ECLI:NL:RBGEL:2026:7813

Datum uitspraak
08-10-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Zaaknummer
ARN 26/4710
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening. Verzoek afgewezen. Ontbreken spoedeisend belang. In de hoofdzaak wordt het beroep tegen het niet tijdig beslissen al behandeld in een versnelde procedure. De voorlopige voorzieningenprocedure is bedoeld voor het treffen van een tijdelijke maatregel en niet om eerder een inhoudelijke beslissing te krijgen op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het bestuursorgaan.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 26/4710

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 oktober 2026

in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heumen

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker heeft bij het college een aanvraag ingediend voor een voorziening in het kader van de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo-voorziening). Uitgaande van een aanvraagdatum van 21 juli 2026, heeft verzoeker het college op 5 augustus 2026 in gebreke gesteld vanwege het niet beslissen op die aanvraag. Op 30 augustus 2026 heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank vanwege het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag.1

2.1.

Met het bericht van 8 september 2026 (verstuurd op 9 september 2026) aan verzoeker, heeft het college de beslistermijn verlengd tot 12 oktober 2026. Op 14 september 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker ontvangen om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft de gronden voor zijn verzoek op 22 september 2026 nog aangevuld en de verzochte voorzieningen geherformuleerd. Verzoeker stelt dringend ambulante ondersteuning nodig te hebben bij het plannen, het bewaren van overzicht en het opbouwen van een basisbestaan binnen zijn mogelijkheden. De verzochte voorlopige voorzieningen strekken er dan ook toe om het besluit van 8 september 2026 te schorsen en het college op te dragen om binnen 48 uur na de uitspraak van de voorzieningenrechter een voorlopige Wmo-beschikking af te geven waarmee de door verzoeker beoogde zorgaanbieder per direct kan starten met de reguliere begeleiding van verzoeker. Daarnaast vraagt verzoeker om te bepalen dat het college een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag, voor elke dag dat het college niet aan de uitspraak van de voorzieningenrechter voldoet.

2.2.

De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Uit artikel 8:81 van de Awb vloeit verder voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van (formele en materiële) ‘connexiteit’. Het formele connexiteitsvereiste houdt in dat er naast het verzoek om een voorlopige voorziening ook sprake moet zijn van een bezwaar- of beroepszaak. Daarnaast moet wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken ook betrekking hebben op de inhoud van het (in de hoofdzaak) aangevochten besluit. Dit is het materiële connexiteitsvereiste.

2.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat een beroep tegen het niet tijdig beslissen door de rechtbank al wordt behandeld in een versnelde procedure. Het doel van de procedure bij niet tijdig beslissen is – zo nodig met oplegging van een dwangsom – het college te bewegen alsnog een besluit op de aanvraag te nemen. Dit is ook wat verzoeker aan de voorzieningenrechter heeft gevraagd. Het doel van een voorlopige voorziening procedure is evenwel om in afwachting van de uitspraak op het beroep een voorlopige maatregel te treffen. Verzoeker beoogt in feite met haar verzoek een inhoudelijke beslissing te krijgen op het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing. Daar is de voorlopige voorzieningenprocedure niet voor bedoeld. Bovendien heeft het college met het bericht van 8 september 2026 laten weten dat uiterlijk op 12 oktober 2026 een besluit op de aanvraag wordt genomen. Dat is eerder dan de uitspraaktermijn van acht weken die voor het beroep niet tijdig beslissen van toepassing is. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4.

De overige voorzieningen waar verzoeker (aanvullend) om verzoekt strekken ertoe om het college te verplichten de door verzoeker gewenste zorg (gespecificeerd naar omvang en zorgaanbieder) toe te wijzen. Het is echter niet aan de voorzieningenrechter om in plaats van het college te bepalen dat verzoeker via een Wmo-voorziening toegang krijgt tot een in omvang bepaalde zorgvorm geboden door een specifieke zorgaanbieder. Daartoe is de voorzieningenrechter niet bevoegd, zodat ook deze voorzieningen zullen worden afgewezen.

2.5.

Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog het volgende op. Voor zover eiser betoogt dat zijn inhoudelijke reactie en gronden tegen de door hem gestelde feitelijke afwijzing van zijn Wmo-aanvraag in het definitieve onderzoeksplan op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) als een beroep van rechtswege meegenomen kunnen worden, is het aan de rechtbank om in het kader van de beroepsprocedure niet tijdig beslissen dit betoog te beoordelen. Artikel 6:20 van de Awb is in 8:81, vierde lid, van de Awb niet van overeenkomstige toepassing verklaard op de procedure bij de voorzieningenrechter.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Het griffierecht wordt daarom niet vergoed en voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorzieningen af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. S.G. Hoijinck, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »