RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12164474 \ CV EXPL 26-1538
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
MR. [advocaat 1] , h.o.d.n. [advocatenkantoor],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [advocatenkantoor] ,
gemachtigde: mr. [advocaat 1] ,
tegen
[opdrachtgever] ,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [opdrachtgever] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie tevens houdende akte vermindering van eis- de conclusie van dupliek in reconventie.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Partijen hebben in juni 2025 een overeenkomst van opdracht gesloten, waarbij [advocatenkantoor] juridische bijstand heeft verleend aan [opdrachtgever] in de zaak tegen diens ex-partner. De overeenkomst is vastgelegd in de opdrachtbevestiging van 18 juni 2025. De algemene voorwaarden van [advocatenkantoor] zijn op de overeenkomst van toepassing. Met de toezending van de opdrachtbevestiging is een voorschotnota van € 2.858,63 aan [opdrachtgever] gestuurd. De nota kwam overeen met tien uren honorarium. [opdrachtgever] heeft het voorschot betaald.
De dienstverlening had betrekking op een kortgeding- en een bodemprocedure. Mr. [advocaat 2] trad eerst op voor [opdrachtgever] . Nadat een vertrouwensbreuk was ontstaan, heeft mr. [advocaat 1] van [advocatenkantoor] de zaak opgepakt.
Op 13 februari 2026 heeft [opdrachtgever] het vertrouwen opgezegd en de opdracht beëindigd.
[advocatenkantoor] heeft aan [opdrachtgever] de volgende nota’s gestuurd.
Inzake kort geding
[nummer 1] 18 juni 2025 Voorschot € 2.858,63
[nummer 2] 24 juli 2025 Honorarium en
verrekening voorschot € 2.758,57
[nummer 3] 15 augustus 2025 Verschotten € 449,46
[nummer 4] 23 september 2025 Honorarium € 586,02
[nummer 5] 2 december 2025 Honorarium € 586,01
[nummer 6] 19 januari 2026 Honorarium € 142,94
Subtotaal € 7.431,63
Inzake bodemprocedure en overige werkzaamheden
[nummer 7] 23 september 2025 Honorarium € 3.930,61
[nummer 8] 23 september 2025 Voorschot € 2.858,63
[nummer 9] 30 oktober 2025 Honorarium en
verrekening voorschot € 2.558,47
[nummer 10] 30 oktober 2025 Voorschot € 2.858,63
[nummer 11] 18 november 2025 Griffierechten
Verweerschrift € 331,00
[nummer 12] 2 december 2025 Nulfactuur € 0,00
[nummer 13] 18 december 2025 Voorschot € 2.858,63
[nummer 14] 30 december 2025 Nulfactuur € 0,00
[nummer 15] 19 januari 2025 Nulfactuur € 0,00
[nummer 6] 19 januari 2025 Honorarium € 142,94
[nummer 16] 20 januari 2026 Honorarium en
verrekening voorschot € 896,03
Subtotaal € 16.292,00
Totaal € 23.723,63
De hiervoor cursief weergegeven facturen zijn niet betaald. Het gaat om een totaalbedrag van € 4.376,34. Hierop is al een deelbetaling van € 107,27 in mindering gebracht.
[opdrachtgever] heeft een andere advocaat ingeschakeld en de gemaakte kosten gefactureerd gekregen.
3 Het geschil
in conventie
[advocatenkantoor] vordert - samengevat - veroordeling van [opdrachtgever] tot betaling van € 5.057,13 (€ 4.376,34 aan hoofdsom en € 680,79 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met rente en kosten.
[opdrachtgever] voert verweer. [opdrachtgever] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [advocatenkantoor] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [advocatenkantoor] , met veroordeling van [advocatenkantoor] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
[opdrachtgever] vordert - samengevat en na vermindering van eis- veroordeling van [advocatenkantoor] tot betaling van € 10.719,79, vermeerderd met rente en kosten. Het gevorderde bedrag bestaat uit de kosten van de opvolgende rechtsbijstand en € 605,00 aan kosten van de ondersteuning in de zaak.
[advocatenkantoor] voert verweer. [advocatenkantoor] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [opdrachtgever] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [opdrachtgever] , met veroordeling van [opdrachtgever] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
in conventie
Inleiding
[advocatenkantoor] vordert betaling van de openstaande facturen. [opdrachtgever] is van mening niet te hoeven betalen omdat mr. [advocaat 2] en [advocatenkantoor] de werkzaamheden niet goed hebben uitgevoerd. Hij beroept zich – juridisch geduid – dus op een tekortkoming in de nakoming (wanprestatie). Volgens [opdrachtgever] heeft [advocatenkantoor] althans de kantoorgenoot (1) ten onrechte niet gereageerd op de akte van 29 oktober 2025 in de kortgedingprocedure en (2) gebrekkige informatie gegeven over de beschikking van 13 februari 2026, en tot slot (3) zijn de declaraties onvoldoende redelijk en controleerbaar. De eerste twee verwijten gaan over beroepsfouten en deze worden hierna het eerst besproken.
Toetsingskader beroepsfouten
Bij de beoordeling of sprake is van beroepsfouten moet als uitgangspunt worden genomen dat een advocaat als beroepsbeoefenaar de zorgvuldigheid dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Deze zorgvuldigheidsplicht brengt in de eerste plaats mee dat een advocaat zijn cliënt bij de wijze waarop hij een procedure voert, niet onnodig blootstelt aan voorzienbare en vermijdbare risico’s. Wanneer een advocaat een cliënt adviseert in het kader van een door een cliënt te nemen beslissing over een bepaalde kwestie, brengt de zorgvuldigheidsplicht in de tweede plaats mee dat de advocaat de cliënt in staat stelt goed geïnformeerd te zijn. Het antwoord op de vraag of en in welke mate een advocaat de cliënt daarbij behoort te informeren over en te waarschuwen voor een bepaald risico, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.1 In dat kader kan onder meer betekenis toekomen aan de ernst en omvang van het desbetreffende risico, de mate van waarschijnlijkheid dat dit zich zal realiseren en de mate waarin de cliënt ervan heeft blijk gegeven zich reeds van dat risico bewust te zijn.2 De zorgplicht van een advocaat brengt verder mee dat deze een eigen verantwoordelijkheid heeft, op grond waarvan de advocaat zich niet kan beperken tot wat de cliënt van hem vraagt, maar zelfstandig dient te beoordelen wat voor de zaak van belang is om daar vervolgens naar te handelen.
Schending van de beroepsnorm door de advocaat die niet de contractspartij is (zoals in dit geval mr. [advocaat 2] ) levert een toerekenbare tekortkoming op van de opdrachtnemer, die zich contractueel met de cliënt verbonden heeft.
Wat betekent dit in deze zaak?
Ten onrechte niet inhoudelijk gereageerd op de akte van 29 oktober 2025 in de kortgedingprocedure
[opdrachtgever] voert aan dat de akte van de wederpartij onjuiste en voor de omgangsregeling relevante stellingen bevatte. [advocatenkantoor] had er actief voor moeten zorgen dat de rechter niet beslist op onjuiste en onvolledige feiten. Dit heeft [advocatenkantoor] niet gedaan en hij heeft ook de rechtbank niet gevraagd om alsnog inhoudelijk te mogen reageren. Dit levert een tekortkoming op waardoor een reële kans op een betere procespositie of gunstigere beoordeling verloren is gegaan. Het procesnadeel heeft vervolgens geleid tot verdere escalatie, noodzaak van aanvullende rechtsbijstand, extra werkzaamheden en kosten.
[advocatenkantoor] betwist in strijd met de zorgplicht te hebben gehandeld en geeft een chronologische opsomming van wat er gebeurt en gedaan is. Mr. [advocaat 2] ging ervan uit dat er nog een mondelinge behandeling in de kortgedingprocedure zou plaatsvinden en de voorzieningenrechter heeft gemeend dat de beslissing over de omgangsregeling door de bodemrechter genomen zou moeten worden,
Ook betwist [advocatenkantoor] het gestelde procesnadeel omdat in de eerste plaats niet met absolute zekerheid vastgesteld kan worden dat de voorzieningenrechter bij foutloos handelen een andere beslissing had genomen, en in de tweede plaats omdat de zitting in de bodemzaak al was gepland op 16 januari 2026.
De kantonrechter is van oordeel dat op basis van wat aan feiten en omstandigheden is gepresenteerd niet vastgesteld kan worden dat [advocatenkantoor] een beroepsfout heeft gemaakt. Dit zou slechts anders zijn indien was komen vast te staan dat het wel inhoudelijk reageren op de akte van 29 oktober 2025 tot een andere uitkomst in het kortgedingvonnis zou hebben geleid. Dat staat echter niet vast en is ook niet aannemelijk gelet op de motivering van dat vonnis en het inmiddels bestaan van de bodemprocedure met de daarin bevolen mondelinge behandeling. Dat er verder door de vermeende fout een escalatie en extra kosten zijn ontstaan, kan evenmin op basis van de ingebrachte stellingen herleid worden. Bovendien volgt uit het verschil van inzicht tussen [opdrachtgever] en zijn ex-partner en diens houding bij mediation ook dat er sprake was escalatie was.
Gebrekkige communicatie rondom de beschikking van 13 februari 2026
Vast staat dat [advocatenkantoor] de beschikking van 13 februari 2026 aan [opdrachtgever] heeft toegestuurd. [opdrachtgever] stelt dat [advocatenkantoor] daarbij heeft nagelaten om hem adequaat en begrijpelijk te informeren over de inhoud en de directe rechtsgevolgen. Meer in het bijzonder is niet uitgelegd wat de term “uitvoerbaar bij voorraad’ betekent. [advocatenkantoor] heeft hiermee niet als een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat gehandeld, aldus [opdrachtgever] . Dit heeft geleid tot nadelige gevolgen, waaronder gemiste omgangsmomenten en verdere escalatie van het geschil.
[advocatenkantoor] stelt dat hij de beschikking meteen per e-mail aan [opdrachtgever] ter beschikking heeft gesteld. [opdrachtgever] had het vertrouwen al op 6 februari 2026 opgezegd en had zich tot een andere advocaat gewend. [advocatenkantoor] heeft zich vanaf dat moment onthouden van juridisch inhoudelijke werkzaamheden.
De kantonrechter overweegt dat binnen de in rechtsoverweging 4.2. geformuleerde kaders van een advocaat verwacht mag worden dat hij een uitspraak niet zonder verklarende uitleg doorstuurt. Vast staat echter dat een week voordat de uitspraak door [advocatenkantoor] aan [opdrachtgever] werd verstrekt, de opdracht door [opdrachtgever] werd opgezegd in verband met een vertrouwensbreuk. Als productie 2 bij conclusie van antwoord is een factuur overgelegd met de daarin ten grondslag liggende urenspecificatie. Daaruit volgt dat op 5 februari 2026 de intake bij de opvolgend advocaat heeft plaatsgevonden en dat op 10 februari 2026 de opdrachtbevestiging is gemaild. Onder deze omstandigheden kan een beroep op tekort schieten niet slagen.
Van belang is verder dat [opdrachtgever] niet heeft aangetoond dat hij door het zonder uitleg doorsturen van de uitspraak schade heeft geleden. Dit verweer wordt daarom bij gebrek aan onderbouwing verworpen.
De declaraties
[opdrachtgever] heeft als derde verwijt aangevoerd dat de declaraties onvoldoende redelijk en controleerbaar zijn. Ook heeft [advocatenkantoor] kosten in rekening gebracht die verband houden met de interne overdracht, terwijl deze overdracht nodig was omdat er eerder onvoldoende zorgvuldig was gehandeld.
[advocatenkantoor] betwist het verweer van [opdrachtgever] . De bestede tijd is per zes minuten geregistreerd en dat is in de advocatuur gebruikelijk. Verder stelt [advocatenkantoor] dat [opdrachtgever] niet aangeeft om welke posten het gaat.
Op [opdrachtgever] rust de stelplicht en eventueel de bewijslast van zijn stellingen dat er onjuist en teveel is gedeclareerd. [opdrachtgever] heeft onvoldoende feitelijk gesteld en aangetoond dat dit het geval is. Zoals hiervoor al is overwogen is niet komen vast te staan dat [advocatenkantoor] is tekort geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen die voortvloeien uit de verstrekte opdracht. Dit houdt in dat de kosten die de opvolgend advocaat bij Lamers in rekening heeft gebracht na het beëindigen van de opdracht met [advocaat 1] Advoaat niet voor rekening van laatstgenoemde kunnen komen. Verder geldt dat [opdrachtgever] niet, maar in elk geval onvoldoende, concreet aangeeft om welke facturen of onderdelen op de factuur het gaat. Weliswaar noemt [opdrachtgever] factuurnummers maar verder blijft het vaag of deze facturen niet of deels niet betaald moeten worden. Dit verweer wordt daarom bij gebrek aan onderbouwing verworpen.
De conclusie luidt daarom dat [opdrachtgever] de gevorderde hoofdsom van € 4.376,34 moet betalen. Over dit bedrag is [opdrachtgever] de rente verschuldigd zoals gevorderd.
De kantonrechter zal [opdrachtgever] niet toelaten tot bewijslevering. In de eerste plaats omdat [opdrachtgever] niet heeft voldaan aan de stelplicht, terwijl verder geldt dat het bewijsaanbod ziet op geschilpunten waarover in deze procedure inmiddels is geoordeeld.
Verrekening
Voor het geval hij nog iets moet betalen, beroept [opdrachtgever] zich op verrekening. In artikel 6 van de algemene voorwaarden is opgenomen dat verrekening alleen na schriftelijke toestemming van [advocatenkantoor] is toegestaan. De kantonrechter acht dit beding onredelijk bezwarend omdat het de rechten van de consument beperkt. Het beding wordt daarom vernietigd.
Dit beroep op verrekening wordt echter gepasseerd. Verrekening is alleen dan mogelijk als aan de eisen is voldaan zoals deze zijn opgenomen in artikel 6:127 BW. Een van de vereisten is dat het moet gaan om onbetwiste vorderingen. Dat is in deze zaak niet aan de orde omdat [advocatenkantoor] de vordering van [opdrachtgever] betwist.
De buitengerechtelijke kosten en proceskosten
[advocatenkantoor] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [opdrachtgever] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De overeenkomst bevat een incassokostenbeding. Het is een beding dat is bedoeld om in meerdere overeenkomsten te worden gebruikt en waarover niet afzonderlijk is onderhandeld. Omdat [opdrachtgever] een consument is, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of dit beding oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. [advocaat 1] heeft aan [opdrachtgever] echter geen aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Het gaat hierbij om de zogenoemde 14-dagenbrief. De gevorderde incassokosten worden daarom afgewezen.
[opdrachtgever] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [advocatenkantoor] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
127,08 |
|
|
- griffierecht |
€ |
265,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
720,00 |
(2 punten × € 360,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
1.256,08 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
[opdrachtgever] vordert betaling van de door hem geleden schade en onnodig gemaakte kosten als gevolg van de gebrekkige werkzaamheden door [advocatenkantoor] . De kantonrechter is van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen en verwijst kortheidshalve naar de overwegingen in conventie.
[opdrachtgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [advocatenkantoor] worden begroot op:
|
- salaris gemachtigde |
€ |
432,00 |
(2 punten × factor 0,5 × € 432,00) |
|
Totaal |
€ |
432,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter
in conventie
veroordeelt [opdrachtgever] om aan [advocatenkantoor] te betalen een bedrag van € 4.376,34, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectieve momenten van opeisbaarheid telkens tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [opdrachtgever] in de proceskosten van € 1.256,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
wijst de vorderingen van [opdrachtgever] af,
veroordeelt [opdrachtgever] in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
veroordeelt [opdrachtgever] tot betaling van de kosten van betekening als [opdrachtgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [opdrachtgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. |
||