.t. [gedaagde 1], € 714,00 voor griffierecht en € 866,00 voor salaris gemachtigde (1,0 punt(en) × € 866,00), totaal € 2.631,94. De hierover gevorderde rente is eveneens toewijsbaar op de wijze als hierna vermeld.

Proceskosten

4.32.

[gedaagde 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van BouwQ worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

123,87

- griffierecht

€

747,008

- salaris gemachtigde

€

2.165,00

(2,5 punten × € 866,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

3.179,87

De hierover gevorderde rente is eveneens toewijsbaar op de wijze als hierna vermeld.

Ten aanzien van [bedrijf]

4.33.

BouwQ vordert [bedrijf] te veroordelen tot betaling van € 12.650,65. BouwQ heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [bedrijf] profiteert van de overtredingen van [gedaagde 1] en daarmee een zelfstandige onrechtmatige daad pleegt jegens BouwQ. [bedrijf] is gehouden de schade voortvloeiende uit deze onrechtmatige daad te vergoeding, aldus BouwQ.

4.34.

Een van de door [bedrijf] gevoerde verweren is dat geen sprake is van schade aan de zijde van BouwQ. De kantonrechter volgt [bedrijf] hierin en legt dit als volgt uit.

4.35.

Voor de vestiging van aansprakelijkheid is voldoende dat enige schade is geleden. Aan de hand van de regels van titel 1, afdeling 10 (art. 6:95 e.v.) moet vervolgens de omvang van de schadevergoedingsplicht worden vastgesteld. Anders dan BouwQ stelt, kan - in dit stadium - de schadevordering dus niet gebaseerd worden op artikel 6:104 BW.

4.36.

Volgens BouwQ heeft [bedrijf] evident schade geleden, omdat [bedrijf] mede inspectiewerkzaamheden heeft verricht en daarmee direct in het commerciële vaarwater van BouwQ heeft gezeten. [bedrijf] heeft winst ontnomen van BouwQ, hetgeen als schade kwalificeert, aldus BouwQ.

De kantonrechter kan BouwQ hierin niet volgen. Gesteld noch gebleken is dat BouwQ door voormeld gesteld handelen van [bedrijf] opdrachtgevers is kwijtgeraakt, althans minder opdrachten heeft gekregen. Van enige schade is de kantonrechter dan ook niet gebleken.

4.37.

Voor zover BouwQ aanvoert dat de geleden schade ziet op de gemaakte advocaatkosten ten aanzien van [bedrijf], overweegt de kantonrechter dat deze kosten nodeloos gemaakt zijn en niet aangemerkt kunnen worden als schade.

4.38.

De conclusie is dat de schadevordering ten aanzien van [bedrijf] reeds daarom afgewezen dient te worden. Dit geldt ook voor de nevenvorderingen (rente en incassokosten). De beslagkosten (exploten m.b.t. [bedrijf]) komen ook niet voor vergoeding in aanmerking. BouwQ is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf] worden begroot op € 1.224,00 (salaris gemachtigde 2,5 x € 432,00 + € 144,00 aan nakosten).

5 De beslissing

De kantonrechter

Ten aanzien van [gedaagde 1]

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan BouwQ te betalen een bedrag van € 40.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 24 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,

5.2.

verklaart voor recht dat BouwQ op goede gronden een beroep op verrekening van de gefixeerde schadevergoeding heeft gedaan en dat zij aan [gedaagde 1] verder geen betaling verschuldigd is, voorzover het te verrekenen bedrag betreft,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op

€ 2.631,94, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 3.179,87, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Ten aanzien van [bedrijf]

5.8.

wijst de vorderingen af,

5.9.

veroordeelt BouwQ in de proceskosten van € 1.224,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als BouwQ niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.10.

veroordeelt BouwQ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.11.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »