GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/1443 en 24/1444
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 augustus 2024, nummers BRE 23/3369 en 23/3370, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1 Ontstaan en loop van het geding
De inspecteur heeft over het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, waarover bij beschikking belastingrente is vergoed. Samen met een verminderingsbeschikking IB/PVV voor het jaar 2019 is een verliesverrekeningsbeschikking opgelegd. Over het jaar 2020 heeft de inspecteur een navorderingsaanslag en een verliesverrekeningsbeschikking opgelegd, bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen beide verliesverrekeningsbeschikkingen en heeft ten aanzien van het jaar 2020 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag, de belastingrente- en boetebeschikkingen. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
De zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende, [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 24/1449 t/m 24/1456, 24/1696 en 24/1697.
De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
De inspecteur heeft na de zitting, op verzoek van het hof en ter completering van het dossier, kopieën van de in 1.1. genoemde aanslag IB/PVV 2019 en verminderingsbeschikking IB/PVV 2019 overgelegd.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst.
2 Feiten
Belanghebbende is gehuwd met [de echtgenote] (hierna: de echtgenote).
Belanghebbende is enig aandeelhouder en bestuurder van [B.V. 2] (hierna: [B.V. 2] ). [B.V. 2] houdt op haar beurt alle aandelen in [B.V. 3] , [B.V. 4] , [B.V. 5] , [bedrijf 1] en [B.V. 6] . De vennootschappen verkeren in staat van faillissement.
Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 11 oktober 2016 zijn belanghebbende en zijn echtgenote in privé in staat van faillissement verklaard.
De zoon en dochter van belanghebbende, [naam 2] (hierna: de dochter) respectievelijk [naam 3] (hierna: de zoon), houden in 2019 en 2020 50% van de aandelen in [B.V. 7] (hierna: [B.V. 7] ). [B.V. 7] houdt op haar beurt alle aandelen in [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ). De vennootschappen zijn op 22 december 2016 opgericht. De activiteiten van [B.V. 1] bestaan volgens een uittreksel van de kamer van koophandel uit het fokken en houden van paarden, handel in paarden, handel in bestrijdingsmiddelen en kunst- en organische meststoffen, het uitoefenen van een agrarische onderneming en een transporthandel.
Belanghebbende staat van 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2019 op de loonlijst van [B.V. 1] . Het loon over die periode bedraagt € 4.129. Vanaf 1 juni 2019 tot en met 31 januari 2020 staat belanghebbende op de loonlijst van [bedrijf 2] , de eenmanszaak van de dochter. Het loon over die periode bedraagt € 1.057.
Voor het jaar 2019 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV ingediend naar een verzamelinkomen van € 6.540, volledig bestaande uit loon. De aanslag IB/PVV 2019 is conform de ingediende aangifte vastgesteld. Bij gelijktijdige beschikking is een verlies uit een eerder jaar verrekend van € 6.540.
Voor het jaar 2020 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV ingediend naar een verzamelinkomen van € 5.526, volledig bestaande uit loon. De aanslag IB/PVV 2020 is conform de ingediende aangifte vastgesteld. Bij gelijktijdige beschikking is een verlies uit een eerder jaar verrekend van € 5.526.
Bij brief van 17 november 2020 heeft de inspecteur aan [B.V. 7] en [B.V. 1] aangekondigd om een onderzoek te verrichten naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. De reikwijdte van de onderzoeken is later uitgebreid naar de controle van de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2019 en 2020, de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 en de aangiften loonheffingen over de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020.
Op 1 september 2021 heeft het inleidend gesprek van de boekenonderzoeken bij [B.V. 7] en [B.V. 1] plaatsgevonden en daarvan is een verslag opgemaakt. In het verslag zijn – voor zover hier van belang – de volgende verklaringen van belanghebbende opgenomen:
“ [naam 5] [hof: belanghebbende] legt een koppeling naar het faillissement van [naam 5] en diens vrouw en de zakelijke activiteiten die beiden tot medio 2016 hebben ontwikkeld. In de periode waarin beide ouders zakelijk actief waren is het paardenpension ontstaan en uitgegroeid tot 60 boxen. Daarnaast zijn aanwezige stallen / ruimtes omgebouwd tot een binnen rijbak en een binnen springbak. Tevens is er in een schuur een overdekte ‘wandelmolen’ geplaatst. Buiten beschikt het complex over een dressuurbak en weidevelden. [naam 5] geeft aan dat het ondernemerschap (het oprichten van [B.V. 7] en [B.V. 1] ) oorspronkelijk een idee van de ouders is. [naam 2] [hof: de dochter] geeft daarbij aan dat het een rol heeft gespeeld dat “ze (zij en haar broer) iets voor de ouders terug hebben willen doen, omdat die altijd zo goed voor hen hebben gezorgd”.
Daar lijkt de kern van de oprichting van de BV te liggen. Aanvullend geeft [naam 5] aan dat alles wat hij verdient, direct doorgaat naar de curator gezien het persoonlijke faillissement van beide ouders.
[…]
[naam 5] activiteiten
Vader [naam 5] heeft gedurende lange tijd schouderklachten gehad hetgeen heeft geresulteerd in een
schouderprothese (eerder in 2021). [naam 5] geeft aan activiteiten te verrichten. Deels actief als
chauffeur. Maar vooral het inkopen van onderhoud- montage materiaal. Ook de inkoop van voer,
hooi en stro. Maar zeker ook het opstellen van de verkoop(verhuur) facturen en het in grip houden van de administratieve gang van zaken. Aanvullend lijkt [naam 5] mee te werken in het daadwerkelijk paardenpension gebeuren.
[naam 5] is medio 2019 uit dienst gegaan bij [B.V. 1] en in dienst getreden bij [bedrijf 2] . [naam 5]
verklaart hierover: “op enig moment was het werk op bij [B.V. 1] (hiermee doelend op de
chauffeurs activiteiten), toen ben ik uit dienst gegaan en ben ik bij [bedrijf 2] in dienst
gegaan om daar [naam 2] te helpen met de paarden”. [naam 7] verwijst hier naar de paarden die bij het
paardenpension [B.V. 1] zijn gestald. [naam 5] bevestigt dit. Na een kort dienstverband –zo geeft [naam 5] aan – heeft [naam 5] ‘het bijltje erbij neergelegd’, deels als gevolg van de fysieke klachten van de diens schouder, deels als gevolg van de mentale druk.
[…]
Eenmanszaken [naam 2] [hof: de dochter] en [naam 3] [hof: de zoon]
[…]
[naam 3] heeft in eerste instantie chauffeurswerkzaamheden verricht met vervoermiddelen van derden.
[B.V. 1] hanteerde toen een uurtarief van euro 28,50 naar derden. Vanuit WTT factureerde [naam 3]
destijds een uurtarief van euro 25,- naar [B.V. 1] .”
Het eindgesprek van de onderzoeken bij [B.V. 7] en [B.V. 1] heeft plaatsgevonden op 11 mei 2022. Van het eindgesprek is een verslag opgemaakt. In dit verslag zijn de concept conclusies uit de boekenonderzoeken en de reactie daarop van de betreffende belanghebbenden opgenomen. In dit verslag staat onder meer:
“5.1.3. Dit maakt dat de inbreng van de omzet van de chauffeurswerkzaamheden binnen [B.V. 9] niet juist is geclassificeerd. Het standpunt wordt ingenomen dat deze omzet gelabeld moet worden als resultaat uit overige werkzaamheden van [belanghebbende] en niet als omzet van [B.V. 1] .
[…]
Onder verwijzing naar de afstemming met VTA LH en VTA IH in het voortraject blijft standpunt gehandhaafd.”
Op 2 augustus 2022 zijn namens [B.V. 1] en [B.V. 7] aangiften vennootschapsbelasting voor het jaar 2020 ingediend. Daarbij is geen rekening gehouden met de concept conclusies uit de boekenonderzoeken. De aanslagen vennootschapsbelasting voor het jaar 2020 zijn – conform de ingediende aangiften – aan [B.V. 1] en [B.V. 7] opgelegd.
De gemachtigde heeft bij e-mail van 1 november 2022 – voor zover hier van belang – het volgende aan de controleambtenaar bericht:
“Na onderstaande e-mail hebben wij met dagtekening 27 augustus 2022 de definitieve aanslagen vennootschapsbelasting van 2020 ontvangen van [B.V. 1] en van [B.V. 7] . Deze aanslagen zijn conform de aangiftes opgelegd en wij concluderen hieruit dat uw bevindingen zijn geannuleerd en thans geen reden meer is om aanslagen cq. verzuimboetes voor de vennootschappen en aandeelhouders op te leggen.”
Daarop heeft de controleambtenaar bij e-mail van 3 november 2022 – voor zover hier van belang – als volgt gereageerd:
“In afstemming met de inspecteur blijven wij van mening dat de resultaten van de boekenonderzoeken gestand doen.
Wij constateren dat u geen aanvullingen, verbeteringen en of twistpunten aandraagt, die zouden kunnen leiden tot een verdere vervolmaking van de door ons aangereikte kennisgevingen boete. Dit stelt ons in staat om de boekenonderzoeken verder af te wikkelen.”
De bevindingen van de boekenonderzoeken bij [B.V. 7] en [B.V. 1] zijn vastgelegd in controlerapporten die op 7 november 2022 aan de vennootschappen zijn toegezonden. In het controlerapport van [B.V. 1] is – voor zover hier van belang – het volgende ten aanzien van belanghebbende opgenomen:
“2.1. Bedrijfsactiviteiten
[…]
[Belanghebbende] heeft op basis van scholing een vervoersvergunning ten name van [B.V. 1] . Hiermee mag deze BV chauffeurswerkzaamheden voor derden vervullen.
[…]
De heer [naam 6]
De feiten en omstandigheden die uit dit boekenonderzoek naar voren komen, tonen aan dat [belanghebbende] een initiërende en drijvende rol vervult ten aanzien van zowel het ontstaan als de continuïteit van [B.V. 7] en [B.V. 1] .
[Belanghebbende] heeft van 1 januari 2019 tot en met 31 mei 2019 een dienstverband vervult bij belastingplichtige. Hierbij is een totaal belastbaar loon gerealiseerd van € 4.129,- (…) Sinds de oprichting van de beide BV’s verzorgt [belanghebbende] naast de aansturing van beide BV’s ook de administratieve gang van zaken. Het opstellen van verkoopfacturen. Het ontvangen, beoordelen en betaalbaar stellen van inkoopfacturen. Het afsluiten van inkoop- en verkoop contracten namens de BV’s. (…) Daarnaast houdt [belanghebbende] als enige de mesthandelsactiviteiten van belastingplichtige in stand. Tevens verhuurt belastingplichtige [belanghebbende] als vrachtwagenchauffeur voor derde transportondernemingen. In 2019 is dit alleen de verhuur van manuren. Vanaf november 2020 zet belastingplichtige een eigen Scania trekker is en worden combinaties van trekker en chauffeur per uur verhuurd aan derden. In 2019 is alleen [belanghebbende] als chauffeur verhuurd door belastingplichtige, dit wordt tevens door hem verklaard. In 2020 worden ook de heer [naam 3] en een ingehuurde derde als chauffeur verhuurd.
In 2019 heeft de inzet van [belanghebbende] onder meer geleid tot de volgende omzetten:
|
Mestomzet |
Chauffeurs-werkzaamheden |
Totale omzet [B.V. 1] |
|
|
2019 |
€ 100.074,- |
€ 64.659,- |
€ 270.180,- |
|
2020 |
€ 74.863,- |
€ 201.001,-* |
€ 419.727,- |
[Belanghebbende] heeft tijdens onder meer het inleidend gesprek, expliciet aangegeven dat hij geen inkomen op eigen naam wil genereren, omdat deze dan -gezien zijn faillissement – afgedragen moeten worden aan de curator. Dat maakt dat de inbreng van de omzet van de chauffeurswerkzaamheden binnen [B.V. 1] niet juist is gekwalificeerd. Het standpunt wordt ingenomen dat deze omzet gelabeld moet worden als resultaat uit overige werkzaamheden van [belanghebbende] en niet als omzet van [B.V. 1] . De chauffeursomzet van [B.V. 1] wordt gecorrigeerd ter waarde van € -/- 64.659,-.
[…]
In 2020 heeft [belanghebbende] eveneens onder meer werkzaamheden als chauffeur verricht die aan derden zijn gefactureerd. De inrichting van de administratie van [B.V. 1] maakt dat het niet is te achterhalen wie wanneer welke rit (en de duur ervan) heeft verzorgd. [Belanghebbende] heeft geen nadere informatie op basis waarvan in realiteit het aantal gewerkte chauffeursuren kan worden bepaald.
Analyse van de verkoopfacturen van belastingplichtige toont aan dat in de periode januari tot en met september 2020 een totale transportomzet is gegenereerd van € 127.308,0 In deze periode hebben zowel [naam 3] [hof: de zoon] als [belanghebbende] chauffeurswerk verricht. In deze periode is er nog geen eigen vrachtwagen ingezet. Het extern gefactureerde uurloon is derhalve € 28,50. In de periode zijn € 127.308,- / € 28,50 = 4.466 uur gefactureerd. Volgens de verkoopfacturen van WTT en de gemaakte afspraak dat de heer [naam 3] [hof: de zoon] 50 uur per week werkt, zijn er 2.200 uur gewerkt door de heer [naam 3] in deze periode. De heer [naam 3] heeft niet alle gewerkte uren as chauffeur gewerkt. Hij is immers ook nog ingezet als monteur, waaruit een separate omzetstroom is gegeneerd. Omwille van eenvoud is dit uitgangspunt toch gekozen. Hieruit volgt dat [belanghebbende] een omzet heeft gerealiseerd van (4.466 -/- 2.200) = 2.266 uur x € 28,50 = € 64.581,- Gedurende het laatste kwartaal van 2020 heeft [belanghebbende] ook nog als chauffeur gewerkt. Deels met de vrachtwagen van de onderneming. Omdat in het laatste kwartaal verschillende tarieven zijn toegepast en ook nog een derde chauffeur is ingeschakeld, is die periode buiten de berekening gehouden.”
De inspecteur heeft belanghebbende vervolgens bij brief van 7 november 2022 erover geïnformeerd dat uit het boekenonderzoek bij [B.V. 1] correcties zijn gebleken die gevolgen hebben voor de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 van belanghebbende. Daarnaast heeft de inspecteur zijn voornemen aan belanghebbende kenbaar gemaakt om aan hem boeten over de correcties op te leggen op basis van artikel 67e Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). In de brief staat ten aanzien van de vergrijpboete – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:
“Zowel in 2019 als in 2020 heeft u chauffeurswerkzaamheden verricht bij derde ondernemingen.
U heeft de mogelijkheid gehad om deze inkomsten – vanuit dienstbetrekkingen bij deze derden – als loon te laten vergoeden of als zelfstandige zonder personeel te kiezen binnen de inkomstenbelasting voor resultaat uit overige werkzaamheden. U heeft er bewust niet voor gekozen om deze inkomsten bij uw aangifte inkomstenbelasting aan te geven. U heeft bewust, willens en wetens gekozen om de verdiensten van het verzorgen van chauffeursritten te laten factureren door [B.V. 1] aan derde ondernemingen. U heeft op deze wijze willens en wetens ervoor gekozen om de geldstroom – die volgt uit uw werkzaamheden bij de derde ondernemingen – buiten uw inkomstenbelasting te houden en daarmee te weinig belasting af te dragen.
Wij leggen een vergrijpboete op. De vergrijpboete is gebaseerd op artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst en bedraagt 50%.”
De inspecteur heeft vervolgens een verminderingsaanslag IB/PVV opgelegd over het jaar 2019 en een navorderingsaanslag over het jaar 2020.
In de verminderingsaanslag IB/PVV 20191 van 29 december 2022 is het verzamelinkomen vastgesteld op € 71.199, dat bestaat uit een loon van € 6.540 en resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: ROW) van € 64.659. Op de eerder opgelegde belastingrentebeschikking is niet teruggekomen. Op hetzelfde geschrift als de verminderingsbeschikking is een verliesverrekeningsbeschikking opgenomen, waarbij in afwijking van de aangifte en de primitieve aanslag over 2019 een nog uit voorgaande jaren resterend verlies uit werk en woning van € 71.199 wordt verrekend.
In de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 van 28 januari 2023 is een verzamelinkomen vastgesteld van € 70.107, dat bestaat uit een loon van € 5.526 en een ROW van € 64.581. In hetzelfde geschrift is bij beschikking een belastingrente van € 907 in rekening gebracht en bij beschikking een vergrijpboete van € 6.828 opgelegd. Op hetzelfde geschrift als de navorderingsaanslag is een verliesverrekeningsbeschikking opgenomen, waarbij in afwijking van de aangifte en de primitieve aanslag een nog uit voorgaande jaren resterend verlies uit werk en woning van € 26.007 wordt verrekend.
Ten aanzien van de vennootschapsbelasting voor de jaren 2019 en 2020 heeft de inspecteur navorderingsaanslagen opgelegd aan [B.V. 1] , verhoogd met belastingrente en voor 2019 een vergrijpboete. In de behandeling van het beroep van belanghebbende tegen deze navorderingsaanslagen bij de rechtbank heeft de inspecteur zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de navorderingsaanslagen, de vergrijpboete en de belastingrentebeschikkingen moeten worden vernietigd, hetgeen de rechtbank heeft gedaan.2 Daarmee resteren de aanslagen die conform de ingediende aangiften zijn opgelegd.
3 Geschil en conclusies van partijen
Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de inspecteur terecht bij het vaststellen van de herziene verliesverrekeningsbeschikkingen en de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 terecht een ROW voor de jaren 2019 en 2020 in aanmerking heeft genomen en zo ja, of de hoogte daarvan juist is. Verder is in geschil of de inspecteur het vertrouwensbeginsel en/of het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Ook is in geschil of de boete terecht is opgelegd.
Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 en de boetebeschikking en tot vermindering van de in de verliesverrekeningsbeschikkingen verrekende bedragen tot de bedragen die in de primitieve aanslagen waren vastgesteld. Subsidiair concludeert belanghebbende tot vermindering van het door de inspecteur in aanmerking genomen ROW, hetgeen moet leiden tot een evenredige vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 en een evenredige vermindering van de in de herziene verliesverrekeningsbeschikkingen verrekende bedragen.
De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Ten aanzien van het geschil
i. Is sprake van een resultaat uit overige werkzaamheden?
Belanghebbende stelt dat hij de door de inspecteur gestelde ROW niet heeft genoten. De werkzaamheden heeft belanghebbende voor [B.V. 1] verricht en hij heeft daar geen vergoeding voor ontvangen. [B.V. 1] heeft de omzet gefactureerd en in de jaarcijfers verantwoord. Op deze basis zijn ook de aangiften vennootschapsbelasting ingediend, waarvan inmiddels definitief kan worden vastgesteld dat de heffing conform de aangifte heeft plaatsgevonden (zie 2.18). Het zakelijke karakter en deelname in het economische verkeer speelt zich dus af tussen [B.V. 1] en diens afnemers, waar belanghebbende geen voordeel uit heeft verkregen. Een voordeel was ook niet door belanghebbende beoogd, aangezien elk geldelijk voordeel in de failliete boedel terecht zou komen. Belanghebbende verwijst naar jurisprudentie waaruit volgt dat als een belastingplichtige om persoonlijke redenen een mogelijkheid tot het behalen van een voordeel aan een ander gunt, die belastingplichtige in het algemeen niet voor het door die ander genoten voordeel wordt belast.3
De inspecteur stelt dat belanghebbende zelf de arbeid heeft verricht welke geleid heeft tot omzet, zoals de chauffeurswerkzaamheden. De inspecteur stelt dat belanghebbende al voor de oprichting van de vennootschap dergelijke werkzaamheden verrichtte, dat hij op persoonlijke titel de vereiste papieren heeft gehaald en dat hij namens de vennootschap de opdrachten met de opdrachtgevers afsluit. Er zijn volgens de inspecteur geen andere gekwalificeerde werknemers in dienst die de chauffeurswerkzaamheden kunnen verrichten. Daarnaast stelt de inspecteur dat belanghebbende de factuur voor de verrichtte werkzaamheden opmaakt en tevens zorgt voor de verdere afhandeling daarvan. De werkzaamheden van belanghebbende acht de inspecteur dermate verknocht met belanghebbende dat deze niet toebehoren aan [B.V. 1] , maar toebehoren aan belanghebbende zelf. De inspecteur stelt verder dat belanghebbende een fiscaal motief had en wijst daarbij op het verschil in heffing als gevolg van enerzijds de tariefstelling in de inkomstenbelasting ten aanzien van ROW (bij belanghebbende) en anderzijds het gecombineerde tarief van vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting voor inkomsten uit aanmerkelijk belang (bij zijn kinderen). Subsidiair stelt de inspecteur dat de overeengekomen arbeidsbeloning niet zakelijk is en om deze reden gecorrigeerd moet worden bij belanghebbende.
Het primaire standpunt van de inspecteur komt erop neer dat voorbij gegaan moet worden aan het feit dat de chauffeurswerkzaamheden niet door belanghebbende maar namens [B.V. 1] zijn gecontracteerd en gefactureerd.4 Het hof vat dit standpunt op als een beroep op relatieve simulatie. Bij relatieve simulatie is in werkelijkheid iets anders overeengekomen dan civielrechtelijk wordt voorgesteld. Van relatieve simulatie is echter geen sprake. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat hij, vanwege zijn persoonlijke faillissement, boven de vergoedingen die hij van [B.V. 1] en [bedrijf 2] heeft ontvangen (zie 2.5) geen vergoedingen voor zijn chauffeurswerkzaamheden heeft willen ontvangen. Dat deze vergoedingen naar [B.V. 1] zijn gegaan is dus overeenkomstig de bedoeling van partijen geweest.
Het subsidiaire standpunt van de inspecteur houdt in dat de chauffeursactiviteiten van belanghebbende een bron van inkomen vormen, de inkomsten daaruit als ROW kwalificeren en dat niet de daadwerkelijk ontvangen vergoeding maar een marktconforme vergoeding bij belanghebbende in de heffing betrokken moet worden.
Naar het oordeel van het hof vormen de chauffeurswerkzaamheden van belanghebbende een bron van inkomen. Met zijn werkzaamheden als chauffeur neemt belanghebbende deel aan het economische verkeer. Hij beoogt daarmee ook voordeel en dat voordeel is ook (gezien de aard van de activiteiten en de kwalificatie en ervaring van belanghebbende als professionele chauffeur) objectief te verwachten. Dat belanghebbende slechts een klein deel van het daadwerkelijk met de chauffeurswerkzaamheden behaalde voordeel zelf heeft (willen) ontvangen doet daar niet aan af. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbende zijn chauffeurswerkzaamheden voor [B.V. 1] niet in dienstbetrekking heeft verricht, omdat van een gezagsverhouding tussen [B.V. 1] en belanghebbende geen sprake was. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende gedurende de gehele periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 werkzaamheden voor [B.V. 1] heeft verricht en slechts gedurende 5 maanden op de loonlijst van deze vennootschap heeft gestaan (zie 2.5). Ook betrekt het hof de beschrijving van de rol van belanghebbende bij de bedrijfsactiviteiten van [B.V. 1] in controlerapporten van 7 november 2022 (zie 2.14) in zijn beoordeling. Uit deze (door belanghebbende niet ontzenuwde) beschrijving rijst een beeld op dat belanghebbende bij zijn werkzaamheden niet gebonden werd door instructies van het bestuur van [B.V. 1] . De chauffeurswerkzaamheden van belanghebbende vormen dan ook een overige werkzaamheid waarvan de inkomsten bij belanghebbende op grond van artikel 3.90 en 3.94 Wet IB 2001 in de heffing van de inkomstenbelasting dienen te worden betrokken.
Op grond van artikel 3.90 Wet IB 2001 is het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden:
“(…) het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren verminderd met de terbeschikkingstellingsvrijstelling (…).”
en op grond van art. 3.94 Wet IB 2001 is het resultaat uit een werkzaamheid:
“(…) het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid.”
In de memorie van toelichting bij het voorstel dat heeft geleid tot de Wet IB 2001 is over artikel 3.94 opgemerkt:
“Volgens deze bepaling is het resultaat uit een werkzaamheid het bedrag van alle positieve en negatieve voordelen die aan die werkzaamheid kunnen worden toegerekend. Deze toerekening vindt op een vergelijkbare wijze plaats als bij toerekening van voordelen aan een onderneming.”5
Hieruit volgt dat het (totaal)resultaat in artikel 3.90 Wet IB 2001 nauw aansluit bij het begrip totaalwinst in artikel 3.8 Wet IB 2001. Ook de leer rond het onzakelijk handelen zoals die geldt voor het winstregime is hierdoor van toepassing bij het bepalen van het resultaat uit een werkzaamheid. Als de belastingplichtige in het kader van zijn werkzaamheid bewust onzakelijk handelt met een verbonden persoon, dient het resultaat van de werkzaamheid in de regel gecorrigeerd te worden tot het resultaat dat in zakelijke verhoudingen tot stand zou zijn gekomen. Daarmee komt de vraag aan de orde of belanghebbende onzakelijk heeft gehandeld met [B.V. 1] vanwege zijn verbondenheid met deze vennootschap.
De inspecteur stelt dat belanghebbende in 2019 en 2020 jaarlijks 2.200 uur voor [B.V. 1] heeft gewerkt. Belanghebbende heeft op de zitting in eerste aanleg gesteld zo’n
800 a 1.000 uur per jaar voor [B.V. 1] te hebben gewerkt. Ook als het hof uitgaat van het aantal uren dat belanghebbende heeft aangegeven en van het minimumloon voor een halftijds baan, dan is de door belanghebbende ontvangen vergoeding onzakelijk laag.6 Belanghebbende heeft op de zitting bij de rechtbank verklaard dat hij zijn werkzaamheden niet ‘gratis’ zou hebben verricht ‘als de vader-zoon relatie niet aanwezig zou zijn geweest’. Het hof legt deze verklaring uit als een erkenning van het feit dat belanghebbende tegen een te lage vergoeding voor [B.V. 1] heeft gewerkt om de indirecte aandeelhouders van deze vennootschap (de zoon en de dochter) te bevoordelen. Gezien de grootte van de bevoordeling moeten zowel belanghebbende als [B.V. 1] zich bewust zijn geweest van de bevoordelingsbedoeling van belanghebbende. Belanghebbende had dan ook niet de van [B.V. 1] ontvangen vergoeding maar een vergoeding zoals deze in zakelijke verhoudingen tot stand zou zijn gekomen in zijn aangiften IB/PVV 20219 en 2020 moeten opnemen. Het door belanghebbende aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 1968 (zie 4.1.1) staat daar niet aan in de weg. In dat arrest heeft de Hoge Raad immers ook overwogen dat er zich,
“bijzondere omstandigheden kunnen voordoen, waaronder het voordeel, dat een derde heeft behaald doordat een ondernemer, met prijsgeving van de mogelijkheid dit voordeel zelf in zijn bedrijf te behalen, hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, als een aan dat bedrijf voor daaraan vreemde doeleinden onttrokken voordeel moet worden aangemerkt, dat aan de bedrijfswinst behoort te worden toegevoegd.”
Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval sprake omdat de door [B.V. 1] gemaakte omzet op de chauffeurswerkzaamheden het rechtstreeks gevolg waren van de werkzaamheden van belanghebbende en belanghebbende deze vanwege zijn familieband met de indirecte aandeelhouders van [B.V. 1] aan deze vennootschap heeft doen toekomen.
Daarmee komt het hof toe aan de vraag of de inspecteur de hoogte van het ROW juist heeft vastgesteld. In dat kader is ook de verdeling van de bewijslast van belang.
ii. Bewijslast en hoogte van het ROW
De inspecteur stelt dat de volgens de aangiften verschuldigde belasting op zichzelf beschouwd en verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting, dat belanghebbende dus niet de vereiste aangifte als bedoeld in artikel 27e, lid 1, AWR heeft gedaan en dat daarom de bewijslast omgekeerd en verzwaard is.
Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Verder worden inhoudelijke gebreken in de aangifte slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast.
Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of belanghebbende ten tijde van het doen van aangiften wist of zich ervan bewust moest zijn dat hij niet de van [B.V. 1] ontvangen vergoeding maar een vergoeding zoals deze in zakelijke verhoudingen tot stand zou zijn gekomen had moeten aangeven. Concreet geformuleerd komt dit neer op de vraag of belanghebbende zich ervan bewust had moeten zijn dat zich in zijn geval ‘bijzondere omstandigheden’ in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 1968 (zie 4.1.1) hebben voorgedaan. Omdat er tot op heden in de jurisprudentie weinig concrete handvatten zijn te vinden bij de invulling van dit begrip, had belanghebbende zich daar naar het oordeel van het hof niet bewust van moeten zijn. De bewijslast is dan ook niet omgekeerd en verzwaard. Dat betekent dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat het door hem gestelde ROW door belanghebbende is genoten.
De inspecteur heeft het ROW voor 2019 bepaald op € 64.659 en voor 2020 bepaald op € 64.581. Hij heeft deze bedragen als volgt onderbouwd:
Voor het jaar 2019 is belanghebbende als enige verantwoordelijk voor € 51.545 omzet chauffeurswerkzaamheden. Daarnaast is belanghebbende verantwoordelijk voor de mesthandelomzet van € 100.074. Verder verricht belanghebbende allerlei andere (bestuurlijke) werkzaamheden. Belanghebbende heeft in 2019 tenminste 2.200 uur gewerkt.
In het jaar 2020 verricht de zoon ook chauffeurswerkzaamheden. Vanaf het laatste kwartaal is er tevens een derde persoon die deze werkzaamheden verricht. De eerste drie kwartalen is een omzet voor deze werkzaamheden behaald van € 127.308. Deze omzet is dus enkel behaald door arbeid van belanghebbende en de zoon. Het extern gefactureerde uurloon is gesteld op € 28,50 conform de uitlatingen van belanghebbende ten tijde van het inleidende gesprek. Uit voorafgaande volgt dat 4.466 uren gefactureerd zijn. Aan de zoon zijn 2.200 uren toegerekend, 50 uren per week, terwijl hij hiernaast ook nog monteurswerkzaamheden verricht. De uren van zoon welke hij besteedt aan chauffeurswerkzaamheden zullen dus waarschijnlijk lager liggen. Het restant van 2.266 uren in de eerste drie kwartalen is aan belanghebbende toegerekend. Dit leidt voor het jaar 2020 tot een aan belanghebbende toe te rekenen ROW van € 64.581 (2.266 uren vermenigvuldigd met € 28,50). De gemaakte omzet in het vierde kwartaal wordt dus geheel niet toegerekend aan belanghebbende.
Ten slotte stelt de inspecteur dat als het inkomen uit de chauffeurswerkzaamheden abusievelijk verkeerd zou zijn vastgesteld, zoals belanghebbende stelt, dit intern kan worden gecompenseerd met het voordeel dat aan belanghebbende toegerekend moet worden uit de mesthandel en het voeren van de administratie van [B.V. 1] . Daarbij is belanghebbende, vanwege zijn eerdere ervaringen, volgens de inspecteur de enige persoon die de mesthandelsactiviteiten van de vennootschap kan verrichten.
Belanghebbende stelt dat de berekening van het ROW onjuist is. Voor het jaar 2019 zijn een factuur die betrekking heeft op het jaar 2018 (€ 5.190) en omzet uit de verkoop van banden (€ 7.924) volgens belanghebbende abusievelijk meegeteld. Voor het jaar 2020 is volgens belanghebbende abusievelijk de omzet uit banden (€ 25.580) meegeteld.
Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur de door hem gecorrigeerde ROW-bedragen aannemelijk gemaakt. De inspecteur heeft immers onweerspreken gesteld dat belanghebbende een initiërende en drijvende rol vervulde binnen [B.V. 1] , de administratieve gang van zaken aanstuurde, de verkoopfacturen opstelde, de inkoopfacturen beoordeelde en betaalde en de inkoop- en verkoop contracten namens de [B.V. 1] afsloot. Verder is aannemelijk dat belanghebbende chauffeurswerkzaamheden uitvoerde en verantwoordelijk was voor de omzet op de mesthandel. Voor een dergelijke gecombineerd leidinggevende, commerciële en uitvoerende rol binnen een bedrijf zoals [B.V. 1] zou naar het oordeel van het hof in zakelijke verhoudingen een vergoeding van minimaal € 70.000 bruto per jaar passend zijn. De door de inspecteur toegepaste correcties zijn dus niet te hoog.
iii. Vertrouwensbeginsel
Belanghebbende stelt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Ter onderbouwing voert hij aan dat de aangiften vennootschapsbelasting 2020 van [B.V. 7] en [B.V. 1] akkoord zijn bevonden door de inspecteur omdat de aanslagen vennootschapsbelasting conform de aangiften aan de vennootschappen zijn opgelegd. Dat heeft volgens belanghebbende bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de correcties die voortvloeien uit de boekenonderzoeken voor de inkomstenbelasting ook niet zouden worden doorgevoerd. De inspecteur betwist dat hij het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de inspecteur uitlatingen heeft gedaan, waaruit belanghebbende redelijkerwijs mocht opmaken dat geen inkomstenbelasting zou worden nagevorderd. De aanslagen vennootschapsbelasting 2020 van [B.V. 7] en [B.V. 1] kunnen echter niet als een dergelijke uitlating worden beschouwd, omdat deze geen uitlating bevatten ten aanzien van de inkomstenbelastingheffing bij belanghebbende.
iv. Zorgvuldigheidsbeginsel
Belanghebbende stelt dat de inspecteur tot het vaststellen van de aanslagen diverse fouten heeft gemaakt en dat schriftelijk bevestigd. Alhoewel de door de inspecteur erkende fouten zijn rechtgezet bij het opleggen van de aanslagen, is belanghebbende van mening dat hieruit blijkt dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de gehanteerde bedragen niet meer betrouwbaar zijn. De aanslagen moeten daarom vernietigd worden. De inspecteur betwist dat de aanslagen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zijn opgelegd.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel niet heeft geschonden bij het opleggen van de aanslagen. Gedurende een controle is het niet ongebruikelijk dat tussen de inspecteur en de belastingplichtige een discussie ontstaat over de hoogte van de voorgenomen correcties en dat vervolgens wordt geconcludeerd dat deze bijstelling behoeven.
v. Boete
Indien een onjuiste belastingaangifte wordt gedaan, kan ter zake daarvan geen vergrijpboete als bedoeld in de artikel 67e AWR worden opgelegd indien aan die aangifte een standpunt ten grondslag ligt dat gebaseerd kan worden op een pleitbare uitleg van het (fiscale) recht, in die zin dat de belastingplichtige ten tijde van het doen van die aangifte – naar objectieve maatstaven gemeten – redelijkerwijs kon en mocht menen dat deze uitleg en daarmee de door hem gedane aangifte juist was. In een dergelijk geval kan niet worden gezegd dat het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat die aangifte onjuist is dan wel dat daardoor te weinig belasting is geheven, ook al wordt het aan die aangifte ten grondslag liggende standpunt later door de rechter onjuist bevonden.7
Aan de foute aangiften van belanghebbende ligt het standpunt ten grondslag dat hij slechts de daadwerkelijk ontvangen vergoeding en niet een zakelijke vergoeding voor zijn werkzaamheden hoefde aan te geven. Zoals het hof hiervoor heeft geconstateerd (zie 4.2.3) biedt de jurisprudentie tot op heden weinig handvatten onder welke ‘bijzondere omstandigheden’ meer dan de daadwerkelijk ontvangen vergoeding tot de ROW moet worden gerekend. Naar het oordeel van het hof kon belanghebbende bij het doen van de aangiften redelijkerwijs menen dat hij slechts de daadwerkelijk ontvangen vergoeding hoefde aan te geven. Omdat belanghebbende dus een pleitbaar standpunt had, dient de opgelegde vergrijpboete te worden vernietigd.
Tussenconclusie
De tussenconclusie is dat het hoger beroep gegrond is, aangezien de opgelegde vergrijpboete moet worden vernietigd.
Ten aanzien van het griffierecht
De inspecteur dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 50 respectievelijk € 138 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep in de zaak met nummer BRE 23/3370 gegrond had moeten worden verklaard.
Ten aanzien van de kosten van het bezwaar
De inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar ten onrechte afgewezen. Het hof veroordeelt daarom de inspecteur in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.
Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten)8 x € 666 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x is € 1.332.
Ten aanzien van de proceskosten
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof.
Het hof stelt deze tegemoetkoming voor zowel het beroep als het hoger beroep op € 1.868, als volgt berekend 2 (punten)9 x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak). Dit betekent dat het totaal voor beroep en hoger beroep € 3.736 bedraagt.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5 Beslissing
Het hof:
-
verklaart het hoger beroep gegrond;
-
vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor zover deze betrekking heeft op de vergrijpboete;
-
verklaart het tegen de uitspraak op bezwaar bij de rechtbank ingestelde beroep met nummer BRE 23/3370 gegrond;
-
vernietigt de uitspraak op bezwaar in de zaak met nummer 24/1444 (rechtbanknummer BRE 23/3370), maar alleen voor de beslissingen over de vergrijpboete en het niet toekennen van een vergoeding van proceskosten;
-
vernietigt de boetebeschikking over het jaar 2020;
-
bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof van, in totaal, € 188 vergoedt;
-
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het bezwaar van 1.332;
-
veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van € 3.736.
De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps E.P.A. Brakeboer
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
-
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.