ECLI:NL:RBGEL:2026:7987

Datum uitspraak
14-10-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Zaaknummer
C/05/469784
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Incident, verwijzing wegens verknochtheid, artikel 220 lid 1 Rv, tussentijds hoger beroep afgewezen

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: C/05/469784 / HZ ZA 26-254

Vonnis in incident van 14 oktober 2026

in de zaak van

CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS,

te Den Haag,

eisende partij,

hierna te noemen: COA,

advocaat: mr. A.G.A. van Rappard,

tegen

1 LE COCQ HOLDING DIDAM II B.V.,

te Didam,2. [gedaagde 1],

te [plaats] ,3. STICHTING LE COCQ,

te Didam,4. [bedrijf],

te [plaats] ,5. [gedaagde 2],

te [plaats] ,6. STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR LE COCQ,

te Didam,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: LCHD c.s.,

advocaat: mr. M.A. Oostendorp.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het (tussen)vonnis in incident van 2 september 2026- de akte uitlaten tussenvonnis van COA- de akte uitlating na tussenvonnis in incident van LCHD c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in het incident

2.1.

De rechtbank neemt over en blijft bij hetgeen zij heeft overwogen en beslist in haar tussenvonnis van 2 september 2026 (het tussenvonnis), tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Deze zaak is verknocht aan een eerder door LCHD tegen COA aanhangig gemaakte zaak bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag (12219385 RL EXPL 26-9571). De rechtbank heeft daarbij overwogen dat zij voornemens is om deze zaak op de voet van artikel 220 lid 1 Rv te verwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank Den Haag. Alvorens daartoe over te gaan, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over dit voornemen.

Verwijzing

2.2.

De rechtbank zal deze zaak op de voet van artikel 220 lid 1 Rv verwijzen naar de kantonrechter van de rechtbank Den Haag. Daartoe is het volgende redengevend.

2.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vorderingen van COA op LCHD verknocht zijn aan de zaak die LCHD in Den Haag aanhangig heeft gemaakt tegen COA. Zij verzetten zich dan ook niet tegen verwijzing van dit deel van deze zaak naar de kantonrechter van de rechtbank Den Haag.

2.4.

Volgens LCHD c.s. zijn de overige vorderingen (VIII tot en met XIII) in beperktere mate verknocht aan de procedure bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag. Voor de rechtbank is er geen twijfel over dat ook dit deel van deze procedure verknocht is aan de procedure bij de rechtbank Den Haag. Aan LCHD c.s. kan worden toegegeven dat het in de procedures (deels) om andere partijen gaat die tegenover elkaar staan en dat er (dus) ook andere rechtsverhoudingen zijn die beoordeeld moeten worden. Dat laat onverlet dat de beide procedures grotendeels op dezelfde (gestelde) feiten en omstandigheden zijn gebaseerd. Daarnaast – zoals LCHD c.s. zelf ook erkent – is voor de beoordeling van de vorderingen VIII tot en met XIII noodzakelijk dat de tussen LCHD en COA gesloten overeenkomsten worden gekwalificeerd, welke rechtsvraag eveneens voorligt in de procedure bij de kantonrechter van de rechtbank Den Haag. De juridische beoordelingen en beslissingen in de beide procedures zijn aldus onderling verweven. Zij dienen met elkaar in lijn te zijn en geen tegenstrijdigheden te behelzen. LCHD c.s. onderkent zelf ook dat de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van invloed is op de vorderingen VIII tot en met XIII en verzoekt daarom de behandeling van die vorderingen aan te houden in afwachting van de beslissing van de kantonrechter te Den Haag. Dit duidt er te meer op dat de vorderingen verknocht zijn. Vanwege deze samenhang tussen de vorderingen is gezamenlijke behandeling daarvan wenselijk.

Tussentijds hoger beroep

2.5.

LCHD c.s. heeft de rechtbank verzocht om verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen het vonnis in het incident wanneer de rechtbank de zaak verwijst naar de kantonrechter van de rechtbank Den Haag.

2.6.

De rechtbank stelt voorop dat dit incidentele vonnis een tussenvonnis in de hoofdzaak is, nu hiermee niet een eindbeslissing omtrent het gevorderde wordt gegeven. Tegen een dergelijk tussenvonnis kan ingevolge artikel 337 lid 2 Rv hoger beroep slechts tegelijk met het eindvonnis worden ingesteld, tenzij de rechter die het incidentele vonnis wijst de mogelijkheid van tussentijds hoger beroep uitdrukkelijk openstelt. De wetgever heeft deze bepaling opgenomen om fragmentatie van de instructie van de zaak, vertraging en processuele complicaties, een en ander als gevolg van tussentijds beroep, tegen te gaan en aldus de doelmatigheid en snelheid van de procedure te bevorderen. Slechts in uitzonderlijke gevallen, zoals een beslissing over controversiële rechtsvragen, kan hiervan worden afgeweken. De door LCHD c.s. genoemde omstandigheden – voor zover de rechtbank begrijpt dat de zaak te complex zou zijn voor behandeling door de kantonrechter en dat sprake is van een groot financieel belang in deze zaak– rechtvaardigen geen uitzondering. Voor zover LCHD c.s. meent dat verwijzing naar de kantonrechter van de rechtbank Den Haag impact heeft op de (voormalige) (in)directe bestuurders en aandeelhouder, heeft zij niet onderbouwd wat deze impact zou zijn. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel van artikel 337 lid 2 Rv. Het verzoek om openstelling van hoger beroep wordt dan ook afgewezen.

Proceskosten

2.7.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit incident geen van beide partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Slotsom

2.8.

De zaak zal in de stand waarin zij zich bevindt worden verwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag. De rechtbank wijst partijen in dit kader op hetgeen is bepaald in artikel 74 Rv.

2.9.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt naar de rechtbank Den Haag, kamer voor kantonzaken, locatie Den Haag, op dinsdag 27 oktober 2026 om 11.00 uur,

3.2.

wijst partijen erop dat zij op de hiervoor vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de kantonrechter eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren,

3.3.

wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,

3.4.

wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge artikel 8 lid 4 WGBZ zal worden verlaagd en dat het eventueel teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.

3.5.

wijst het verzoek van LCHD c.s. om tussentijds hoger beroep tegen dit vonnis in incident toe te staan af,

3.6.

compenseert de kosten van de procedure in het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.H.A. Heenk en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

RG/KH

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »