ECLI:NL:RBGEL:2020:5868

Datum uitspraak
05-10-2020
Instantie
Rechtbank Gelderland
Rechtsgebied
Civiel recht
Zaaknummer
C/05/374960 / KG ZA 20-301
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kort geding. Proceskostenveroordeling na intrekking IE-zaak. Geen specificatie van gestelde kosten, waardoor eiser zich niet behoorlijk kan verweren en niet kan worden vastgesteld of de kosten redelijk en evenredig zijn als bedoeld in art 1019h Rv.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/374960 / KG ZA 20-301

Vonnis in kort geding van 5 oktober 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KONINKLIJKE PHILIPS N.V.,

gevestigd te Eindhoven,

eiseres,

advocaten mrs. S.A. Klos en A. Ringnalda te Amsterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HESDO B.V.,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. R.J. Veenhuysen te Maastricht-Airport.

Partijen zullen hierna Philips en Hesdo worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 14 van Philips

  • de producties 1 tot en met 3 van Hesdo

  • het bericht van intrekking van 18 september 2020 van Philips

  • de brief van 21 september 2020 met productie 4 waarin Hesdo om een kostenveroordeling van Philips vraagt

  • de brief van 23 september 2020 met bijlage 1 van Philips.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Het geschil

2.1.

Philips heeft een dagvaarding uitgebracht waarin zij kort gezegd een verbod voor Hesdo vorderde verdere inbreuk te maken op de auteursrechten van Philips op de vormgeving van de behuizing van de Avent flessenwarmer. De zitting in deze zaak stond gepland op 21 september 2020. Vooruitlopend op haar verweer ter zitting heeft Hesdo op

17 september 2020 een drietal producties in het geding gebracht, waarop zij zich ter zitting zou gaan beroepen. Philips heeft zich naar aanleiding daarvan bij brief van

18 september 2020 op het standpunt gesteld dat zij op basis van die producties nader onderzoek moet verrichten naar de houdbaarheid van haar vorderingen, dat zij daarvoor voorafgaand aan de zitting onvoldoende tijd had en dat zij de zaak daarom introk.

2.2.

Hesdo heeft in reactie daarop bij brief van 21 september 2020 verzocht Philips te veroordelen in de volledige kosten, inclusief advocaatkosten, die Hesdo heeft moeten maken ter voorbereiding van de ingetrokken inbreukzaak. Hesdo heeft deze kosten begroot op een totaalbedrag van € 25.052,62.

2.3.

Philips heeft bij brief van 23 september 2020 verweer gevoerd en tot afwijzing van de gevorderde kostenveroordeling geconcludeerd.

3 De beoordeling van het geschil

3.1.

Vooropgesteld wordt dat dit kort geding enkel nog betrekking heeft op de proceskosten. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 3 juni 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1087) geoordeeld dat het mogelijk is voor een gedaagde partij om, in geval een eisende partij een kort geding intrekt, alsnog een proceskostenveroordeling te vorderen zoals Hesdo in dit geval heeft gedaan. Dat geldt ook voor kort gedingen met betrekking tot het Intellectueel Eigendomsrecht.

3.2.

Ter onderbouwing van haar opgevoerde kosten heeft Hesdo vier declaraties in het geding gebracht. Daaruit kan worden afgeleid dat in totaal € 24.565,12 aan advocaatkosten zijn gefactureerd en dat medewerkers van Hesdo daarnaast zelf tot een bedrag van

€ 487,50 aan kosten hebben gemaakt. Daarmee komt het totaal op € 25.052,62. Philips is in de gelegenheid gesteld te reageren op de gevorderde kostenveroordeling. In de kern genomen komt het verweer van Philips erop neer dat Hesdo de opgevoerde kosten niet toereikend heeft gespecificeerd en dat het gevorderde totaalbedrag gelet op de stand van het kort geding op het moment van intrekking bovendien niet redelijk en evenredig is als bedoeld in artikel 1019h Rv en de billijkheid zich tegen toewijzing daarvan verzet.

3.3.

De voorzieningenrechter constateert dat Hesdo de door haar gestelde kosten niet heeft gespecificeerd, anders dan door overlegging van drie declaraties waarop slechts in zijn algemeenheid een honorarium en een bedrag aan kantoorkosten, vermeerderd met BTW, staan vermeld. Deze declaraties bevatten geen opgave van het totale aantal uren dat mr. Veenhuysen aan de voorbereiding van de zaak heeft besteed noch een specificatie van de door hem in die uren verrichte werkzaamheden en het gehanteerde (uur)tarief. Ook de kosten die door de medewerkers van Hesdo zelf zijn opgevoerd, zijn niet (nader) gespecificeerd en onderbouwd. Dit leidt ertoe dat Philips zich (inhoudelijk) niet, althans niet behoorlijk tegen de ingediende declaraties en daarmee het gevorderde totaalbedrag heeft kunnen verweren en dat niet kan worden vastgesteld of de opgevoerde kosten redelijk en evenredig zijn als bedoeld in artikel 1019h Rv. Wel is aannemelijk dat Hesdo zich (uitvoerig) op de geplande zitting van 21 september 2020 heeft voorbereid en dat in verband daarmee de nodige kosten zijn gemaakt. De te vergoeden kosten zullen daarom op de gebruikelijke wijze worden begroot (zie onder andere HR 20 december 2013, CLI:NL:HR:2013:2057) op:

  • griffierecht € 656,00

  • salaris advocaat € 980,00

Totaal € 1.636,00

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

veroordeelt Philips tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Hesdo tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.636,00, waarin begrepen € 980,00 aan salaris advocaat,

4.2.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

4.3.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.H.J. Krijnen op 5 oktober 2020.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »