ECLI:NL:RBGEL:2026:7326

Datum uitspraak
30-09-2026
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
24/7189
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

IB/PVV. Inspecter wijkt van de aangifte af en neemt een boekwinst in aanmerking in verband met een vermeende beëindiging van de terbeschikkingstellingsregeling. In beroep is onder meer in geschil in welk jaar het (vermeende) afrekenmoment plaatsvindt. De rechtbank oordeelt dat dit niet geval kan zijn in het jaar dat voorligt. De rechtbank kent een bovenforfaitaire proceskostenvergoeding toe.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/7189

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 30 september 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur,

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 31 juli 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 398.458. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 24.927 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen namens belanghebbende [gemachtigde] , [persoon 1] en [persoon 2] en namens de inspecteur [persoon 3] , [persoon 4] , [persoon 5] en [persoon 6] .

Feiten

1. Belanghebbende is onder huwelijkse voorwaarden gehuwd met [echtgenoot] (de echtgenoot). In de huwelijkse voorwaarden is bepaald dat tussen de echtgenoten geen vermogensrechtelijke gemeenschap zal bestaan. Zij zijn woonachting op [adres] te [plaats] , gemeente West Betuwe.

2. Belanghebbende was in 2020 eigenaar van de gronden gelegen in [plaats] met de kadastrale aanduidingen [nummer 1] , [nummer 2] , [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] . Op de percelen liggen de privéwoning van belanghebbende, een kantoorruimte, een showroom en een loods met bijbehorend verhard terrein, zoals nader aangeduid op de volgende kaart en een luchtfoto uit 20201.

[Afbeelding gepseudonimiseerd]

[Afbeelding gepseudonimiseerd]

3. In 2009 heeft een ruilverkaveling plaatsgevonden. Perceel [nummer 1] , perceel [nummer 4] en een deel van perceel [nummer 5] zijn middels de ruilverkaveling in eigendom van belanghebbende gekomen, in ruil voor de naastgelegen percelen [nummer 6] en [nummer 7] .

4. De echtgenoot drijft vanaf 1985 als eenmanszaak een autohandel. De inkomsten uit deze onderneming behoren bij de echtgenoot tot winst uit onderneming in de zin van de Wet IB 2001.

5. Op 30 mei 2016 hebben belanghebbende en de echtgenoot een ‘Huurovereenkomst verhard terrein’ gesloten met [bedrijf ] Zij verhuurden op grond van deze huurovereenkomst aan [bedrijf ] het verharde terrein gelegen op perceel [nummer 2] van in totaal ongeveer 1.000 m2. Partijen zijn overeengekomen dat geen omzetbelasting in rekening wordt gebracht. De huurovereenkomst is in 2018 beëindigd. De huur voor de verhuur aan [bedrijf ] is ontvangen op bankrekening [rekeningnummer] die op naam staat van de echtgenoot en belanghebbende.

6. In 2018 heeft de echtgenoot op perceel [nummer 1] en een deel van perceel [nummer 3] een showroom gerealiseerd. De nieuwe showroom heeft hij in 2019 in gebruik genomen voor zijn autohandel. De showroom ligt op een kavel van 511 m2. Belanghebbende heeft een taxateur ingeschakeld die de waarde van de ondergrond van de showroom per 1 augustus 2019 heeft vastgesteld op € 180 per m2.

7. Op een deel van de percelen [nummer 3] en [nummer 2] is een bedrijfsruimte (hierna: de loods) gerealiseerd. Ter zake hiervan zijn in 2019 de volgende facturen uitgereikt:

  • [bedrijf 1] heeft aan de echtgenoot met factuurdatum 22 november 2019 een factuur uitgereikt voor een gewijzigde berekening van de constructie (van de loods).

  • [bedrijf 2] heeft aan de onderneming van de echtgenoot met factuurdatum 12 december 2019 een factuur uitgereikt voor de huur van rijplaten.

  • Bouwontwerp en calculatieburo [naam] heeft aan de onderneming van de echtgenoot met factuurdatum 9 november 2019 een factuur uitgereikt voor het uitvoeren van tekenwerkzaamheden voor de bouw van de loods.

  • [bedrijf 3] heeft aan de echtgenoot facturen uitgereikt voor het bouwen van de loods. De factuur voor de eerste termijn (bij heiwerk gereed) is van 12 november 2019. De factuur voor de tweede termijn (bij fundering gereed) is van 18 december 2019.

8. De echtgenoot heeft op 3 oktober 2019 een huurovereenkomst gesloten met [bedrijf 4] ( [bedrijf 4] ) met betrekking tot de verhuur van (delen van) de loods. De echtgenoot verhuurt op grond van deze huurovereenkomst aan [bedrijf 4] een gedeelte van het nieuw te bouwen bedrijfspand van circa 300 m2 bedrijfsruimte, en het bijbehorende voorgelegen buitenterrein van circa 300 m2. De huurovereenkomst gaat in direct na oplevering van het nieuwe bedrijfspand, maar uiterlijk 31 mei 2020, en is aangegaan voor de duur van vijf jaar. Partijen zijn een met omzetbelasting belaste verhuur overeengekomen. De huurovereenkomst is ondertekend op 3 oktober 2019. De huur voor de loods is vermeld op grootboekrekening [x] van de onderneming van de echtgenoot met vermelding ‘ [vermelding] ’.

9. Bij brief van 17 december 2019 heeft de adviseur van de echtgenoot en belanghebbende de inspecteur verzocht om voor belanghebbende en de echtgenoot een btw-nummer af te geven in verband met de belaste verhuur van de loods. Bij brief van 24 december 2019 is een btw-nummer toegekend aan het samenwerkingsverband dat bestaat uit belanghebbende en de echtgenoot.

10. Belanghebbende heeft namens het samenwerkingsverband voor de periode van 17 december 2019 tot en met 31 december 2019 een btw-aangifte gedaan en € 13.766 aan voorbelasting teruggevraagd. Dat bedrag is gelijk aan de voorbelasting die is vermeld op de facturen die zijn genoemd onder punt 7.

11. Bij brief van 16 maart 2020 heeft de adviseur van belanghebbende aan de inspecteur de vraag voorgelegd hoe om te gaan met de realisatie van de showroom voor de inkomstenbelasting en omzetbelasting ten behoeve van de echtgenoot. De inspecteur heeft in reactie daarop vragen gesteld. In een schriftelijke reactie hierop heeft de adviseur medegedeeld dat de grond onder de showroom eigendom is van belanghebbende, dat ter zake een huurrecht in combinatie met een opstalrecht zal worden gevestigd en dat de tbs-regeling hierop van toepassing is.

12. Op 29 juni 2021 heeft de rijkstaxateur op verzoek van de inspecteur de locatie bezocht. Op 15 november 2021 heeft de rijkstaxateur een Excelbestand aan de inspecteur verstrekt. In het Excelbestand is voor verschillende jaren een waarde van de grond vermeld van € 5 (2001), € 45 (2008), € 180 (2019) en € 185 (2020).

13. Op 9 juni 2022 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 ingediend. In de aangifte heeft belanghebbende onder meer het volgende vermeld:

Loon € 32.519

Resultaat € 9.220

Belastbaar inkomen uit werk en woning € 41.739

Huur grond bedrijfspand € 10.220

Kosten € 1.000

Waarde grond bedrijfspand € 92.000

14. De inspecteur en (de adviseur van) belanghebbende hebben over en weer gecorrespondeerd. In een brief van 22 september 2023 heeft de inspecteur onder meer het volgende geschreven:

“(…)

Situatie

In 2020 is gestart met de bouw van een nieuwe loods op de grond van mevrouw [echtgenoot] . De loods was niet bestemd voor gebruik door de heer [belanghebbende] voor zijn autobedrijf, maar voor verhuur aan derden. De totale oppervlakte die hiermede gemoeid is bedraagt 2.259 m2. Voor de bouw van de loods is een financiering aangevraagd bij de SNS-bank ad. € 305.000.

Gevolgen Inkomstenbelasting

De ter beschikking stelling van de grond door mevrouw [echtgenoot] aan het autobedrijf van haar echtgenoot is gedeeltelijk beëindigd in 2020. Immers er is in dit jaar gestart met de bouw van een loods.

(…)”

15. De adviseur van belanghebbende heeft in een brief van 31 januari 2024 in reactie daarop het volgende geschreven:

“(…) Bouw loods verhuur gestart in 2019

De fysieke bouwwerkzaamheden voor de loods bestemd voor de verhuur zijn reeds in 2019 gestart, bijgaand treft u onderbouwende foto's aan. Uit het voorgaande volgt dat er ultimo 2019 überhaupt geen sprake meer kan zijn van een terbeschikkingstelling van dit gedeelte van het perceel. In uw brief gaat u er juist van uit dat de terbeschikkingstelling van dit gedeelte van het perceel pas in 2020 werd beëindigd. (…)”

16. In de brief van 29 februari 2024 (de aankondigingsbrief) heeft de inspecteur aangekondigd dat hij zal afwijken van de aangifte IB/PVV 2020. De inspecteur heeft in de aankondigingsbrief onder meer het volgende geschreven:

“(…) In 2020 is hier een loods (huisnummer [huisnummer 1] - [huisnummer 2] ) gerealiseerd voor de verhuur aan derden. Ik heb het standpunt ingenomen dat hiermede de ter beschikking stelling is beëindigd en er dus een sfeerovergang plaats heeft gevonden. In het vermogen van mevrouw [echtgenoot] gaat deze grond over van box 1 naar box 3 en daarom moet er worden afgerekend over de waardeaangroei van het perceel gedurende de ter beschikking stelling.

(…)

Op de foto's welke tot mijn beschikking staan is er van de bouw op 31 oktober 2019 niets zichtbaar. Op 26 april 2020 is een loods in aanbouw zichtbaar. Wanneer er precies is gestart met de bouw kan ik hierop niet vaststellen. U hebt vier foto's meegestuurd bij uw reactie. De foto's zijn niet gedateerd en ik heb ook geen omschrijving erbij kunnen ontdekken. Ik neem aan dat u hiermede de start van de bouw wil aantonen, met name het leggen van de fundering. Echter doordat een datering ontbreekt kan dit ook in januari of februari 2020 hebben plaatsgevonden.

(…)

Indien mocht blijken dat de start van de bouw in 2019 heeft plaatsgevonden, ben ik van mening dat er nog steeds sprake is van een (gedeeltelijke) ter beschikking stelling in 2020. Op een luchtfoto genomen op 26 april 2020 wordt voor de nieuwe loods de handelswaar van de heer [belanghebbende] ten toon gespreid. Verder zal dan voor het jaar 2019 moeten worden onderzocht welk gedeelte van de ter beschikking stelling per wanneer is beëindigd en zal een navordering volgen. (…)”

17. De inspecteur heeft met dagtekening 19 april 2024 de aanslag IB/PVV 2020 overeenkomstig zijn aankondigingsbrief vastgesteld. De inspecteur heeft met de aanslag het belastbaar inkomen uit werk en woning vastgesteld op € 398.458. De inspecteur heeft daarbij in afwijking van de aangifte het belastbaar resultaat vastgesteld op € 365.939. Het belastbaar resultaat heeft de inspecteur als volgt berekend:

Huur showroom € 10.220

Kosten -€ 1.000

Staking tbs 2.259 m2 (€ 185) € 417.915

Boekwaarde tbs 2.259 m2 (€ 5) -€ 11.295

Resultaat € 415.840

Tbs-vrijstelling (12%) € 49.901

Belastbaar resultaat € 365.939

18. De inspecteur heeft bij het bepalen van de boekwinst een oppervlakte van 2.259 m2 in aanmerking genomen. Deze oppervlakte betreft de ondergrond van de loods en het daaromheen gelegen bijbehorende verharde terrein.2

19. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2020. De inspecteur heeft het bezwaar ontvangen op 29 mei 2024.

20. In een brief van 17 juli 2024 heeft de inspecteur verzocht om nadere informatie en daarbij onder meer het volgende geschreven:

“(…) Vragen

Beoogde verhuur nieuwbouw aan derden

U stelt in 2019 is begonnen aan de bouw van een loods, welke bestemd was voor verhuur aan derden. Graag ontvang ik van u bewijsstukken waaruit aannemelijk wordt dat in 2019 de intentie bestond om de nieuw te bouwen loods aan derden te verhuren. Daarbij kunt u denken aan stukken waaruit contacten met potentiële huurders volgen, of waaruit concreet marktonderzoek voor verhuur in de betreffende omgeving volgt. (…)”

21. Bij de brief van 23 juli 2024 heeft belanghebbende de huurovereenkomst met [bedrijf 4] aan de inspecteur toegezonden. In de brief is onder meer het volgende vermeld:

“(…) Beoogde verhuur nieuwbouw aan derden

Bijgaand treft u een (ver)huurovereenkomst aan met Autobedrijf [bedrijf 4] B.V. De (ver)huurovereenkomst is door partijen getekend in oktober 2019. Autobedrijf [bedrijf 4] B.V. had destijds de wens om uit te breiden in [plaats] , maar heeft deze plannen uiteindelijk herzien. Autobedrijf [bedrijf 4] B.V. heeft daadwerkelijk huur betaald tot het moment dat de heer en mevrouw [echtgenoot] een nieuwe huurder hebben weten te vinden.

Ook treft u bijgesloten een e-mail aan welke cliënten reeds in mei 2019 aan de makelaar hebben toegezonden voor het opmaken van een huurcontract met de Gram. Uiteindelijk heeft deze partij zich teruggetrokken vooraleer het huurcontract daadwerkelijk kon worden ondertekend, maar hiervoor werd door cliënte wel een schadevergoeding ontvangen. (…)”

22. Met dagtekening 31 juli 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan. In de uitspraak op bezwaar is onder meer het volgende vermeld:

“(…) 12. Einde terbeschikkingstelling en start bouw / nieuw feit

Voor zowel de start als het einde van de terbeschikkingstelling is de intentie van belang en niet zozeer de startdatum van bouwactiviteiten. Daarom heb ik in het verzoek om informatie gevraagd om stukken te overleggen waaruit volgt op welk moment de intentie bestond om de bedrijfsloods extern te gaan verhuren. U hebt stukken overgelegd waaruit u de conclusie trekt dat deze intentie in 2019 al bestond. Hierbij merk ik het volgende op:

a. Zelfs indien vast zou komen te staan dat de intentie tot externe verhuur in 2019 al bestond, dan neemt dit niet weg dat over 2019 geen boekwinst in verband met einde terbeschikkingstelling is aangegeven. (…)”

23. De inspecteur heeft bij brief van 5 november 2025 aan belanghebbende medegedeeld dat ter behoud van rechten een navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2019 aan belanghebbende zal worden opgelegd. In deze navorderingsaanslag is ook een boekwinst in aanmerking genomen in verband met de vermeende beëindiging van de tbs-regeling.

Beoordeling door de rechtbank

24. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2020 te hoog is vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

25. In geschil is of bij het bepalen van het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden de inspecteur terecht een boekwinst van € 406.6203 in aanmerking heeft genomen. Het geschil spitst zich toe op de vraag of in 2020 voor een deel van de percelen die bij belanghebbende in eigendom zijn, voor in totaal 2.259 m2, de terbeschikkingstellingsregeling als bedoeld in artikel 3.91 van de Wet IB 2001 (de tbs-regeling) is geëindigd en daarom een afrekenmoment (stakingswinst) voor dat deel dient plaats te vinden. Indien in 2020 een afrekenmoment dient plaats te vinden, dan is in geschil welke boekwaarde in aanmerking genomen moet worden.

26. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Standpunt belanghebbende

27. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de inspecteur ten onrechte de boekwinst van € 406.620 in aanmerking heeft genomen. Uitsluitend het gedeelte van de bij belanghebbende in eigendom zijnde percelen dat is gebruikt voor de bouw van de showroom valt onder de tbs-regeling. De inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat andere delen van de percelen onder de tbs-regeling vielen. De luchtfoto’s die de inspecteur heeft ingebracht zijn onvoldoende bewijs, omdat niet duidelijk is om welke auto’s het gaat en hoe lang deze er hebben gestaan. Belanghebbende betwist dat de op de luchtfoto’s aanwezige auto’s behoren tot de bedrijfsvoorraad van de echtgenoot. Op het perceel zijn namelijk ook auto’s, campers en boten gestald van vrienden, kennissen en familie. Belanghebbende en haar echtgenoot beschikten ook over twee tot drie privéauto’s. De onderneming van de echtgenoot heeft een beperkte omvang en heeft niet veel auto’s op voorraad. In 2020 heeft er geen afrekenmoment plaatsgevonden. Als er al een afrekenmoment heeft plaatsgevonden, dan was dit in 2019. Van 2016 tot en met 2018 is een deel van de percelen verhuurd aan [bedrijf ] waarvan de inkomsten tot box 3 behoorden. Op dit gedeelte is later de loods gebouwd die is verhuurd aan derden. Voor zover al zou zijn bewezen dat de perceeldelen al eerder onder de tbs-regeling vielen, is deze met ingang van de verhuur aan [bedrijf ] in 2016 geëindigd. Ook heeft in 2009 een ruilverkaveling plaatsgevonden. Voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat in 2020 een afrekenmoment plaats moet vinden, dient bij het bepalen van de boekwaarde rekening te worden gehouden met een ander aanvangsmoment en dus een andere waarde, in verband met de ruilverkaveling en met de verhuur vanaf 2016.

28. Belanghebbende stelt zich ook op het standpunt dat ten onrechte belastingrente in rekening is gebracht, omdat de hoogte van de belastingrente onverbindend is en de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld. Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van de integrale proceskosten en subsidiair om een vergoeding van de proceskosten die hoger is dan het forfait. Ook heeft belanghebbende verzocht om een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Standpunt inspecteur

29. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de tbs-regeling van toepassing was op de percelen voor in totaal 3.342 m2 en dat in verband met de beëindiging van de terbeschikkingstelling aan de echtgenoot in 2020 voor een deel daarvan (namelijk 2.259 m²) terecht een boekwinst in aanmerking is genomen die juist is berekend. De inspecteur acht aannemelijk dat de handelsvoorraad van de onderneming van de echtgenoot werd gestald op de percelen van belanghebbende. De inspecteur heeft bij het verweerschrift luchtfoto’s gevoegd. Voor de periode van 2006 tot en met 2022 is voor elk jaar (met uitzondering van 2007) een luchtfoto van het gehele terrein bijgevoegd. Daarop is te zien dat auto’s op het terrein zijn gestald. De inspecteur acht het standpunt van belanghebbende, dat met de verhuur aan [bedrijf ] in 2016 de tbs-regeling al was beëindigd, onjuist omdat de verhuur vanuit de echtgenoot heeft plaatsgevonden, belanghebbende geen boekwinst in 2016 heeft aangegeven, en omdat de aan [bedrijf ] verhuurde grond geen verband houdt met de later aan derden verhuurde loods. Voor de start en het einde van de tbs-regeling is volgens de inspecteur de intentie van belang. Als wordt uitgegaan van de ingangsdatum van de huurovereenkomst, dan is het startmoment 2020. Als wordt uitgegaan van het moment van sluiten van de huurovereenkomst, dan is de ingangsdatum 2019.

Rechtskader

30. Belastbaar inkomen uit werk en woning is het inkomen uit werk en woning verminderd met de te verrekenen verliezen uit werk en woning. Het inkomen uit werk en woning is het gezamenlijke bedrag van (onder meer) het belastbare loon en het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden.4 Het belastbare resultaat uit overige werkzaamheden is het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren verminderd met de terbeschikkingstellingsvrijstelling.5

31. Onder werkzaamheid wordt mede verstaan het rendabel maken van vermogensbestanddelen – daaronder begrepen de schulden die rechtstreeks samenhangen met die vermogensbestanddelen – door deze vermogensbestanddelen al dan niet tegen vergoeding rechtens dan wel in feite, direct of indirect ter beschikking te stellen aan een met de belastingplichtige verbonden persoon, voorzover die vermogensbestanddelen door die persoon worden aangewend voor het behalen van belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden.6 Onder een met de belastingplichtige verbonden persoon wordt onder meer verstaan de partner van de belastingplichtige.7

32. Resultaat uit een werkzaamheid (resultaat) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid.8 Bij het bepalen van het resultaat zijn de regels voor het bepalen van de winst van toepassing, behoudens enkele uitzonderingen.9

Toepassing op de feiten

33. De rechtbank stelt voorop dat het aan de inspecteur is om de feiten te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat in 2020 een boekwinst in aanmerking genomen moet worden in verband met een (gedeeltelijke) beëindiging van de tbs-regeling.

34. De inspecteur heeft in zijn verweerschrift en pleitnota wel gesteld dat de tbs-regeling voor het deel van 2.259 m2 is beëindigd, maar hij heeft daarbij niet (duidelijk) gesteld wat daarvan de (feitelijke) grondslag is.

35. De inspecteur heeft in beroep gesteld dat de loods in 2020 is gebouwd en in 2020 door belanghebbende is verhuurd aan [bedrijf 4] . Belanghebbende heeft dit betwist onder verwijzing naar de huurovereenkomst en de facturen.

36. De rechtbank oordeelt als volgt. In de huurovereenkomst met [bedrijf 4] is uitsluitend de echtgenoot als verhuurder vermeld. De facturen voor de voorbereiding van de bouw en de bouw zijn uitgereikt aan de echtgenoot of aan de onderneming van de echtgenoot. De rechtbank acht op grond van deze feiten en omstandigheden aannemelijk dat uitsluitend de echtgenoot (een gedeelte van de) de loods en het erbij behorend verharde terrein heeft verhuurd aan [bedrijf 4] . De rechtbank leidt daaruit vervolgens af dat belanghebbende de ondergrond voor de loods en het erbij behorende verharde terrein (hierna: de ondergrond) ter beschikking heeft gesteld aan de echtgenoot, die de ondergrond vervolgens heeft gebruikt voor de bouw en verhuur van de loods en het erbij behorende verharde terrein. De rechtbank leidt hieruit ook af dat de terbeschikkingstelling van de ondergrond door belanghebbende aan de echtgenoot niet in 2020 feitelijk is beëindigd, maar juist nog voortduurt, omdat de echtgenoot de ondergrond blijvend gebruikt voor de verhuur aan derden. Uit facturen van de aannemer en de luchtfoto’s kan geen andere conclusie getrokken worden dan dat de bouw van de loods is gestart in 2019 en dus niet in 2020.

37. In 2020 is dus geen sprake van een situatie dat belanghebbende de ondergrond heeft verhuurd aan een derde en daarom niet meer feitelijk ter beschikking stelt aan de echtgenoot. Voor zover de inspecteur zich op het standpunt heeft gesteld dat om die reden in 2020 een afrekenmoment plaatsvindt, slaagt die stelling dus niet.

38. De rechtbank leidt uit de stellingen van de inspecteur af dat hij (subsidiair) stelt dat de echtgenoot de ondergrond tot 2020 heeft aangewend voor zijn autohandel en dus voor het behalen van belastbare winst of resultaat, dat dit in 2020 niet meer het geval was door de verhuur door hem aan derden en dat daarom de tbs-regeling is beëindigd. De rechtbank begrijpt dit zo, want als de echtgenoot dat gedeelte van de grond nog wel zou gebruiken voor het behalen van belastbare winst of belastbaar resultaat, dan is de tbs-regeling in 2020 niet beëindigd en vindt er ook geen afrekenmoment plaats. Daarnaast kan in 2020 alleen een afrekenmoment plaatsvinden indien de echtgenoot de ondergrond voorafgaand aan het vermeende afrekenmoment ter beschikking gesteld heeft gekregen en heeft aangewend voor het behalen van belastbare winst of belastbaar resultaat.

39. In de stelling van de inspecteur dat in 2020 een afrekenmoment plaatsvindt omdat de loods in 2020 niet (meer) is aangewend voor het behalen van belastbare winst of belastbaar resultaat, ligt dus besloten de feitelijke stelling dat de loods niet is gebruikt in de onderneming van de echtgenoot. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de loods (uitsluitend) is gebruikt voor de verhuur aan derden. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de loods niet in de onderneming van de echtgenoot is gebruikt.

40. Ook ligt in de stelling van de inspecteur besloten dat de bouw van de loods en de daaropvolgende verhuur niet kwalificeert als meer dan normaal vermogensbeheer en dat dus geen sprake is van het behalen van belastbaar resultaat. Partijen hebben ook geen feiten gesteld die het mogelijk maken om te beoordelen of dat het geval zou zijn geweest. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de (verhuur van de) loods bij de echtgenoot niet in box 1 valt maar in box 3.

41. Zoals hiervoor is overwogen kan in 2020 alleen een afrekenmoment plaatsvinden indien (i) de echtgenoot de ondergrond in 2020 niet (meer) heeft aangewend voor het behalen van belastbare winst uit onderneming of belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden en (ii) de echtgenoot vóór dat moment de ondergrond wel ter beschikking gesteld heeft gekregen en heeft aangewend voor het behalen van belastbare winst of belastbaar resultaat. Dat het eerste punt aan de orde is, daar zijn partijen het gezien voorgaande overwegingen over eens. De rechtbank laat in het midden of het tweede punt ook het geval is, omdat dit in deze procedure over 2020 niet beoordeeld hoeft te worden. De rechtbank is namelijk van oordeel dat als de ondergrond onder de tbs-regeling viel, dat deze regeling voor de ondergrond dan niet in 2020 is geëindigd, maar in 2019. Dit komt doordat uit de overgelegde facturen en uit de foto’s volgt dat de bouw van de loods in 2019 is gestart. Bovendien is de huurovereenkomst met [bedrijf 4] in 2019 ondertekend. Het sluiten van de huurovereenkomst geeft bewijs van de intentie van de echtgenoot op dat moment. De omstandigheid dat de huur pas in zou gaan als de loods klaar was, in 2020, maakt dat niet anders. Het is dus in 2019 duidelijk dat de echtgenoot de ondergrond niet (meer) gebruikt voor het behalen van belastbare winst (voor de autohandel) of belastbaar resultaat, maar dat hij de ondergrond gebruikt voor het realiseren van de loods om deze te verhuren aan derden.

42. Voor zover dus al zou kunnen worden geoordeeld dat in verband met de beëindiging van de tbs-regeling voor de ondergrond een afrekenmoment moet plaatsvinden, vindt dit moment in 2019 plaats en niet in 2020.

43. De rechtbank ziet geen aanleiding om met toepassing van de foutenleer een boekwinst in 2020 in aanmerking te nemen. De inspecteur heeft voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd waarin dezelfde boekwinst ook in aanmerking is genomen. En de rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat, voor zover er al een afrekenmoment dient plaatst te vinden, dit afrekenmoment zich voordoet in 2019. In dat geval doet zich dan niet de situatie voor dat sprake is van een balansfout die niet door navordering kan worden hersteld en daarom met toepassing van de foutenleer in 2020 moet worden hersteld.

43. Het voorgaande brengt met zich dat de aanslag te hoog is vastgesteld. Belanghebbende heeft verzocht de aanslag vast te stellen overeenkomstig de aangifte. De inspecteur heeft daartegen niets aangevoerd. De rechtbank stelt het belastbaar inkomen uit werk en woning daarom als volgt vast:

Belastbaar resultaat

Huur grond bedrijfspand € 10.220

Kosten -€ 1.000

Resultaat € 9.220

Tbs-vrijstelling10-€ 1.106

Belastbaar resultaat € 8.113

Belastbaar inkomen werk en woning

Belastbaar loon € 32.519

Belastbaar resultaat € 8.113

Belastbaar inkomen werk en woning € 40.632

Belastingrente

45. Belanghebbende heeft zich in het beroepschrift op het standpunt gesteld dat de belastingrente moet worden verminderd omdat het Besluit invorderings- en belastingrente onverbindend is en omdat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld.

46. Op de zitting heeft belanghebbende te kennen gegeven dat deze stellingen over de belastingrente als ingetrokken moeten worden beschouwd, indien zij op het hoofdgeschilpunt gelijk krijgt. Omdat dit het geval is, zal de rechtbank deze stellingen niet behandelen. De in rekening gebrachte belastingrente wordt verminderd overeenkomst de vermindering van de aanslag.

Redelijke termijn

47. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens een overschrijding van de redelijke termijn.

48. Het bezwaarschrift is ontvangen op 28 mei 2024. De redelijke termijn van twee jaar is daarom met ruim vier maanden overschreden. Belanghebbende krijgt daarom een schadevergoeding van € 500. De overschrijding is geheel aan de Staat toe te rekenen. De rechtbank zal de Staat veroordelen tot het betalen van de schadevergoeding.

Proceskosten

49. Belanghebbende heeft verzocht om een vergoeding van de integrale proceskosten, omdat de inspecteur tegen beter weten in heeft geprocedeerd en in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. In het tweede nader stuk van 5 juni 2026 heeft zij hiervoor een totaalbedrag van ruim € 39.000 genoemd, waarbij de na dat stuk nog te maken kosten zijn geschat.

50. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur niet tegen beter weten in geprocedeerd, maar heeft de inspecteur wel ernstig onzorgvuldig gehandeld. De rechtbank licht dit oordeel als volgt toe.

50. Uit de brief van 22 september 2023 (punt 14.) en de aankondigingsbrief van 29 februari 2024 (punt 16.) leidt de rechtbank af dat de inspecteur in eerste instantie heeft gemeend dat met de start van de bouw van de loods in 2020 de tbs-regeling is beëindigd. Als mocht blijken dat dit toch 2019 was, dan moest volgens de inspecteur worden bezien voor welk gedeelte dat in 2019 dan het geval is. In de aankondigingsbrief heeft de inspecteur verwezen naar luchtfoto’s uit 2019 waarop volgens inspecteur niet te zien zou zijn dat in 2019 zou zijn gestart met de bouw.

52. Uit de luchtfoto’s van de jaren 2018, 2019 en 2020 kan niet anders worden afgeleid dan dat in 2019 de verharding is weggehaald op het gedeelte waarop de loods is gerealiseerd. In de brief van 31 januari 2024 had belanghebbende al gesteld en met foto’s onderbouwd dat in 2019 de bouw van de loods ook al daadwerkelijk was aangevangen. Het is weliswaar juist dat de foto’s niet zijn voorzien van data. Maar in combinatie met de luchtfoto’s, had de inspecteur moeten twijfelen aan de juistheid van zijn standpunt dat in 2020 de bouw was gestart, met name omdat de inspecteur zijn standpunt op dat moment baseerde op het startmoment van de bouw van de loods. Hij had hierin aanleiding moeten zien om nadere informatie in te winnen om de feiten helder te krijgen, niet in de laatste plaats omdat de bewijslast voor deze correctie bij de inspecteur rust. De inspecteur heeft daarom in de aanslagfase onzorgvuldig gehandeld.

53. In de bezwaarfase heeft belanghebbende de facturen van de bouw en de huurovereenkomst met [bedrijf 4] aan de inspecteur overgelegd. De inspecteur beschikte in de bezwaarfase dus over deze stukken. De inspecteur had op basis van de facturen van de bouw kunnen vaststellen dat de bouw van de loods feitelijk in 2019 was gestart en dat belanghebbende niet als verhuurder in de huurovereenkomst met [bedrijf 4] was vermeld. De inspecteur heeft in zijn brief van 17 juli 2024 aangegeven dat de intentie van de verhuur aan derden ook zou kunnen blijken uit contacten met potentiële huurders. Op basis van de huurovereenkomst met [bedrijf 4] had de inspecteur kunnen vaststellen dat de intentie van de echtgenoot om aan derden te verhuren in 2019 al aanwezig was. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur gesteld dat voor zowel de start als het einde van de tbs-regeling de intentie van belang is, maar hij heeft in de uitspraak op bezwaar in het midden gelaten of hij die intentie in 2019 aannemelijk achtte, terwijl dat voor de heroverweging van het bezwaar juist cruciaal was. Ook in zoverre heeft de inspecteur onzorgvuldig gehandeld.

54. In beroep heeft de inspecteur feiten gesteld die evident onjuist zijn. De rechtbank acht dit ook onzorgvuldig van de inspecteur. De rechtbank wijst op het volgende:

  • De huurovereenkomst met [bedrijf ] zou volgens de inspecteur alleen door de echtgenoot zijn gesloten, terwijl in de huurovereenkomst duidelijk is vermeld dat ook belanghebbende verhuurder is.

  • De huurbetalingen van [bedrijf ] zouden volgens de inspecteur zijn ontvangen op de zakelijke rekening van de echtgenoot, terwijl uit de bankafschriften blijkt dat het gaat om een en/of rekening met belanghebbende, die ook zakelijk wordt gebruikt.

  • De huur aan [bedrijf ] zou volgens de inspecteur geen verband houden met de grond waarop de loods is gebouwd, terwijl op basis van de luchtfoto’s en huurovereenkomsten eenvoudig kan worden vastgesteld dat op zijn minst sprake is van een overlap.

  • De bouw van de loods zou in 2020 zijn gestart, terwijl uit de overgelegde facturen duidelijk blijkt dat de bouw in 2019 is gestart.

55. Tot slot acht de rechtbank het onzorgvuldig dat de inspecteur de grondslag voor het in aanmerking nemen van de boekwinst diverse malen heeft gewijzigd en ook in beroep niet duidelijk is geweest waarom hij meende dat in 2020 een afrekenmoment plaatsvond. Voor belanghebbende is het daarom onduidelijk geweest waar zij zich nu precies tegen moest verweren. De rechtbank begrijpt daarom dat belanghebbende een fiscaal advocate in de arm heeft genomen en daarom voor de rechtsbijstand relatief veel kosten heeft moeten maken.

56. Het onzorgvuldig handelen van de inspecteur is ernstig, maar is naar het oordeel van de rechtbank niet ernstig genoeg voor de conclusie dat hij tegen beter weten in heeft gehandeld en ook niet voor een veroordeling tot een vergoeding van de integrale proceskosten. Voor een deel is de onduidelijkheid namelijk veroorzaakt doordat belanghebbende zelf gefragmenteerd stukken heeft aangeleverd en deels tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding de inspecteur te veroordelen in de integrale proceskosten. Maar in het ernstig onzorgvuldig handelen van de inspecteur ziet de rechtbank wel aanleiding om af te wijken van de forfaitaire vergoeding van de proceskosten. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor bezwaar en beroep alles afwegend vast op € 25.000.

Conclusie en gevolgen

57. Het beroep is gegrond. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de aanslag en de belastingrente worden verminderd.

58. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten van € 25.000 (zie punt 56.).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • vermindert de aanslag tot een bedrag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.632;

  • vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;

  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan belanghebbende van € 500;

  • veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 25.000;

  • bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan belanghebbende moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, mr. P.J. Tikken en mr. M.F. Kossen, leden, in aanwezigheid van mr. L. Ketner, griffier.

Uitgesproken op 30 september 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffier

voorzitter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »