RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/106960-26
Datum uitspraak : 25 september 2026
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2001 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [woonplaats] ,
raadsman: mr. P. Ghasemi, advocaat in Eindhoven.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.
1 De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 8 april 2026 te Bemmel, gemeente Lingewaard,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
700 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, distikstofmonoxide (lachgas),
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd.
Beoordeling door de rechtbank
Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Bewijsmiddelen:
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 14-15;
- het proces-verbaal van bevindingen, p. 33-34; en
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 september 2026.
3 De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op of omstreeks 8 april 2026 te Bemmel, gemeente Lingewaard,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad,
700 kilogram, in elk geval een hoeveelheid, distikstofmonoxide (lachgas),
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
5 De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
6 De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Ook heeft de officier van justitie gevorderd om aan verdachte de maatregel kostenverhaal zoals bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet op te leggen voor een bedrag van € 5.250,00.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft een matiging van de op te leggen taakstraf bepleit, namelijk een taakstraf van 100 uur. Subsidiair is bepleit van de 150 uur een deel voorwaardelijk op te leggen. Verder is bepleit de maatregel kostenverhaal niet op te leggen, nu verdachte er volgens de verdediging geen geld mee heeft verdiend en hij het geldbedrag nu ook niet kan betalen.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 700 kilogram lachgas. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van lachgas, onder meer door het verslavende karakter ervan, een gevaar oplevert voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Bovendien gaat het gebruik van dergelijke verdovende middelen vaak gepaard met verschillende vormen van criminaliteit waarvan anderen overlast ondervinden en waardoor de samenleving schade wordt toegebracht. Daarnaast worden de verpakkingen van lachgas door gebruikers ervan vaak in de openbare ruimte en het milieu achtergelaten zodat ook hierdoor schade ontstaat. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van deze nadelige gevolgen.
Ten aanzien van de persoon van de verdachte merkt de rechtbank op dat uit zijn strafblad van 31 juli 2026 volgt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Daaruit blijkt ook dat hij op 16 juni 2026 een strafbeschikking opgelegd heeft gekregen voor een verkeersfeit, waardoor artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 28 augustus 2026. Hieruit volgt dat verdachte openstaat voor interventies om erachter te komen waar bepaald gedrag en gevoel bij hem vandaan komt, zodat hij in de toekomst keuzes kan (blijven) maken die goed voor hem zijn. De reclassering heeft een (deels) voorwaardelijke straf geadviseerd met oplegging van bijzondere voorwaarden, waaronder een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden en ambulante behandeling. Verder heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening gehouden met zijn schuldbewuste houding ter zitting en het feit dat hij openheid van zaken heeft gegeven. Verdachte heeft zijn leven inmiddels goed op de rit en hij is gemotiveerd om dat vol te houden. Hij heeft een baan, stabiele huisvesting, een relatie en verschillende regelingen voor het afbetalen van zijn schulden.
Binnen de rechtspraak zijn oriëntatiepunten voor straftoemeting ontwikkeld, met als doel het bevorderen van een consistent straftoemetingsbeleid. Voor het opzettelijk aanwezig hebben van lachgas zijn geen oriëntatiepunten beschikbaar. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank daarom gelet op straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
Alles afwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en zal zij aan verdachte opleggen een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering daaraan verbinden.
Maatregel kostenverhaal
Op 1 juli 2022 is artikel 13d van de Opiumwet in werking getreden en van toepassing op strafbare feiten die na de inwerkingtredingsdatum zijn gepleegd. Deze bepaling ziet op de ‘maatregel kostenverhaal’ en maakt het onder de daar vermelde voorwaarden mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid (zoals hier de lachgascilinders), worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp.
De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat de kosten van de vernietiging van de lachgascilinders in beginsel op de veroordeelde kunnen worden verhaald. Immers anders draait de politie en in bredere zin de samenleving op voor de hoge kosten van het vernietigen van een zeer groot aantal lachgasflessen. De omvang van de kosten van vernietiging en daarmee van de op te leggen maatregel dienen echter wel - in algemene zin - behoorlijk en transparant te worden onderbouwd.
Een enkel proces-verbaal van de politie waarin de kosten van vernietiging zijn vermeld, is zonder onderliggende stukken waarop de berekening van die kosten is gebaseerd daartoe onvoldoende. De rechtbank verwijst naar de memorie van toelichting van deze wetsbepaling, waarin is vermeld:
“Om de rechter inzicht te geven in de gemaakte kosten is het nodig dat het openbaar ministerie aan het zaaksdossier een overzicht toevoegt van de gemaakte kosten voor de vernietiging van het inbeslaggenomen voorwerp. Als de kosten zijn gemaakt door een derde partij, kan worden volstaan met (kopieën van) de facturen die voor de verrichte werkzaamheden in rekening zijn gebracht. Als de vernietiging van meerdere partijen inbeslaggenomen voorwerpen gelijktijdig plaatsvindt, zijn de kosten voor de vernietiging van een bepaald voorwerp of van een bepaalde partij voorwerpen in veel gevallen enkel inzichtelijk te maken en te verantwoorden op basis van de gemiddelde kostprijs van de vernietiging van de desbetreffende stof per kilo. Indien de betrokken overheidsinstantie de kosten heeft gemaakt, dienen deze zo specifiek mogelijk te worden verantwoord.”2
De rechtbank zal gelet daarop daarom in deze zaak niet overgaan tot oplegging van de maatregel kostenverhaal nu een dergelijke specificatie ontbreekt.
8 De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen:
- 9, 14 a, 14b, 14c, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht;
- 3 en 11 van de Opiumwet.
9 De beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden;
-
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
-
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
-
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Leger des Heils op het adres Dr. Cuyperslaan 80 in Eindhoven of op telefoonnummer 088-0901140.
-
binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Verdachte houdt zich daarbij aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer;
-
indien de reclassering dat noodzakelijk acht gedurende de proeftijd meewerkt aan diagnostiek en de eventueel daaruit voortvloeiende behandeling door een forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling en de behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, cognitieve vaardigheden en/of sociale vaardigheden.
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Hierbij gelden als voorwaarden dat verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
legt op een taakstraf van 150 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen;
beveelt dat voor de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Breimer (voorzitter), mr. M.E. Snijders en
mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.L.M. van Schaik, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 september 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.