ECLI:NL:GHSHE:2026:1942

Datum uitspraak
22-07-2026
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Zaaknummer
24/1449 tot en met 24/1452
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Belanghebbende geeft spinninglessen voor een sportschool en laat de opbrengst toekomen aan een BV waarvan haar kinderen de (middellijke) aandeelhouders zijn. De inspecteur heeft bij belanghebbende een resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen en navorderingsaanslagen opgelegd. Het hof laat de navorderingsaanslagen in stand. Het beroep van belanghebbende op het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel wordt door het hof verworpen.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummers: 24/1449 tot en met 24/1452

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 7 augustus 2024, nummers BRE 23/3367, 23/3368, 24/5907 en 24/5908, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV), alsmede navorderingsaanslagen inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd over de jaren 2019 en 2020 (hierna: de navorderingsaanslagen). Ten aanzien van al deze aanslagen is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht. Ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV zijn tevens bij beschikking boeten opgelegd.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over 2019 ongegrond verklaard en de bezwaren ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw over 2020 en de boetebeschikkingen gegrond verklaard. Tevens heeft de inspecteur bij beschikking een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep tegen de beslissing met betrekking tot de proceskostenvergoeding gegrond verklaard en de overige beroepen ongegrond.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.

1.6.

De zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld door [de echtgenoot] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 24/1443, 24/1444, 24/1453 t/m 24/1456, 24/1696 en 24/1697.

1.7.

De inspecteur heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij. De inspecteur heeft tevens zonder bezwaar van belanghebbende nadere stukken overgelegd.

1.8.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak in Mijn Rechtspraak is geplaatst.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met [de echtgenoot] (hierna: de echtgenoot).

2.2.

Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 11 oktober 2016 zijn belanghebbende en haar echtgenoot in privé in staat van faillissement verklaard.

2.3.

De zoon en dochter van belanghebbende, [naam 2] (hierna: de dochter) respectievelijk [naam 3] (hierna: de zoon) , houden in 2019 en 2020 50% van de aandelen in [B.V. 7] (hierna: [B.V. 7] ). [B.V. 7] houdt op haar beurt alle aandelen in [B.V. 1] (hierna: [B.V. 1] ). De vennootschappen zijn op 22 december 2016 opgericht. De activiteiten van [B.V. 1] bestaan volgens een uittreksel van de kamer van koophandel uit het fokken en houden van paarden, handel in paarden, handel in bestrijdingsmiddelen en kunst- en organische meststoffen, het uitoefenen van een agrarische onderneming en een transporthandel.

2.4.

Voor het jaar 2019 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.424, volledig bestaande uit loon verkregen uit een dienstbetrekking bij een stichting. De aanslag IB/PVV 2019 is conform de ingediende aangifte vastgesteld.

2.5.

Voor het jaar 2020 heeft belanghebbende een aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.094, volledig bestaande uit loon verkregen uit een dienstbetrekking bij een stichting. De aanslag IB/PVV 2020 is conform de ingediende aangifte vastgesteld.

2.6.

Bij brief van 17 november 2020 heeft de inspecteur aan [B.V. 7] en [B.V. 1] aangekondigd om een onderzoek te verrichten naar aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen over de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019. De reikwijdte van de onderzoeken is later uitgebreid naar de controle van de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2019 en 2020, de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020 en de aangiften loonheffingen over de tijdvakken in de periode 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020.

2.7.

Op 1 september 2021 heeft het inleidend gesprek van de boekenonderzoeken bij [B.V. 7] en [B.V. 1] plaatsgevonden en daarvan is een verslag opgemaakt. In het verslag zijn – voor zover hier van belang – de volgende verklaringen opgenomen:

“ [naam 5] (hof: de echtgenoot) legt een koppeling naar het faillissement van [naam 5] en [belanghebbende] en de zakelijke activiteiten die beiden tot medio 2016 hebben ontwikkeld. In de periode waarin beide ouders zakelijk actief waren is het paardenpension ontstaan en uitgegroeid tot 60 boxen. Daarnaast zijn aanwezige stallen / ruimtes omgebouwd tot een binnen rijbak en een binnen springbak. Tevens is er in een schuur een overdekte ‘wandelmolen’ geplaatst. Buiten beschikt het complex over een dressuurbak en weidevelden. [naam 5] geeft aan dat het ondernemerschap (het oprichten van [B.V. 7] en [B.V. 1] ) oorspronkelijk een idee van de ouders is. [naam 2] geeft daarbij aan dat het een rol heeft gespeeld dat “ze (zij en haar broer) iets voor de ouders terug hebben willen doen, omdat die altijd zo goed voor hen hebben gezorgd”.

Daar lijkt de kern van de oprichting van de BV te liggen. Aanvullend geeft [naam 5] aan dat alles wat hij verdient, direct doorgaat naar de curator gezien het persoonlijke faillissement van beide ouders.”

2.8.

Het eindgesprek van de onderzoeken bij [B.V. 7] en [B.V. 1] heeft plaatsgevonden op 11 mei 2022. Van het eindgesprek is een verslag opgemaakt. In dit verslag zijn de concept conclusies uit de boekenonderzoeken en de reactie daarop van de betreffende belanghebbenden opgenomen. Daarin staat onder meer:

“5.1.4 Het ontbreken van iedere zakelijke relatie tussen [belanghebbende] en belastingplichtige ondersteunt het standpunt dat deze opbrengsten toebehoren aan [belanghebbende]. De opbrengsten worden gecorrigeerd en toegerekend als resultaat uit overige werkzaamheden aan het inkomen van [belanghebbende].”

2.9.

Op 2 augustus 2022 zijn namens [B.V. 1] en [B.V. 7] aangiften vennootschapsbelasting voor het jaar 2020 ingediend. Daarbij is geen rekening gehouden met de concept conclusies uit de boekenonderzoeken. De aanslagen vennootschapsbelasting voor het jaar 2020 zijn – conform de ingediende aangiften – op 27 augustus 2022 aan [B.V. 1] en [B.V. 7] opgelegd.

2.10.

De gemachtigde heeft bij e-mail van 1 november 2022 – voor zover hier van belang – het volgende aan de controleambtenaar bericht:

“Na onderstaande e-mail hebben wij met dagtekening 27 augustus 2022 de definitieve aanslagen vennootschapsbelasting van 2020 ontvangen van [B.V. 1] en van [B.V. 7] . Deze aanslagen zijn conform de aangiftes opgelegd en wij concluderen hieruit dat uw bevindingen zijn geannuleerd en thans geen reden meer is om aanslagen cq. verzuimboetes voor de vennootschappen en aandeelhouders op te leggen.”

2.11.

Daarop heeft de controleambtenaar bij e-mail van 3 november 2022 – voor zover hier van belang – als volgt gereageerd:

“In afstemming met de inspecteur blijven wij van mening dat de resultaten van de boekenonderzoeken gestand doen.

Wij constateren dat u geen aanvullingen, verbeteringen en of twistpunten aandraagt, die zouden kunnen leiden tot een verdere vervolmaking van de door ons aangereikte kennisgevingen boete. Dit stelt ons in staat om de boekenonderzoeken verder af te wikkelen.”

2.12.

De bevindingen van de boekenonderzoeken bij [B.V. 7] en [B.V. 1] zijn vastgelegd in controlerapporten die op 7 november 2022 aan de vennootschappen zijn toegezonden. In het controlerapport van [B.V. 1] is – voor zover hier van belang – het volgende ten aanzien van belanghebbende opgenomen:

“5.1.4. [belanghebbende]

[Belanghebbende] is de moeder van beide aandeelhouders en de partner van de heer [naam 6] .

Uit het verslag van het inleidend gesprek volgt:

“Spinning lessen

[Belanghebbende] staat niet binnen een van beide ondernemingen op de loonlijst. [Belanghebbende] verzorgt extern spinninglessen voor derden. Deze diensten worden via [B.V. 1] gefactureerd.”

De verkoopfacturen die in de administratie van belastingplichtige zijn aangetroffen, tonen aan dat [belanghebbende] enkel spinninglessen verzorgt bij sportschool [sportschool] (…). In 2019 is door belastingplichtige voor € 9.145,- exclusief 21% OB aan [sportschool] gefactureerd. In 2020 is dit € 5.473,- Het ontbreken van iedere zakelijke relatie tussen [belanghebbende] en belastingplichtige ondersteunt het standpunt dat deze opbrengsten toebehoren aan [belanghebbende]. De opbrengsten worden gecorrigeerd en toegerekend als resultaat uit overige werkzaamheden aan het inkomen van [belanghebbende] .”

2.13.

De inspecteur heeft belanghebbende vervolgens bij brief van 7 november 2022 erover geïnformeerd dat uit het boekenonderzoek bij [B.V. 1] correcties zijn gebleken die gevolgen hebben voor de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 van belanghebbende. Daarnaast heeft de inspecteur zijn voornemen aan belanghebbende kenbaar gemaakt om aan hem boeten over de correcties op te leggen op basis van artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). In deze brief staat de volgende recapitulatie van de gevolgen voor de IB/PVV:

2020

2019

Aangegeven inkomen box 1

€

23.094

19.424

Correctie inkomen box 1

(resultaat overige werkzaamheden)

€

9.145

5.473

Gecorrigeerd inkomen box 1

€

32.239

24.897

Gecorrigeerd verzamelinkomen

€

32.239

24.897

2.14.

De inspecteur heeft vervolgens op 24 december 2022 de volgende navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw en de bijbehorende beschikkingen vastgesteld:

 over het jaar 2019 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 24.897, en gelijktijdig beschikkingen waarbij een boete is opgelegd van € 934 en belastingrente in rekening is gebracht van € 173;

 over het jaar 2019 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) naar een bijdrage-inkomen van € 5.473, en gelijktijdig een beschikking waarbij belastingrente in rekening is gebracht van € 28;

 over het jaar 2020 een navorderingsaanslag IB/PVV naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.239, en gelijktijdig beschikkingen waarbij een boete is opgelegd van € 1.891 en belastingrente in rekening is gebracht van € 237;

 over het jaar 2020 een navorderingsaanslag Zvw naar een bijdrage-inkomen van € 9.145, en gelijktijdig een beschikking waarbij belastingrente in rekening is gebracht van € 31.

2.15.

De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2020 gegrond verklaard. De inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 15 mei 2023 het bij de navorderingsaanslag IB/PVV 2020 vastgestelde belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 28.567 en het bij de navorderingsaanslag Zvw 2020 vastgestelde bijdrage-inkomen verminderd tot € 5.473. De bijbehorende belastingrentebeschikkingen zijn dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de boetebeschikkingen bij de navorderingsaanslagen IB/PVV 2019 en 2020 gegrond verklaard en de boeten vernietigd. Verder heeft de inspecteur de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2019 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen afgewezen. De inspecteur heeft gelijktijdig met de uitspraak op bezwaar een kostenvergoeding aan belanghebbende toegekend van € 296.

2.16.

In september 2023 legt de inspecteur ten aanzien van [B.V. 1] en [B.V. 7] navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting op voor de jaren 2019 en 2020.

2.17.

In de uitspraak van 7 augustus 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2019 en 2020 en de bijbehorende belastingrentebeschikkingen, zoals deze luiden na uitspraken op bezwaar, terecht en niet tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Wel heeft de rechtbank geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een hogere kostenvergoedingen voor de bezwaarfase.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Verder is in geschil of de inspecteur bij het opleggen van de navorderingsaanslagen het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Voor het geval het hof oordeelt dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd, heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat de hoogte daarvan niet in geschil is.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en de belastingrentebeschikkingen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

i. Is sprake van een resultaat uit overige werkzaamheden?

4.1.1.

Belanghebbende stelt dat zij met het geven van de spinninglessen geen inkomsten heeft beoogd of genoten, omdat elk geldelijk voordeel in de failliete boedel terecht zou komen. De opbrengsten zijn gefactureerd en ontvangen door [B.V. 1] ; belanghebbende heeft er zelf geen enkel voordeel mee behaald. Belanghebbende verwijst naar jurisprudentie waaruit volgt dat als een belastingplichtige om persoonlijke redenen een mogelijkheid tot het behalen van een voordeel aan een ander gunt, die belastingplichtige in het algemeen niet voor het door die ander genoten voordeel wordt belast.1

4.1.2.

De inspecteur stelt dat belanghebbende arbeid heeft verricht in het economische

verkeer, welke geleid heeft tot omzet. De inspecteur stelt verder dat een omzet uit spinninglessen voor [B.V. 1] een vreemde eend in de bijt is. De activiteiten van de vennootschap zien namelijk op de exploitatie van een paardenpension en het verzorgen van chauffeurs- en monteurswerkzaamheden voor derden. De locatie waar de vennootschap zijn activiteiten exploiteert, biedt volgens de inspecteur geen gelegenheid om spinningslessen aan te bieden. Het geven van spinningslessen acht de inspecteur dermate verknocht met belanghebbende dat deze niet toebehoren aan [B.V. 1] , maar toebehoren aan belanghebbende zelf. Subsidiair stelt de inspecteur dat belanghebbende een als resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: ROW) te kwalificeren vergoeding had moeten ontvangen ter hoogte van de door [B.V. 1] voor de spinninglessen van belanghebbende ontvangen vergoeding.

4.1.3.

Het primaire standpunt van de inspecteur komt erop neer dat voorbij gegaan moet worden aan het feit dat de spinninglessen niet door belanghebbende maar namens [B.V. 1] zijn gecontracteerd en gefactureerd.2 Het hof vat dit standpunt op als een beroep op relatieve simulatie. Bij relatieve simulatie is in werkelijkheid iets anders overeengekomen dan civielrechtelijk wordt voorgesteld. Van relatieve simulatie is echter geen sprake. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat zij, vanwege haar persoonlijke faillissement, geen vergoedingen voor haar spinningslessen heeft willen ontvangen. Dat deze vergoedingen naar [B.V. 1] zijn gegaan is dus overeenkomstig de bedoeling van partijen geweest.

4.1.4.

Het subsidiaire standpunt van de inspecteur houdt in dat de spinninglessen van belanghebbende een bron van inkomen vormen, de inkomsten daaruit als ROW kwalificeren en dat niet de daadwerkelijk ontvangen vergoeding maar een marktconforme vergoeding bij belanghebbende in de heffing betrokken moet worden en dat deze marktconforme vergoeding gelijk is aan de door [B.V. 1] voor de spinningslessen gefactureerde en ontvangen bedragen.

4.1.5.

Naar het oordeel van het hof vormen de spinninglessen van belanghebbende een bron van inkomen. Met haar werkzaamheden als spinning instructeur neemt belanghebbende deel aan het economische verkeer. Zij beoogt daarmee ook voordeel en dat voordeel is ook (gezien de aard van de activiteiten en de beperkte benodigde investeringen) objectief te verwachten. Dat belanghebbende van de daadwerkelijk met de spinninglessen behaalde voordelen zelf niets heeft (willen) ontvangen doet daar niet aan af. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat belanghebbende haar spinningslessen niet in dienstbetrekking heeft verricht, omdat van een gezagsverhouding tussen [B.V. 1] en belanghebbende3 geen sprake was. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende niet op de loonlijst van [B.V. 1] heeft gestaan en dat niet aannemelijk is dat [B.V. 1] buiten de facturering op enige wijze betrokken was bij het verzorgen van de spinninglessen. De spinningslessen pasten immers op geen enkele manier binnen de bedrijfsactiviteiten van de vennootschap (zie 2.4). De werkzaamheden van belanghebbende als spinning instructeur vormen dan ook een overige werkzaamheid waarvan de inkomsten op grond van artikel 3.90 en 3.94 Wet IB 2001 bij belanghebbende in de heffing van de inkomstenbelasting dienen te worden betrokken.

4.1.6.

Op grond van artikel 3.90 Wet IB 2001 is het belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden:

“(…) het gezamenlijke bedrag van het resultaat uit een of meer werkzaamheden die geen belastbare winst of belastbaar loon genereren verminderd met de terbeschikkingstellingsvrijstelling (…).”

en op grond van art. 3.94 Wet IB 2001 is het resultaat uit een werkzaamheid:

“(…) het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden behaald met een werkzaamheid.”

In de memorie van toelichting bij het voorstel dat heeft geleid tot de Wet IB 2001 is over artikel 3.94 opgemerkt:

“Volgens deze bepaling is het resultaat uit een werkzaamheid het bedrag van alle positieve en negatieve voordelen die aan die werkzaamheid kunnen worden toegerekend. Deze toerekening vindt op een vergelijkbare wijze plaats als bij toerekening van voordelen aan een onderneming.”4

Hieruit volgt dat het (totaal)resultaat in artikel 3.90 Wet IB 2001 nauw aansluit bij het begrip totaalwinst in artikel 3.8 Wet IB 2001. Ook de leer rond het onzakelijk handelen zoals die geldt voor het winstregime is hierdoor van toepassing bij het bepalen van het resultaat uit een werkzaamheid. Als de belastingplichtige in het kader van zijn werkzaamheid bewust onzakelijk handelt met een verbonden persoon, dient het resultaat van de werkzaamheid in de regel gecorrigeerd te worden tot het resultaat dat in zakelijke verhoudingen tot stand zou zijn gekomen.

4.1.7.

Daarmee komt de vraag aan de orde of belanghebbende onzakelijk heeft gehandeld met [B.V. 1] vanwege haar verbondenheid met deze vennootschap.

4.1.8.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk dat belanghebbende onzakelijk heeft gehandeld door spinninglessen te verzorgen en de door een derde betaalde vergoedingen te doen toekomen aan een vennootschap waarvan de aandelen indirect door de zoon en de dochter werden gehouden. Het is aannemelijk dat moeder de vergoedingen niet aan [B.V. 1] zou hebben doen toekomen als de aandelen van de vennootschap bij niet-verbonden personen in bezit zouden zijn. Belanghebbende heeft dus de zoon en de dochter indirect via [B.V. 1] bevoordeeld. Gezien de grootte van de bevoordeling moeten zowel belanghebbende als [B.V. 1] zich bewust zijn geweest van de bevoordelingsbedoeling van belanghebbende. Belanghebbende had dan ook een vergoeding voor haar spinninglessen zoals deze in zakelijke verhoudingen tot stand zou zijn gekomen in haar aangiften IB/PVV 20219 en 2020 moeten opnemen. Het door belanghebbende aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 1968 (zie 4.1.1) staat daar niet aan in de weg. In dat arrest heeft de Hoge Raad immers ook overwogen dat er zich,

“bijzondere omstandigheden kunnen voordoen, waaronder het voordeel, dat een derde heeft behaald doordat een ondernemer, met prijsgeving van de mogelijkheid dit voordeel zelf in zijn bedrijf te behalen, hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, als een aan dat bedrijf voor daaraan vreemde doeleinden onttrokken voordeel moet worden aangemerkt, dat aan de bedrijfswinst behoort te worden toegevoegd.”

Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in dit geval sprake omdat de door [B.V. 1] gemaakte omzet op de spinninglessen het rechtstreeks gevolg waren van de werkzaamheden van belanghebbende en belanghebbende deze omzet vanwege haar familieband met de indirecte aandeelhouders van [B.V. 1] aan deze vennootschap heeft doen toekomen.

ii. Hoogte van het ROW

4.1.8.

Daarmee komt het hof toe aan de vraag of de inspecteur de hoogte van het ROW juist heeft vastgesteld.

4.1.9.

Naar het oordeel van het hof heeft de inspecteur de door hem gecorrigeerde ROW-bedragen aannemelijk gemaakt door te refereren aan de door de derde voor de spinningslessen betaalde vergoeding. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat [B.V. 1] geen enkele functie heeft gehad bij en ook geen enkele waarde heeft toegevoegd aan de door belanghebbende uitgevoerde activiteiten als spinning instructeur. De spinninglessen waren wezensvreemd aan de bedrijfsactiviteiten van [B.V. 1] en de lessen werden gegeven op een externe sportschool. [B.V. 1] heeft dus geen arbeid geleverd en ook geen kapitaal besteed aan de door belanghebbende bestede activiteiten; de vennootschap heeft slechts als een doorgeefluik voor de met de spinninglessen verdiende opbrengst gefungeerd. De activiteiten als doorgeefluik waren verwaarloosbaar. De inspecteur heeft de hoogte van de ROW in beide jaren dan ook juist vastgesteld.5

ii. Vertrouwensbeginsel

4.2.1.

Belanghebbende stelt dat het vertrouwensbeginsel is geschonden. Ter onderbouwing voert zij aan dat de aangiften vennootschapsbelasting 2020 van [B.V. 7] en [B.V. 1] akkoord zijn bevonden door de inspecteur omdat de aanslagen vennootschapsbelasting conform de aangiften aan de vennootschappen zijn opgelegd. Dat heeft volgens belanghebbende bij hem het in rechte te beschermen vertrouwen gewekt dat de correcties die voortvloeien uit de boekenonderzoeken voor de inkomstenbelasting ook niet zouden worden doorgevoerd. De inspecteur betwist dat hij het vertrouwensbeginsel heeft geschonden.

4.2.2.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is het aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat de inspecteur uitlatingen heeft gedaan, waaruit belanghebbende redelijkerwijs mocht opmaken dat geen inkomstenbelasting zou worden nagevorderd. De aanslagen vennootschapsbelasting 2020 van [B.V. 7] en [B.V. 1] kunnen echter niet als een dergelijke uitlating worden beschouwd, omdat deze geen enkele uitlating bevatten ten aanzien van de inkomstenbelastingheffing bij belanghebbende.

iii. Zorgvuldigheidsbeginsel

4.3.1.

Belanghebbende stelt dat de inspecteur tot het vaststellen van de aanslagen diverse fouten heeft gemaakt en dat schriftelijk bevestigd. Alhoewel de door de inspecteur erkende fouten zijn rechtgezet bij het opleggen van de aanslagen, is belanghebbende van mening dat hieruit blijkt dat de inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld en dat de gehanteerde bedragen niet meer betrouwbaar zijn. De aanslagen moeten daarom vernietigd worden. De inspecteur betwist dat de aanslagen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel zijn opgelegd.

4.3.2.

Het hof is van oordeel dat de inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel niet heeft geschonden bij het opleggen van de aanslagen. Gedurende een controle is het niet ongebruikelijk dat tussen de inspecteur en de belastingplichtige een discussie ontstaat over de hoogte van de voorgenomen correcties en dat vervolgens wordt geconcludeerd dat deze bijstelling behoeven.

Tussenconclusie

4.4.

De tussenconclusie is dat het hoger beroep ongegrond is.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het hof:

  • verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door E.P.A. Brakeboer, voorzitter, C.W.M.M. Verkoijen en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2026 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.

De griffier, De voorzitter,

R. Camps E.P.A. Brakeboer

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »