ECLI:NL:RBGEL:2026:7734

Datum uitspraak
09-10-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Zaaknummer
ARN 24/8785
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke weigering van de minister om informatie openbaar te maken naar aanleiding van het openbaarmakingsverzoek van eiseres op grond van de Wet open overheid (Woo). Dit Woo-verzoek gaat over de medische zorg voor asielzoekers. De vraag is of de minister op goede gronden een specifiek deel uit het calamiteitenrapport heeft gelakt, omdat op die passages de Woo niet van toepassing is. Eiseres is het niet eens met het lakken van dit specifieke deel uit het rapport. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister mocht weigeren om één van de twee passages openbaar te maken, omdat op die passage de Woo niet van toepassing is. Voor wat betreft de tweede passage mocht openbaarmaking niet geweigerd worden op die grond. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/8785

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. dr. T.S.G. Staal),

en

de minister van Volkshuisvesting, Welzijn en Sport

(gemachtigde: mr. J.P. Bloos).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke weigering van de minister om informatie openbaar te maken naar aanleiding van het openbaarmakingsverzoek van eiseres op grond van de Wet open overheid (Woo). Dit Woo-verzoek gaat over de medische zorg voor asielzoekers. De vraag is of de minister op goede gronden een specifiek deel uit het calamiteitenrapport heeft gelakt, omdat op die passages de Woo niet van toepassing is. Eiseres is het niet eens met het lakken van dit specifieke deel uit het rapport. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van openbaarmaking van het specifieke deel uit het calamiteitenrapport.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister mocht weigeren om één van de twee passages openbaar te maken, omdat op die passage de Woo niet van toepassing is. Voor wat betreft de tweede passage mocht openbaarmaking niet geweigerd worden op die grond. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 5 april 2023 verzocht om openbaarmaking van informatie over de medische zorg voor asielzoekers.

2.1.

De minister heeft met het besluit van 4 oktober 2023 de gevraagde informatie gedeeltelijk openbaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 30 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres heeft de minister het bezwaar gegrond verklaard, het bestreden besluit herroepen en diverse informatie alsnog openbaar gemaakt.

2.2.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.3.

De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang van het geschil

3. De rechtbank stelt vast dat het beroep van eiseres is beperkt tot één van de documenten die door de minister gedeeltelijk openbaar zijn gemaakt. Het beroep ziet op document 22, een calamiteitenrapport, meer specifiek op de kolom ‘Commentaar en Herstelmomenten’, het vakje onderaan pagina 7 doorlopend in pagina 8. In geschil zijn twee passages. Passage één is de passage tot ‘verwachten we’, passage twee is de passage na ‘verwachten we’. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennisgenomen van deze passages. De vraag die beantwoord moet worden is of een openbaarmakingsregime uit de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) van toepassing is op deze specifieke passages.

Het toetsingskader

4. Op een verzoek om openbaarmaking van informatie is de Woo van toepassing, tenzij een bij bijzondere wet vastgesteld apart regime van toepassing is.1 De bijlage bij de Woo somt de bijzondere wetten op waarvoor de Woo niet geldt. Voor zover hier van belang staat in deze bijlage: Wet kwaliteit, klachten, en geschillen zorg:

  • artikel 25, derde lid, voor zover gegevens of dossiers in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Awb aan een aangewezen toezichthouder zijn verstrekt, ter zake waarvan de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is.

  • artikel 9, zevende lid, voor zover de zorginstelling werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan.

Deze bepalingen gaan dus voor op de Woo.

4.1.

Artikel 25, derde lid, van de Wkkgz luidt als volgt: Voor zover bij het onderzoeken van een melding gegevens van een cliënt ter beschikking van de inspectie zijn gekomen, ter zake waarvan de betrokken zorgverlener uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de ambtenaren van de inspectie jegens anderen dan de cliënt.

4.2.

Artikel 9, zevende lid, van de Wkkgz luidt als volgt: De gegevens in het register, bedoeld in artikel 7, tweede lid, betreffende intern gemelde incidenten, zijn niet openbaar. De bijlage bij de Woo voegt hieraan toe dat dit geldt voor zover de zorginstelling werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan.

Mocht de minister weigeren de passages openbaar te maken omdat artikel 25, derde lid, van de Wkkgz van toepassing is?

5. Eiseres betoogt dat er op pagina 7 en 8 teveel gelakt is. Zij stelt dat in de kolom ‘Commentaar en Herstelmomenten’, het vakje onderaan pagina 7 doorlopend in pagina 8 onterecht is gelakt. Het is volgens eiseres niet goed te volgen waarom alleen in dit vakje van de kolom het oordeel over het al dan niet juist handelen van de zorgverleners geheel zou moeten worden weggelakt omdat het medische informatie zou betreffen. Dit standpunt komt er op neer dat de minister ten onrechte artikel 25, derde lid, van de Wkkgz op de gelakte passages van toepassing acht.

5.1.

De minister stelt zich op het standpunt dat de in geschil zijnde passages terecht niet openbaar zijn gemaakt. Volgens de minister bevatten deze passages informatie waarop een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing is met een uitputtend karakter. Het gaat daarbij om het afgeleide medisch beroepsgeheim van de inspectie, zoals neergelegd in artikel 25, derde lid, van de Wkkgz. De minister voelt zich in zijn standpunt gesteund door een uitspraak van de Afdeling.2

5.2.

De beroepsgrond slaagt niet voor wat betreft passage één. De rechtbank heeft deze passage gelezen en stelt vast dat het hierin gaat om gegevens zoals bedoeld in artikel 25, derde lid, van de Wkkgz. De in deze passage opgenomen informatie betreft medische patiëntgegevens en daarmee nauw verweven andersoortige informatie. De minister mocht daarom openbaarmaking van deze passage weigeren.

5.3.

De beroepsgrond slaagt wel voor wat betreft passage twee. De minister heeft op de zitting namelijk het standpunt laten vallen dat passage twee onder artikel 25, derde lid, van de Wkkgz valt. De minister stelt zich nu op het standpunt dat voor wat betreft passage twee artikel 9, zevende lid, van de Wkkgz van toepassing is. Dit nieuw ingenomen standpunt leidt ertoe dat de beroepsgrond voor wat betreft passage twee slaagt. De minister handhaaft immers niet langer zijn motivering op dit punt.

Mocht de minister weigeren passage twee openbaar te maken omdat artikel 9, zevende lid, van de Wkkgz van toepassing is?

6. De rechtbank stelt vast dat voor wat betreft passage twee de vraag voorligt of er sprake is van een intern gemeld incident. Op deze weigeringsgrond heeft de minister pas na het bestreden besluit een beroep gedaan. De rechtbank beoordeelt deze weigeringsgrond omdat, als deze van toepassing is, er grond kan zijn de rechtsgevolgen in stand te laten.

6.1.

Als er sprake is van een intern gemeld incident dan mocht de minister weigeren passage twee openbaar te maken op grond van artikel 9, zevende lid, van de Wkkgz. De minister vindt dat er sprake is van een intern gemeld incident. Eiseres heeft op de zitting haar visie gegeven over wanneer er sprake is van een intern gemeld incident.

6.2.

De minister stelt zich op het standpunt dat artikel 9, zevende lid, van de Wkkgz als bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter de openbaarmaking verhindert zodat openbaarmaking van de betreffende passages terecht is geweigerd. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is volgens de minister namelijk verantwoordelijk voor de organisatie en financiering van de toegang tot onder andere medische zorg voor asielzoekers. Het COA is een zelfstandig bestuursorgaan en valt onder de (politieke) verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De GezondheidsZorg Asielzoekers valt daarmee onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, zijnde het COA.

6.3.

Het betoog van eiseres slaagt. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in de wet en de toelichting daarop voor de interpretatie die de minister geeft aan een intern gemeld incident. Een zorgaanbieder moet voortdurend streven naar een verbetering van kwaliteit en veiligheid van zorg, door middel van een kwaliteitssysteem.3 Artikel 9 van de Wkkgz regelt een interne meldingsprocedure, intern gemelde incidenten moeten worden opgenomen in een register. Door incidenten in het register te registreren, verkrijgt de zorginstelling inzicht in de geleverde kwaliteit4 en kan zij leren van haar fouten. Het register is voor interne kwaliteitsdoeleinden. In dit geval is er geen sprake van een intern gemeld incident. Nog daargelaten de vraag of er sprake is van een incident, is er in ieder geval geen sprake van een interne melding. In dit geval heeft de huisarts van de HAP een melding gedaan bij de IGJ van een mogelijke calamiteit. Een melding bij de IGJ is per definitie geen interne melding omdat er buiten de zorginstelling gemeld wordt. De minister mocht daarom niet weigeren om passage twee openbaar te maken op de grond dat artikel 9, zevende lid, van de Wkkgz van toepassing is. Er is namelijk geen sprake van een intern gemeld incident.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat de minister het bestreden besluit gedeeltelijk niet langer handhaaft en het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt voor wat betreft passage twee het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op wat is overwogen onder 6.3 geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit, voor zover dat wordt vernietigd, in stand te laten. De rechtbank ziet ook geen reden om een bestuurlijke lus toe te passen of zelf een beslissing te nemen. Het is aan de minister om een nieuwe beoordeling te maken voor wat betreft passage twee.

7.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

7.2.

Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 30 oktober 2024 voor wat betreft passage twee;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187 aan eiseres moet vergoeden;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van

mr. C.M.J.C. Rooding, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »