RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 21/4431 t/m 21/4445 en 21/4447 t/m 21/4460
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van [*]
in de zaken tussen
Stichting Pensioenfonds APF, uit Tilburg, belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 23 juli 2021, 30 juli 2021 en 13 augustus 2021.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening van omzetbelasting voor alle tijdvakken (kwartalen) die zijn gelegen in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 maart 2021.
De inspecteur heeft het bezwaar tegen de voldoening voor het vierde kwartaal 2017 niet-ontvankelijk verklaard en de overige bezwaren ongegrond verklaard.
De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
Bij brief van 23 december 2022 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat zij de zaak aanhoudt totdat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) heeft geantwoord op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen in beroepen van andere belanghebbenden.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het arrest van het HvJ van 5 september 2024, zaaknummers C-639/22 tot en met C-644/22, ECLI:EU:C:2024:688 (het BPL-arrest). Beide partijen hebben hiervan gebruik gemaakt.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Namens belanghebbende is verschenen [persoon 1] , bijgestaan door [gemachtigde 2] , [gemachtigde 1] , [persoon 2] en [persoon 3] . Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon 4] , [persoon 5] , [persoon 6] en [persoon 7] .
Belanghebbende heeft op de zitting het beroep tegen de uitspraak op bezwaar met betrekking tot het vierde kwartaal 2017 (zaak 21/4446) ingetrokken.
Feiten
1. Belanghebbende is het ondernemingspensioenfonds voor werknemers van Akzo Nobel Nederland B.V. (hierna: AkzoNobel) en AkzoNobel Chemicals B.V. (vanaf 9 oktober 2018 Nouryon Chemicals B.V., hierna: Chemicals) en de daarbij aangesloten ondernemingen.
2. Belanghebbende heeft volgens haar statuten als doel het treffen van voorzieningen ter zake van ouderdom, arbeidsongeschiktheid en overlijden van deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden, overeenkomstig de bepalingen van één of meer pensioenreglementen en werkt volgens een actuariële- en bedrijfstechnische nota (ABTN) over het te voeren beleid.
3. In artikel 5.1 van de statuten van belanghebbende is vermeld dat het bestuur van belanghebbende bevoegd is de middelen van belanghebbende te beleggen en dat de negatieve en positieve opbrengsten van deze beleggingen voor rekening
en risico van belanghebbende zijn.
4. In artikel 7.1 van de statuten is vermeld dat het bestuur één of meer pensioenreglementen vaststelt in overeenstemming met de pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst. De uitvoeringsovereenkomst is een schriftelijke overeenkomst tussen de werkgevers van de deelnemers en belanghebbende over de uitvoering van pensioenovereenkomsten. In de pensioenovereenkomst is vastgelegd hetgeen tussen werkgevers en werknemers of vakorganisatie over het pensioen is overeengekomen, voor zover die afspraken op basis van een uitvoeringsovereenkomst bij belanghebbende zijn ondergebracht.
5. Belanghebbende heeft met AkzoNobel en Chemicals uitvoeringsovereenkomsten gesloten. De uitvoeringsovereenkomsten hebben betrekking op alle door AkzoNobel en Chemicals aangegane pensioenverplichtingen waarop het pensioenreglement van toepassing is. In het dossier bevindt zich een uitvoeringsovereenkomst met AkzoNobel van 1 januari 2016. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
Artikel 3 Aanmelding, acceptatie en uitvoering
(…)
2. Het fonds verplicht zich jegens AkzoNobel tot uitvoering van de pensioenovereenkomst,
zoals neergelegd in het Pensioenreglement tegen betaling van de hiervoor tussen het
fonds en AkzoNobel overeengekomen premie door AkzoNobel. Een en ander geldt met
inachtneming van het bepaalde hieromtrent in de statuten, het Pensioenreglement en deze
uitvoeringsovereenkomst. Het fonds verbindt zich derhalve de in het eerste lid bedoelde werknemers als deelnemer aan de pensioenregeling van het fonds te accepteren zodra zij volgens de bepalingen van de statuten en het Pensioenreglement daarvoor in aanmerking komen en aan bedoelde werknemers aanspraken op pensioen toe te kennen overeenkomstig de bepalingen van het Pensioenreglement.
(…)
Artikel 5 Financiering
1. AkzoNobel verplicht zich van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 ter financiering van de pensioenaanspraken middelloon uit hoofde van de pensioenovereenkomst, per jaar een werkgeverspremie te betalen aan het fonds zoals vastgelegd in Bijlage C bij deze overeenkomst.
2. De volgens het Pensioenreglement verschuldigde premies ter financiering van het
(voorheen Anw-vervangend) tijdelijk partnerpensioen van de deelnemers zullen conform
artikel 2.4.5 van het Pensioenreglement door AkzoNobel worden ingehouden op het
salaris. De door AkzoNobel ingehouden premies worden afgedragen aan het fonds. De
hoogte van deze premie wordt jaarlijks, uiterlijk 2 maanden voor aanvang van het
boekjaar van het fonds, door het fonds vastgesteld.
(…)”
6. Bij de uitvoeringsovereenkomst met AkzoNobel behoort een addendum van 16 februari 2017. Met het addendum zijn de hiervoor geciteerde artikelen 3, lid 2 en 5, leden 1 en 2, als volgt gewijzigd:
“(…)
Artikel 3 Aanmelding, acceptatie en uitvoering
(…)
2. Het fonds verplicht zich jegens AkzoNobel tot uitvoering van de pensioenovereenkomst, zoals neergelegd in het Pensioenreglement tegen betaling van de hiervoor tussen het fonds en AkzoNobel overeengekomen premie door AkzoNobel. De premie bevat tevens een
afzonderlijke vergoeding voor de uitvoeringskosten van het fonds. Met ingang van 1 januari 2016 brengt het fonds (met terugwerkende kracht) btw in rekening over de afzonderlijke vergoeding voor uitvoeringskosten. Een en ander geldt met inachtneming van het bepaalde hieromtrent in de statuten, het Pensioenreglement en deze uitvoeringsovereenkomst. Het fonds verbindt zich derhalve de in het eerste lid bedoelde werknemers als deelnemer aan de pensioenregeling van het fonds te accepteren zodra zij volgens de bepalingen van de statuten en het Pensioenreglement daarvoor in aanmerking komen en aan bedoelde werknemers aanspraken op pensioen toe te kennen overeenkomstig de bepalingen van het Pensioenreglement.
Artikel 5 Financiering
1. AkzoNobel verplicht zich van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2020 ter financiering van de pensioenaanspraken middelloon uit hoofde van de pensioenovereenkomst, per jaar een werkgeverspremie te betalen aan het fonds zoals vastgelegd in Bijlage C bij deze overeenkomst. De premie bevat tevens een afzonderlijke vergoeding voor de uitvoeringskosten van het fonds vermeerderd met btw.
2. De volgens het Pensioenreglement verschuldigde premies ter financiering van het
(voorheen Anw-vervangend) tijdelijk partnerpensioen van de deelnemers zullen conform
artikel 2.4.5 van het Pensioenreglement door AkzoNobel worden ingehouden op het salaris. De door AkzoNobel ingehouden premies worden afgedragen aan het fonds. De hoogte van deze premie wordt jaarlijks, uiterlijk 2 maanden voor aanvang van het boekjaar van het fonds, door het fonds vastgesteld.
(…)”
7. In het dossier bevindt zich ook een uitvoeringsovereenkomst met Chemicals van 1 januari 2018. Daarin is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
Artikel 3 Aanmelding, acceptatie en uitvoering
(…)
2. Het fonds verplicht zich jegens AkzoNobel Chemicals tot uitvoering van de pensioen
overeenkomst,- zoals neergelegd in het Pensioenreglement tegen betaling van de hiervóór
tussen het fonds en AkzoNobel Chemicals overeengekomen premie door AkzoNobel
Chemicals; De premie bevat tevens een afzonderlijke vergoeding voor de uitvoeringskosten van het fonds, Het fonds brengt btw in rekening over de afzonderlijke vergoeding voor uitvoeringskosten. Een en ander geldt met inachtneming van het bepaalde
hieromtrent in de statuten, het Pensioenreglement en deze uitvoeringsovereenkomst.
(…)
Artikel 5 Financiering
1. AkzoNobel Chemicals verplicht zich gedurende de looptijd van déze overeenkomst ter
financiering van de pensioenaanspraken middelloon uit hoofde van de
pensioenovereenkomst, per jaar een werkgeverspremie te betalen aan het fonds zoals
vastgelegd in Bijlage C bij deze overeenkomst. De premie bevat tevens een afzonderlijke
vergoeding voor de uitvoeringskosten van het fonds vermeerderd met btw.
2. De volgens het Pensioenreglement verschuldigde premies ter financiering van het
(voorheen Anw-vervangend) tijdelijk partnerpensioen van de deelnemers zullen conform
artikel 2.4.5 van het Pensioenreglement door AkzoNobel Chemicals worden ingehouden
op het salaris. De door AkzoNobel Chemicals ingehouden' premies worden afgedragen
aan het fonds. De hoogte van déze premie wordt jaarlijks, uiterlijk 2 maanden voor
aanvang van het boekjaar van het fonds, door het fonds vastgesteld (…)”
8. Partijen zijn het erover eens dat de uitvoeringsovereenkomsten die in het dossier zijn opgenomen representatief zijn voor de gehele periode 2013-2021.
9. Belanghebbende heeft in de jaren 2013-2021 diverse pensioenreglementen vastgesteld. In het dossier zijn pensioenreglementen voor de jaren 2018 en 2020 opgenomen. Partijen zijn het erover eens dat de bepalingen van het pensioenreglement voor het jaar 2018 gelijk waren aan die van de pensioenreglementen van de andere jaren in de periode van 2013-2021.
10. In het pensioenreglement zijn verschillende pensioenregelingen opgenomen: een middelloonregeling, een beschikbare premieregeling en vrijwillig pensioensparen. Over de middelloonregeling is het volgende opgenomen:
-
De (gewezen) deelnemer heeft aanspraak op de overeenkomstig dit reglement vast te stellen pensioenen indien en zolang is voldaan aan de daaraan gestelde voorwaarden.
-
Op grond van het pensioenreglement worden aanspraken toegekend op een ouderdomspensioen, een partnerpensioen, een Anw-vervangend tijdelijk partnerpensioen, een wezenpensioen en een arbeidsongeschiktheidspensioen.
-
De maandelijkse opbouw van het levenslange ouderdomspensioen bedraagt een percentage (2018: 1,875%) over het verschil tussen de inkomensgrondslag en de toepasselijke franchise (1/12e deel van € 13.344 (2018)). De hoogte van het levenslange ouderdomspensioen op enig tijdstip is gelijk aan het tot en met enige maand of gedeelte van een maand opgebouwde levenslang ouderdomspensioen. Voor het partnerpensioen geldt een lager opbouwpercentage (1,313%). Het wezenpensioen bedraagt 20% van het partnerpensioen.
-
De inkomensgrondslag is het vaste maandsalaris, de vaste ploegendiensttoeslag en de variabele bruto componenten die worden genoten uit de arbeidsovereenkomst. Bij de inkomensgrondslag wordt een maximum in acht genomen (2018: € 105.750)
-
In het pensioenreglementen zijn bepalingen over de toeslagverlening gedurende de opbouwfase en vanaf ingangsdatum van het pensioen opgenomen. Bij de toeslagverlening tijdens de opbouwfase wordt uitgegaan van een indexcijfer. In het pensioenreglement 2018 is dat de algemene loonindex van AkzoNobel. In 2020 is dat het door het CBS gepubliceerde consumentenprijsindexcijfer voor alle bestedingen. Voor de toeslagverlening na ingangsdatum geldt het consumentenprijsindexcijfer.
-
Indien de financiële toestand van belanghebbende daartoe aanleiding geeft, kunnen aanspraken en rechten worden verminderd (gekort).
11. In het pensioenreglement is over de toeslagverlening en kortingen het volgende opgenomen:
“(…) Indien en voorzover de middelen van het pensioenfonds toereikend zijn voor een toeslag, wordt deze toegekend. Er is echter geen recht op aanpassing en het is voor de langere termijn niet zeker of en in hoeverre aanpassing zal plaatsvinden. De toezegging van aanpassing is dus voorwaardelijk en is mede afhankelijk van de financiële positie van het pensioenfonds. De toeslagverlening wordt uit de algemene middelen gefinancierd. Er is voor de toeslagverlening geen reserve gevormd en er wordt geen premie voor betaald. Het bestuur beslist jaarlijks of en in hoeverre de pensioenaanspraken per 1 januari van het
daaropvolgende jaar worden aangepast.
(…)
Vermindering van aanspraken en rechten
2.12.2
Indien de financiële toestand van het pensioenfonds daartoe aanleiding geeft, kunnen de aanspraken en rechten van de (gewezen) deelnemers en andere aanspraakgerechtigden conform artikel 14 lid 1 van de statuten en 2. 12.3 van dit reglement naar evenredigheid worden verminderd, een en ander met inachtneming van 2.12.3.
2.12.3
De vermindering ingevolge 2.12.2. vindt uitsluitend doorgang indien:
a. de beleidsdekkingsgraad vijfjaar achtereen onder de minimaal vereiste dekkingsgraad blijft en de actuele dekkingsgraad in het vijfde jaar ook onder de minimaal vereiste dekkingsgraad is. Deze korting wordt onvoorwaardelijk en onherroepelijk toegepast;
b. het pensioenfonds niet in staat is binnen de maximale hersteltermijn te herstellen tot de vereiste dekkingsgraad zonder dat de belangen van deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, andere aanspraakgerechtigden of de Werkgever onevenredig worden geschaad en alle overige beschikbare sturingsmiddelen, met uitzondering van het
beleggingsbeleid, zijn ingezet om de tekortsituatie op te lossen. De benodigde korting wordt tenminste tijdsevenredig en onvoorwaardelijk doorgevoerd in het eerste jaar.
De vermindering heeft betrekking op de pensioenaanspraken en pensioenrechten van alle (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden en andere aanspraakgerechtigden.
Het pensioenfonds informeert de (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden, andere aanspraakgerechtigden en de Werkgever schriftelijk over het besluit tot vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten. De vermindering zal op zijn vroegst één maand nadat de (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden, andere aanspraakgerechtigden, Werkgever en toezichthouder hierover geïnformeerd zijn, worden gerealiseerd.
De toezichthouder wordt onverwijld door het pensioenfonds geïnformeerd over het voorgenomen besluit tot vermindering, als hier bedoeld.
(…)”
12. In de ABTN voor het jaar 2018 is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
Pensioenadministratie
Achmea Pensioenservices voert de administratie van de pensioenregeling (deelnemers-, uitkeringen- en financiële administratie) uit. In het administratiesysteem van APS zijn alle pensioenaanspraken, pensioenrechten, grondslagen, betalingsrelevante en overige pensioenrelevante gegevens van alle verzekerden opgeslagen. Mutaties worden ondersteund door systeemcontroles, werkinstructies en het vierogenprincipe. Het doel van de gegevensvastlegging is het verschaffen van een basis voor huidige en toekomstige pensioenbetalingen, informatieverstrekking aan verzekerden en belanghebbende
instanties.
(…)
Vermogensbeheer
Het advies over het vermogen is uitbesteed aan Achmea Investment Management (AIM). AIM is aangesteld als fiduciair beheerder van het pensioenfonds. Het operationeel beheer van vastrentende waarden (investment grade leningen, hypotheekleningen, high yield leningen en leningen opkomende markten) en zakelijke waarden (aandelen, onroerend goed en alternatives) is uitbesteed aan verscheidene vermogensbeheerders en beleggingsinstellingen. Het operationeel vermogensbeheer van staatsleningen en bedrijfsobligaties (investment grade leningen) vindt plaats door AIM.
(…)
2. PENSIOENREGELING
Aangesloten onderneming
Het pensioenfonds voert de pensioenregeling uit voor de werknemers van Akzo Nobel Nederland B.V. (AkzoNobel) en de werknemers van Akzo Nobel Chemicals B.V. (Specialty Chemicals). De afspraken tussen AkzoNobel en Specialty Chemicals en het pensioenfonds met betrekking tot de uitvoering van de pensioenovereenkomst zijn vastgelegd in twee aparte uitvoeringsovereenkomsten. In deze overeenkomsten zijn onder meer bepalingen opgenomen met betrekking tot de aanmelding van deelnemers, de premievaststelling, de wijze en het tijdstip van premiebetaling en de voorwaarden voor toeslagverlening.
(…)
Karakter van de regeling
Het pensioenfonds is met AkzoNobel en Specialty Chemicals overeengekomen dat ervoor het jaar 2018 sprake is van één pensioenregeling. De regeling is een collectieve middelloonregeling met een vaste werkgeversbijdrage en daarnaast een individueel beschikbare premieregeling voor het inkomen boven het opbouwgrensbedrag, afgetopt op 105.075 euro (stand per 1 januari 2018). De collectieve middelloonregeling met een vaste werkgeversbijdrage heeft het karakter van een uitkeringsovereenkomst, met inachtneming van de daaraan gekoppelde voorwaarden. De individueel beschikbare premieregeling heeft het karakter van een premieovereenkomst.
AkzoNobel en Specialty Chemicals zijn met de vakorganisaties overeengekomen dat AkzoNobel en Specialty Chemicals uitsluitend verantwoordelijk zijn voor het betalen van een vast percentage van de pensioengrondslag middelloon als werkgeverspremie. AkzoNobel en Specialty Chemicals staan derhalve niet garant bij een eventueel dekkingstekort van het pensioenfonds. Mocht een tekort ontstaan (volgens de DNB-voorschriften) dan worden de pensioenaanspraken en pensioenrechten van verzekerden, op een door het bestuur vast te stellen wijze en rekening houdend met alle belanghebbenden, gekort.
In de communicatie naar de deelnemers en gepensioneerden worden de risico’s van een collectieve middelloonregeling met een vaste werkgeverspremie expliciet genoemd. In de verschillende communicatie uitingen wordt nadrukkelijk medegedeeld dat de opgebouwde aanspraken en pensioenrechten niet onder alle omstandigheden gegarandeerd zijn.
(…)
Financiering
De basis van de pensioenregeling is een collectieve middelloonregeling met vaste werkgeversbijdrage aangevuld met een individuele beschikbare premieregeling voor het inkomen boven het opbouwgrensbedrag. Ten behoeve van de collectieve middelloonregeling is de werkgever een vaste premie verschuldigd, welke gedefinieerd is als percentage van de pensioengrondslag. De financieringsafspraak is vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomsten tussen AkzoNobel respectievelijk Specialty Chemicals en het pensioenfonds. Deze premie wordt aangeduid met feitelijke premie.
(…)
Op basis van de per 1 januari 2018 vigerende pensioenregeling voor werknemers van AkzoNobel, de actuele sterftegrondslagen, een actueel deelnemersbestand en de actuele kosten- en risico-opslagen is de werkgeverspremie voor 2018 als volgt vastgesteld.
De premie 2018 is als volgt te splitsen naar de verschillende premiecomponenten:
Premiecomponent Percentage van pensioengrondslag
Inkoop ouderdomspensioen (1,875%) 9,7%
Inkoop partnerpensioen 1,7%
Inrekening ambitie indexatie looninflatie/solvabiliteitsopslag 10,4%
Risicopremie partnerpensioen 1,3%
Risicopremie premievrijstelling 1,1%
Risicopremie arbeidsongeschiktheidspensioen 0,8%
Vergoeding toekomstige uitvoeringskosten 0,5%
Vergoeding directe uitvoeringskosten 0,4%
Risico-opslag 1,0%
Totaal 26,9%
(…)”
13. Belanghebbende heeft met Achmea Pensioenen Apeldoorn (Achmea) een ‘Overeenkomst van pensioenbeheer‘ van 28 juni 2006 gesloten. Op grond van deze overeenkomst verricht Achmea diensten en extra opdrachten voor belanghebbende tegen vergoeding van een tarief. De diensten zijn vermeld in een bij de overeenkomst behorende dienstencatalogus. De tarieven zijn vermeld in een bij de overeenkomst behorende bijlage. De overeenkomst eindigt op 31 augustus 2016.
14. In het dossier bevinden zich enkele facturen van Syntrus Achmea Pensioenbeheer B.V. (Syntrus) gericht aan belanghebbende. Syntrus heeft in 2017 maandelijkse voorschotbedragen voor uitvoeringskosten aan belanghebbende in rekening gebracht van € 208.866,67 exclusief omzetbelasting.
15. Belanghebbende maakt voor de uitvoering van de pensioenregelingen ook gebruik van andere dienstverleners, zoals accountants, actuarissen en adviseurs.
16. De uitvoeringskosten van belanghebbende zijn per jaar als volgt:
|
Jaar |
Uitvoeringskosten |
Btw |
|
2013 |
€ 4.164.469,62 |
€ 81.559,87 |
|
2014 |
€ 4.481.847,59 |
€ 120.592,97 |
|
2015 |
€ 4.491.950,67 |
€ 762.256,25 |
|
2016 |
€ 4.492.097,17 |
€ 812.842,20 |
|
2017 |
€ 4.031.061,73 |
€ 729.962,81 |
|
2018 |
€ 4.344.089,87 |
€ 788.262,63 |
|
2019 |
€ 4.385.265,24 |
€ 800.115,17 |
17. Belanghebbende heeft facturen uitgereikt aan de werkgevers voor de kosten van de uitvoering van de pensioenregelingen. Vanaf eind 2016 heeft belanghebbende op de facturen aan de werkgevers de vergoeding gesplitst in een netto koopsom inkoop, een vergoeding uitvoeringskosten en 21% omzetbelasting over de vergoeding uitvoeringskosten (de opslag). In de jaren 2013-2019 zijn de volgende bedragen aan de werkgevers in rekening gebracht:
|
Jaar |
Premie |
Opslag uitvoeringskosten |
Btw |
|
2013 |
€ 84.443.340,25 |
€ - |
€ - |
|
2014 |
€ 70.662.878,71 |
€ - |
€ - |
|
2015 |
€ 54.529.251,73 |
€ - |
€ - |
|
2016 |
€ 74.918.892,26 |
€ 2.587.486,00 |
€ 543.372,21 |
|
2017 |
€ 73.280.265,10 |
€ 2.922.009,00 |
€ 613.622,04 |
|
2018 |
€ 71.270.947,01 |
€ 2.651.299,00 |
€ 556.772,87 |
|
2019 |
€ 76.377.835,83 |
€ 2.753.734,00 |
€ 578.284,14 |
18. Buitenlandse vermogensbeheerders hebben diensten verricht aan belanghebbende. Belanghebbende heeft met toepassing van de verleggingsregeling de omzetbelasting voor deze vermogensbeheerdiensten op aangifte voldaan. Een deel daarvan heeft belanghebbende in aftrek gebracht op grond van artikel 15, tweede lid, letter c, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).
19. De door Achmea/Syntrus in rekening gebrachte omzetbelasting heeft belanghebbende niet in aftrek gebracht.
Beoordeling door de rechtbank
20. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende te veel omzetbelasting op aangifte heeft voldaan voor de tijdvakken gelegen in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 maart 2021. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
21. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende ten onrechte omzetbelasting heeft voldaan voor de diensten die door buitenlandse vermogensbeheerders aan haar zijn verricht. Daarvoor is van belang of de diensten die door de buitenlandse dienstverlener aan belanghebbende zijn verricht, zijn vrijgesteld van omzetbelasting omdat sprake is van het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens1 dan wel van het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen2. Dit geschilpunt spitst zich toe op de vraag of belanghebbende is aan te merken als een gemeenschappelijk beleggingsfonds en in het bijzonder of de deelnemers het beleggingsrisico dragen in de zin van de vrijstellingsbepaling.
22. Indien belanghebbende op dit geschilpunt geen gelijk krijgt, dan is subsidiair in geschil of belanghebbende een belaste prestatie aan de bij haar aangesloten werkgevers verricht en of zij bijgevolg recht op aftrek heeft van de voorbelasting die drukt op de toerekenbare kosten. Daarbij zijn de antwoorden op de volgende vragen in geschil:
-
Verricht belanghebbende een dienst aan de werkgevers tegen vergoeding van de premie inclusief de opslag of tegen vergoeding van uitsluitend de opslag?
-
Is de door belanghebbende verrichte dienst vrijgesteld of belast?
-
Indien de dienst is belast, welk bedrag aan voorbelasting kan ter zake hiervan in aftrek worden gebracht?
23. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is belanghebbende een gemeenschappelijk beleggingsfonds omdat de deelnemers het beleggingsrisico dragen in de zin van de vrijstellingsbepaling?
Standpunten van partijen
24. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de deelnemers beleggingsrisico lopen. Uit het BPL-arrest volgt dat de nationale rechter dient vast te stellen of in de rangschikking van alle factoren die het bedrag van de pensioenrechten en -uitkeringen bepalen, de beleggingsresultaten op de eerste plaats komen. Daarbij is de financiering volgens belanghebbende wel een relevant criterium. Of het opbouwpercentage daadwerkelijk leidt tot een uitkering van de toegezegde grootte is afhankelijk van de beleggingsresultaten. In het opbouwpercentage is bovendien ook al rekening gehouden met het resultaat van beleggingen. Belanghebbende heeft een deskundigenrapport laten opstellen. In het deskundigenrapport zijn de conclusies van berekeningen aan de hand van duizenden scenario’s opgenomen, waaruit volgt dat de pensioenuitkeringen voor 66% uit beleggingsrendement bestaan en dat beleggingsresultaten leiden tot stijging of daling van de pensioenaanspraken en -uitkeringen en dat het bedrag van de pensioenuitkering hierdoor met een factor 8 kan afwijken. De pensioenuitkering is daarom meer afhankelijk van het beleggingsrendement dan van andere factoren en de behaalde beleggingsresultaten werken volledig door in de hoogte van de pensioenuitkeringen.
25. De inspecteur stelt zich op het tegenovergestelde standpunt. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat toeslagen en kortingen (i) daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, (ii) dat deze ertoe hebben geleid dat dienstjaren en arbeidsinkomen niet langer de belangrijkste factor zouden zijn voor de bepaling van de omvang van het bedrag aan pensioenaanspraken en pensioenuitkeringen én (iii) dat de belangrijkste factor voor de omvang van het bedrag aan pensioenaanspraken en -uitkeringen de beleggingsresultaten zouden zijn (geworden). De wijze van financiering is geen criterium waaraan moet worden getoetst.
Rechtskader
26. Het beheer van door beleggingsfondsen en beleggingsmaatschappijen ter collectieve belegging bijeengebrachte vermogens - in de Btw-richtlijn aangeduid als het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen - is vrijgesteld van omzetbelasting.3
27. Uit rechtspraak van het HvJ4 kan worden opgemaakt dat fondsen die instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) in de zin van de Icbe-richtlijn5 vormen, gemeenschappelijke beleggingsfondsen zijn in de zin van artikel 135, eerste lid, letter g, van de Btw-richtlijn.
28. Uit dezelfde rechtspraak van het HvJ volgt ook dat indien een fonds geen icbe is, maar dezelfde kenmerken als een icbe vertoont, en dus dezelfde handelingen verricht of op zijn minst zodanig vergelijkbaar is met een icbe dat zij ermee concurreert, zij als een gemeenschappelijk beleggingsfonds moet worden aangemerkt. Een pensioenfonds kan als een gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt, indien:6
-
het fonds aan bijzonder overheidstoezicht is onderworpen;
-
het fonds wordt gefinancierd door de deelnemers;
-
de inleg wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding en
-
het beleggingsrisico wordt gedragen door de deelnemers.
Deze voorwaarden zijn ontleend aan artikel 1, tweede lid, van de icbe-richtlijn.
29. In het BPL-arrest heeft het HvJ voor recht verklaard:
1) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde,
moet aldus moet worden uitgelegd dat de deelnemers aan een pensioenfonds dat uit hoofde van een collectieve pensioenregeling uitvoering geeft aan een pensioenovereenkomst die voorziet in pensioenrechten en pensioenuitkeringen waarvan het bedrag, hoewel het wordt bepaald op basis van een referentiepensioen of van de arbeidsinkomsten en het aantal dienstjaren van elke deelnemer, onder bepaalde voorwaarden kan variëren als gevolg van de resultaten van de beleggingen van dat pensioenfonds, slechts kunnen worden geacht het beleggingsrisico te dragen wanneer dat bedrag in de eerste plaats afhankelijk is van de resultaten van die beleggingen. Bij een dergelijke beoordeling is noch het aantal jaren dat een deelnemer pensioenrechten heeft opgebouwd, noch het feit dat de opbouw van pensioenrechten bij een pensioenfonds op een bepaald moment is onderbroken, relevant. De omstandigheden dat het risico individueel dan wel collectief wordt gedragen, met name in geval van faillissement, en dat een werkgever zich gedurende een bepaalde periode garant heeft gesteld voor de verwachte opbouw van de pensioenrechten, zijn wel relevante factoren, die als zodanig echter niet doorslaggevend zijn.
2) Artikel 135, lid 1, onder g), van richtlijn 2006/112, gelezen in het licht van het beginsel van fiscale neutraliteit, moet aldus moet worden uitgelegd dat, om te bepalen of een pensioenfonds dat geen instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe) is in aanmerking komt voor de vrijstelling van deze bepaling, niet alleen een vergelijking met een dergelijke instelling moet worden gemaakt, maar ook moet worden beoordeeld of dit pensioenfonds vanuit het oogpunt van de juridische en financiële situatie van de deelnemer ten opzichte van het pensioenfonds vergelijkbaar is met andere fondsen die geen instellingen voor collectieve belegging in effecten zijn maar door de betrokken lidstaat worden beschouwd als gemeenschappelijke beleggingsfondsen in de zin van deze bepaling.
30. Gelet op de rechtsoverwegingen 44 tot en met 47 van het BPL-arrest is het, om te bepalen of de deelnemers in belanghebbende het beleggingsrisico dragen, noodzakelijk om vast te stellen dat het ontvangen pensioen afhankelijk is van de beleggingen van belanghebbende in een zodanige mate, dat dit vergelijkbaar is met de mate waarin het rendement van een deelnemer bij een icbe afhankelijk is van de beleggingen. Een dergelijke afhankelijkheid moet tot uiting komen in de hoogte van de pensioenrechten en de pensioenuitkeringen die de deelnemers in belanghebbende ontvangen. Om te bepalen of dat laatste het geval is, moet worden vastgesteld of de resultaten van de beleggingen van het pensioenfonds een aanzienlijke invloed hebben op het bedrag van de pensioenrechten en de pensioenuitkeringen. Dat is het geval indien het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen dat op grond van de pensioenovereenkomst verschuldigd is, niet is gegarandeerd, maar in de eerste plaats, in positieve of in negatieve zin, afhankelijk is van de resultaten van de beleggingen van dat fonds.
Toepassing op de feiten
31. De rechtbank stelt op basis van de feiten vast dat het bedrag van de pensioenrechten en pensioenuitkeringen wordt vastgesteld op basis van het pensioenreglement van belanghebbende. In het pensioenreglement is vastgelegd dat het jaarlijks uit te keren pensioen wordt berekend op basis van een opbouwpercentage, de inkomensgrondslag, verminderd met een franchise en tot een bepaald maximum, en het aantal dienstmaanden (het referentiepensioen). Het bedrag dat op grond van deze rekenkundige formule als pensioen zal worden uitgekeerd, hangt daarom naar het oordeel van de rechtbank niet af van het werkelijke beleggingsrendement dat belanghebbende heeft gemaakt. Er is bij het bepalen van het referentiepensioen dan ook geen direct of indirect verband met de werkelijke beleggingsresultaten van belanghebbende.
32. In het pensioenreglement is ook vastgelegd dat toeslagen kunnen worden verleend. De toeslagen zijn gemaximeerd op het loonindexcijfer van AkzoNobel of het consumentenprijsindexcijfer. De toeslag wordt alleen verleend als de financiële positie van belanghebbende dat toestaat en als het bestuur van belanghebbende daartoe beslist. Indien de financiële positie van belanghebbende daartoe aanleiding geeft, kan worden gekort. De rechtbank leidt uit het pensioenreglement en de uitvoeringsovereenkomsten af dat voor de financiële positie van belanghebbende de beleidsdekkingsgraad van belang is. Bij het bepalen van de beleidsdekkingsgraad spelen meerdere factoren een rol, waarbij de rekenrente een belangrijke component is. Bij de rekenrente bestaat geen verband met het werkelijke rendement op de beleggingen van belanghebbende. Bij het bepalen van de beleidsdekkingsgraad speelt weliswaar de hoogte van het vermogen van belanghebbende een belangrijke rol en dit vermogen wordt beïnvloed door de werkelijke beleggingsresultaten. Maar doordat meerdere factoren de beleidsdekkingsgraad bepalen, is het verband tussen het bedrag van de pensioenuitkering/pensioenaanspraak en de beleggingsresultaten te indirect, te zeer gedempt en daardoor te zeer beperkt door de regeling in het pensioenreglement om te kunnen oordelen dat het bedrag in de eerste plaats afhankelijk is van de beleggingsrendementen. De mate van afhankelijkheid van de beleggingsresultaten is daarmee niet vergelijkbaar met de mate waarin het rendement bij een icbe afhankelijk is van de beleggingen.
33. Het deskundigenrapport dat belanghebbende heeft overgelegd leidt niet tot een ander oordeel. Dit wordt hierna gemotiveerd.
34. De rechtbank stelt voorop dat de inspecteur de berekeningen in het deskundigenrapport onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de daarin opgenomen berekeningen op zichzelf juist zijn.
35. Uit het deskundigenrapport volgt dat bij doorrekening van 2.000 scenario’s de uitkomst is dat de pensioenuitkeringen gemiddeld voor 66% worden gefinancierd uit beleggingsrendement en het overige deel uit premies. Hiermee is echter niet vastgesteld welk bedrag een deelnemer aan pensioen ontvangt en hoe dit bedrag samenhangt met de beleggingsresultaten. De rechtbank leidt uit het BPL-arrest af, in het bijzonder uit rechtsoverwegingen 47 en 50, dat moet worden beoordeeld welk bedrag aan pensioenrechten uit de pensioenovereenkomst volgt. Het is dus van belang om vast te stellen welke rechten deelnemers hebben bij deelname in belanghebbende. Die rechten zijn vastgelegd in het pensioenreglement. Zoals hiervoor is geoordeeld (punten 31. en 32.) volgt uit de rechten die zijn vastgelegd in het pensioenreglement dat het verband tussen het beleggingsrendement van belanghebbende en het bedrag aan pensioenrechten of het pensioen indirect, gedempt en beperkt is door de bepalingen in het pensioenreglement. De berekeningen in het rapport maken niet aannemelijk dat dit anders is.
36. In het deskundigenrapport is berekend welke invloed indexaties, kortingen en een wijziging van een opbouwpercentage gemiddeld genomen hebben op de (procentuele) afwijking ten opzichte van het referentiepensioen. Weliswaar blijkt uit het rapport dat pensioenaanspraken en uitkeringen voor een belangrijk deel worden betaald uit beleggingsresultaten, zodat er vanuit financieringsperspectief zeker een belangrijk verband bestaat, maar op grond daarvan kan niet worden geoordeeld dat de indexatie, de korting en het opbouwpercentage op basis van het pensioenreglement in de eerste plaats afhankelijk zijn van het beleggingsrendement. Zoals hiervoor is geoordeeld volgt uit het pensioenreglement dat het opbouwpercentage niet afhangt van de werkelijke beleggingsresultaten van belanghebbende en dat de invloed van de beleggingsresultaten op indexatie en korting te indirect, te zeer gedempt en daardoor te zeer beperkt is om te kunnen oordelen dat het bedrag van pensioenen daar in de eerste plaats van afhankelijk is.
37. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de deelnemers in belanghebbende niet het beleggingsrisico dragen in de zin van de vrijstellingsbepaling. In zoverre kan belanghebbende niet als een gemeenschappelijk beleggingsfonds worden aangemerkt. De rechtbank komt daarom toe aan de behandeling van het tweede geschilpunt.
Verricht belanghebbende een belaste handeling waarvan de maatstaf van heffing uitsluitend uit de opslag voor uitvoeringskosten bestaat?
Standpunten van partijen
38. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij een belaste handeling verricht die bestaat uit het uitvoeren van een pensioenovereenkomst (pensioenuitvoering) en dat zij hiervoor een vergoeding ontvangt die bestaat uit uitsluitend de opslag. Belanghebbende ontvangt een premie die bestaat uit twee individualiseerbare geldstromen, namelijk de pensioenopbouw (de premie-inleg) en de opslag voor de uitvoeringskosten (de opslag). De premie-inleg maakt geen onderdeel uit van de vergoeding voor de pensioenuitvoering. De deelnemers en niet belanghebbende hebben de economische eigendom van de premie-inleg. Belanghebbende wijst in dat verband op een arrest van het HvJ van 24 september 20207. De pensioenuitvoeringsdienst is niet vrijgesteld op grond van de verzekeringsvrijstelling. De toerekenbare voorbelasting is daarom aftrekbaar.
39. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende één prestatie verricht tegen een vergoeding die bestaat uit de premie, inclusief de opslag, en dat deze prestatie is vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, letter k, van de Wet OB. Belanghebbende verricht één prestatie die bestaat uit de uitvoering van de pensioenregeling. Het voeren van de pensioenadministratie maakt hier onderdeel van uit en kan hiervan niet worden afgesplitst. De dienst bestaande uit het voeren van de pensioenadministratie is (subsidiair) bijkomstig bij de uitvoering van de pensioenregeling en gaat erin op. Belanghebbende belast alleen de kosten door aan de werkgevers, hier ligt geen prestatie aan ten grondslag. De voorbelasting kan niet in aftrek worden gebracht, omdat deze betrekking heeft op een vrijgestelde, dan wel niet-economische activiteit. Subsidiair heeft de voorbelasting betrekking op kosten die zijn aan te merken als algemene kosten en kan daarom alleen pro rata in aftrek worden gebracht. Belanghebbende verricht in dat geval namelijk een vrijgestelde verzekeringsdienst (of niet-economische activiteit) aan de deelnemers en een belaste dienst aan de werkgevers. De administratieve werkzaamheden zijn toerekenbaar aan beide activiteiten. Een aantal categorieën kosten is zonder meer niet toerekenbaar aan de belaste dienst aan de werkgevers.
Rechtskader
40. Op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en letter a, van de Wet OB brengt een ondernemer onder de in dat artikel vermelde voorwaarden de omzetbelasting in aftrek die door andere ondernemers in rekening is gebracht voor door hen geleverde prestaties, voor zover die prestaties door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen. De ondernemer die het recht op aftrek wil uitoefenen, moet bewijzen dat aan alle voorwaarden voor het recht op aftrek is voldaan. Dat geldt ook voor de voorwaarde dat de in rekening gebrachte kosten rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met het door de ondernemer voor een ander verrichten van een prestatie onder bezwarende titel die niet is vrijgesteld van omzetbelasting.8
41. Een dienst wordt onder bezwarende titel verricht als er een rechtstreeks verband bestaat tussen die dienst en de door de belastingplichtige daadwerkelijk ontvangen tegenprestatie. Een dergelijk rechtstreeks verband bestaat wanneer tussen de verrichter en de ontvanger van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst.9
42. Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat voor de toepassing van omzetbelasting elke prestatie normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd.10 Dit is anders, indien de handelingen zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één, niet te splitsen economische prestatie vormen, waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen.11 Uit deze vaste rechtspraak volgt ook dat sprake is van één voor de omzetbelasting in aanmerking te nemen prestatie, indien één of meerdere elementen moeten worden geacht de hoofdprestatie te vormen, terwijl één of meer andere elementen moeten worden beschouwd als één of meer bijkomende prestaties. In die situatie delen de bijkomende elementen het fiscale lot van de hoofdprestatie.12
43. De maatstaf van heffing is alles wat een dienstverrichter voor zijn handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de afnemer of van een derde, met inbegrip van subsidies die rechtstreeks met de prijs van deze handelingen verband houden.13 De maatstaf van heffing is de werkelijk ontvangen tegenwaarde voor de dienstverlening waarover hij daadwerkelijk voor eigen rekening kan beschikken. Het Hof van Justitie heeft in het kader van de exploitatie van speelautomaten en bingospelen geoordeeld dat de maatstaf van heffing in die zaken het saldo was van de ontvangsten verminderd met het uit te keren prijzengeld, omdat het uit te keren prijzengeld bij wet was vastgesteld waardoor hierover niet vrij beschikt kon worden en het niet tot de maatstaf van heffing behoorde.14
44. Op grond van artikel 11, eerste lid, letter k, van de Wet OB zijn vrijgesteld handelingen ter zake van verzekering en herverzekering met inbegrip van daarmee samenhangende diensten, verricht door assurantiemakelaars en verzekeringstussenpersonen. Deze verzekeringsvrijstelling is gebaseerd op artikel 135, eerste lid, onder a, van de Btw-richtlijn.
45. Op grond van de Pensioenwet15 sluiten werkgevers met werknemers pensioenovereenkomsten. De werkgevers dienen de pensioenovereenkomsten onder te brengen bij een pensioenuitvoerder. Dit kan door middel van een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst. Een pensioenuitvoerder heeft in dat geval op grond van de Pensioenwet de taak een pensioenovereenkomst uit te voeren op basis van de uitvoeringsovereenkomst.
46. In artikel 1 van de Pensioenwet is de premie gedefinieerd als de in geld uitgedrukte periodiek vastgestelde structurele prestatie die verschuldigd is aan de pensioenuitvoerder en die bestemd is voor de verzekering van pensioen en de daaraan verbonden kosten.
47. Op grond van artikel 128 van de Pensioenwet stelt een pensioenfonds een kostendekkende premie vast, die bestaat uit (samengevat):
-
de premie die actuarieel benodigd is in verband met de aangroei van de pensioenverplichtingen;
-
de opslag die nodig is voor het bij de aangroei van de pensioenverplichtingen behorende vereist eigen vermogen;
-
de opslag die nodig is voor de bij de aangroei van de pensioenverplichtingen behorende uitvoeringskosten van het pensioenfonds; en
-
- in bepaalde situaties - de premie die actuarieel benodigd is ten behoeve van toeslagverlening.
Toepassing op de feiten
48. Op grond van de uitvoeringsovereenkomsten bestaat tussen belanghebbende en de werkgevers een rechtsbetrekking op grond waarvan belanghebbende een dienst verricht, die bestaat uit het uitvoeren van de pensioenovereenkomsten, zoals neergelegd in de pensioenovereenkomst, tegen betaling van de hiervoor overeengekomen premie. Belanghebbende verricht daarom een dienst onder bezwarende titel aan de werkgevers.
49. De uitvoering van de pensioenovereenkomsten moet worden gezien als één dienst, waarvan het kunstmatig zou zijn om daarbij een handeling, zoals het voeren van een pensioenadministratie, hiervan af te zonderen. Het is tussen partijen overigens ook niet in geschil dat sprake is van één dienst.
50. Naar het oordeel van de rechtbank is de maatstaf van heffing van deze dienst de premie, inclusief de opslag voor de uitvoeringskosten. Dat is de prijs die partijen in de uitvoeringsovereenkomsten zijn overeengekomen voor het uitvoeren van de pensioenregeling. De omstandigheid dat in de uitvoeringsovereenkomsten is vastgelegd dat de premie ook een afzonderlijke vergoeding bevat voor de uitvoeringskosten van belanghebbende, brengt niet met zich dat de maatstaf van heffing slechts op dat bedrag kan worden gesteld. De opslag maakt volgens de uitvoeringsovereenkomsten en in overeenstemming met de bepalingen van de Pensioenwet namelijk juist onderdeel uit van de (kostendekkende) premie. Op de zitting heeft belanghebbende desgevraagd aangegeven dat, indien de opslag onvoldoende is om de uitvoeringskosten te dekken, het restant uit de algemene reserves wordt betaald. Dit betekent dat de premie inclusief de opslag alles is wat belanghebbende heeft ontvangen als tegenprestatie voor de uitvoering van de pensioenregeling en waarover zij voor eigen rekening kan beschikken. Belanghebbende is ook niet verplicht een gedeelte hiervan af te zonderen, dus ook daarom is de premie met opslag te zien als de vergoeding voor de prestatie.
51. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stelling dat de deelnemers de economische eigendom hebben van de premies en dat belanghebbende daarom niet vrijelijk over de premies kan beschikken. Uit de pensioenreglementen en uitvoeringsovereenkomsten volgt niet dat de deelnemers de economische eigendom van de premies hebben. De deelnemers verkrijgen op grond van de pensioenovereenkomst een aanspraak op een ouderdomspensioen. Dat een pensioenaanspraak op zichzelf als een eigendomsrecht in de zin van artikel 17 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt gezien, betekent nog niet dat de deelnemers de economisch eigendom op de premies verkrijgen, in die zin dat zij vrijelijk over deze premies kunnen beschikken.
52. De rechtbank komt dus tot het oordeel komt dat de maatstaf van heffing voor de uitvoering van de pensioenregeling bestaat uit de volledige premie, inclusief de opslag. Indien de verzekeringsvrijstelling hierop niet van toepassing zou zijn, zoals belanghebbende bepleit, dan heeft belanghebbende niet te veel omzetbelasting op aangifte voldaan, maar eerder te weinig (zie punt 17.). Haar stelling dat de verzekeringsvrijstelling niet van toepassing is, kan dus niet leiden tot een gegrond beroep.16 De vraag of de verzekeringsvrijstelling van toepassing is op de uitvoering van de pensioenregeling is behoeft daarom niet te worden beantwoord.
Conclusie en gevolgen
53. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende niet te veel omzetbelasting op aangifte heeft voldaan en geen recht heeft op een teruggaaf. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Tikken, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. M.F. Kossen, leden, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.
Uitgesproken op [*].
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
|
griffier |
voorzitter |
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.