RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/767652 / HA ZA 25-933
Vonnis van 7 oktober 2026
in de hoofdzaak en in het incident van
[eisende partij] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. S.A.E. Petit,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MOONLIGHT MUSIC B.V.,
gevestigd te Zandvoort,
hierna te noemen: Moonlight Music,2. [verweerder 2],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verweerder 2] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: Moonlight c.s.,
advocaat: mr. S.A. Hoogcarspel.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 12 november 2025,
- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak,
- het tussenvonnis van 28 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging producties 26 tot en met 67 tevens houdende vermeerdering van eis van [eisende partij] ,
- de akte houdende proceskostenspecificatie van Moonlight c.s., met een productie,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 juni 2026,
- de e-mail van 31 juli 2026 van de advocaat van [eisende partij] met aanvullingen op het proces-verbaal.
1.2. De dag voor de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] een akte aanvulling productie 67, betreffende de laatste declaraties van de advocaat, ingediend. Moonlight c.s. heeft tijdens de mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen de late indiening van de akte. Zoals zij terecht naar voren heeft gebracht is de akte niet binnen de daarvoor geldende termijn van 24 uur vóór de mondelinge behandeling ingediend. Dat betekent dat deze buiten beschouwing moet blijven, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. Mede gelet op de uitkomst van de procedure is Moonlight c.s. door de te late indiening niet in haar belangen geschaad en bestaat in dit geval geen reden om de akte buiten beschouwing te laten. Deze is dus aan het procesdossier toegevoegd.
1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [eisende partij] houdt zich bezig met het maken en uitgeven van geluidsopnamen en muziekproductie vanuit zijn eenmanszaak Elevated Music.
2.2. [verweerder 2] treedt op als zangeres (van voornamelijk covers) onder de artiestennaam [artiestennaam] . Haar zakelijke activiteiten als artiest heeft zij ondergebracht in Moonlight Music. [verweerder 2] is indirect (via Full Moon Music B.V.) zelfstandig bevoegd bestuurder en enig aandeelhouder van Moonlight Music.
2.3. Tussen 1995 en 1998 heeft [verweerder 2] samen met haar toenmalige partner, bekend onder de artiestennaam [artiestennaam] , muziek uitgebracht, waaronder de nummers ‘Bailando’ en ‘Life Is Just a Game’. ‘Bailando’ is een cover van een nummer uit 1997 van de muziekgroep Paradisio.
2.4. In 2009 was [verweerder 2] in de geluidstudio van [eisende partij] voor een nieuwe opname van de vocalen van ‘Life Is Just a Game’. Enkele maanden later heeft zij in dezelfde geluidsstudio van [eisende partij] de vocalen ingezongen voor het nummer ‘Vamos a la Playa’, dat vervolgens in juni 2010 is uitgebracht. Het origineel van dat nummer is van de muziekgroep Miranda en verscheen in 1998.
2.5. Op 1 juni 2010 hebben [eisende partij] en [verweerder 2] een overeenkomst voor bepaalde tijd gesloten over de exploitatie van het nummer ‘Vamos a la Playa’. Daarin zijn zij onder meer een verdeling van de met het nummer te ontvangen royalty’s overeengekomen. Verder staat in de overeenkomst, voor zover van belang, het volgende.
Artikel 3 bepaalt dat de overeenkomst een looptijd heeft van twaalf maanden, te rekenen vanaf het moment dat het nummer (“the SINGLE”) is uitgebracht:
3 TERM
The term of this Agreement shall commence on the date of both parties having signed this Agreement and shall continue untill twelve months (12) months after release of the SINGLE. Upon that aforesaid initial period the parties are free to mutually agree another / further term or extension of this Agreement.
In artikel 5 onder c staat dat partijen elkaar tweemaal per jaar, in juni en december, “royalties statements” toezenden:
5 Royalties
(…)
c) PRODUCER/ARTIST will provide the other party biannually (i.e. within one month after June 1st and December 1st) with copies of all royalty statements received within that previous period regarding the exploitation of the SINGLE and – if so – of the video (see Clause 6 below). PRODUCER/ARTIST will make the respective payment(s) within three weeks after having received the respective invoice and bank details.
Ingevolge artikel 9 is Duits recht van toepassing op de overeenkomst:
9 MISCELLANEOUS
(…)
b) This Agreement shall be governed, construed and enforced in accordance with the substantive law of Germany.
[verweerder 2] heeft een videoclip gemaakt bij het nummer ‘Vamos a la Playa’. Deze is geüpload op onder meer de YouTube-kanalen van Moonlight Music, [eisende partij] en Scorpio Music, een platenlabel waarmee [eisende partij] een licentieovereenkomst heeft gesloten. De verschillende uploads van de videoclip zijn samen goed voor ruim 170 miljoen weergaven.
Tussen 2014 en 2018 heeft [eisende partij] in opdracht van Moonlight Music meermaals productie- en mixagewerkzaamheden verricht, waaronder voor een heruitgave van het nummer ‘Bailando’ uit 1998. Dat nummer is vervolgens in 2018 opnieuw uitgebracht onder de titel ‘Bailando 2018 – Summer Hit Mix ‘98’. Ook heeft [eisende partij] de vocalen van [verweerder 2] gemixt voor een bewerking van dit nummer ten behoeve van een reclame voor een Duits afslankproduct genaamd Slimando.
In de periode van juni 2017 tot en met oktober 2021 heeft [eisende partij] [verweerder 2] herhaaldelijk per e-mail en whatsapp gevraagd om gegevens over de exploitatie van ‘Vamos a la Playa’ op YouTube toe te zenden. Ook verzocht hij haar om hem toe te voegen als medeproducent van het nummer in haar account bij Feiyr, een muziekdistributeur die betalingen van streamingsdiensten incasseert en uitbetaalt aan rechthebbenden. Daarnaast vroeg hij hetzelfde te doen in haar YouTube-account. Als hij zou worden toegevoegd, zouden YouTube en Feiyr de helft van de exploitatie-inkomsten uit ‘Vamos a la Playa’ aan hem uitkeren.
Op 7 december 2021 heeft de advocaat van [eisende partij] een e-mail gestuurd naar [verweerder 2] . Daarin sommeert hij haar, onder verwijzing naar de exploitatieovereenkomst van 1 juni 2010 en afspraken die zouden zijn gemaakt in maart 2017, om gedetailleerde statements te verstrekken die verband houden met de exploitatie van ‘Vamos a la Playa’ en de bijbehorende videoclip sinds maart 2017. Op 15 en 16 december 2021 heeft de advocaat van [eisende partij] een reminder gestuurd (per e-mail en aangetekende brief).
Bij e-mail van 11 januari 2022 aan Moonlight c.s. heeft de advocaat van [eisende partij] wederom een reminder gestuurd en meegedeeld dat [eisende partij] eist dat al het gebruik van “de betreffende master” wordt gestopt.
Op 28 februari 2025 heeft de advocaat van [eisende partij] per e-mail aan de advocaat van Moonlight c.s. verzocht om ook exploitatiegegevens van onder meer de nummers ‘Bailando’ en ‘Slimando’ toe te zenden.
3. Het geschil
In de hoofdzaak
[eisende partij] vordert (letterlijk overgenomen uit de dagvaarding, inclusief (kennelijke) verschrijvingen):
[verweerder 2] en Moonlight Music hoofdelijk of althans [verweerder 2] dan wel Moonlight Music bij executoriaal vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot het volgende, een en ander te voldoen binnen 7 dagen na verzending van het vonnis aan de veroordeelde partij per e-mail met ontvangstbevestiging, dan wel binnen 7 dagen na betekening van het vonnis aan de veroordeelde partij, tenzij anders geëist:
I. Toevoeging van het aandeel van 50% over alle inkomsten uit het nummer Vamos A La Playa en Bailando en alle versies daarvan (ook van derden), zoals door partijen gemaakt, bij de distributeur van de nummers en alle relevante versies daarvan (thans Feiyr en Dance All Day), zodat [eisende partij] zijn exploitatie-inkomsten direct van de muziekdistributeur kan ontvangen;
II. Vergoeding van de aan [eisende partij] toekomende exploitatie-inkomsten uit het nummer Vamos A La Playa en Bailando en alle versies daarvan (ook van derden), zoals door partijen gemaakt, nader op te maken;
III. Een en ander op straffe van een dwangsom ten behoeve van [eisende partij] van € 50.000 per overtreding en € 1.000 voor elke dag of deel daarvan dat [verweerder 2] c.s. daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 200.000;
IV. Vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten, nader op te maken bij staat;
V. Vergoeding van de wettelijke handelsrente over de hoofdsom c.q. onbetaald gebleven facturen, vanaf de datum waarop de betaling aan [eisende partij] verschuldigd was, dan wel vanaf wanneer het verzuim is ingetreden tot de dag der algehele voldoening van de facturen, nader op te maken bij staat;
VI. Vergoeding van de volledige proces- en overige kosten van dit geding ex artikel 1019h Rv, in incident en in de hoofdzaak, nader op te maken bij staat, dan wel de forfaitaire kosten ex artikel 237 Rv, te vermeerderen met de nakosten en – voor het geval voldoening van de kosten en nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten en nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
Moonlight c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eisende partij] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure conform artikel 1019h van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
In het incident
[eisende partij] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis (letterlijk overgenomen uit de dagvaarding, inclusief (kennelijke) verschrijvingen):
A. Gedaagden hoofdelijk te verplichten tot afschrift dan wel inzage in de volgende primair digitale- en subsidiair fysieke gegevens, binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking c.q. het vonnis:
-
De exploitatiegegevens van Gedaagden als exploitanten, dan wel (sub-) licentiegevers van de muziek die partijen samen hebben gemaakt, met betrekking tot de muzieknummers Vamos A La Playa, Bailando en Slimando en alle remixen, versies, uploads en reproducties daarvan, ook door derden, op grond van artikelen 7:403 BW, 6:2 BW, 25ca Aw, 21 Rv, 22 Rv en 195 jo. 194 Rv en in het bijzonder met betrekking tot de actuele, relevante en volledige gegevens over de exploitatie van deze muziek, met name wat betreft de exploitatiewijzen, de daarmee gegenereerde inkomsten en de verschuldigde vergoeding voor [eisende partij] , al dan niet direct of indirect door Gedaagden ontvangen, door middel van afschrift van dan wel inzage in exploitatie-statements van Feiyr, YouTube YouTube (inclusief Music, Red en Shorts), Spotify en andere distributeurs, DSP’s en andere (sub-)licentienemers zoals Scorpio Music (via Feiyr) en Ultra Music dan wel Sony Music Entertainment, of opdrachtgevers, YouTube AdSense (advertentie-accounts), YouTube Studio en Content ID, boekings- c.q. optreedovereenkomsten en daarmee verband houdende facturen, kwitanties, bankafschriften en overzichten van bijschrijvingen op bankrekeningen door voornoemde partijen, bijvoorbeeld door middel van de zoekopdracht “Google’ “Ultra”, “Payday Records” (het account waarvan Ultra een voorschotbetaling heeft verricht), “Sony’ “Feiyr”, “Dance All Day” en “DAD’ allen in de periode 2010, dan wel 2017 tot en met heden;
-
Alle door Gedaagden met derden gesloten licentieovereenkomsten en andere, bijvoorbeeld per e-mail of WhatsApp gemaakte exploitatie-afspraken met betrekking tot voornoemde muziek die partijen samen hebben gemaakt, en met name ten aanzien van Ultra Music, in de periode 2011 tot en met heden;
-
De Overeenkomst(en) tussen Gedaagden en Feiyr, dan wel een andere door Gedaagden ingeschakelde muziekdistributeur, voor zover dit betrekking heeft op de door partijen gemaakte muziek;
-
Statements, facturen en uitbetalingen vanuit collectieve rechtenorganisaties voor naburige rechten, zoals Sena en GVL (de Duitse Sena) met betrekking tot de muziek van partijen, voorzien van bankafschriften en betalingstotalen per uitbetalende partij in de periode 2010 tot en met heden;
-
Dan wel door uw rechtbank te bepalen financiële- en exploitatiegegevens waarmee het aandeel, de billijke vergoeding en de aanvullende billijke vergoeding van [eisende partij] kunnen worden berekend.
B. Gedaagden te verplichten tot overlegging van een ondertekende verklaring van een accountant waaruit blijkt dat de onder A verzochte gegevens, dan wel de gegevens die Gedaagden aan [eisende partij] dienen te verstrekken actueel, relevant en volledig zijn, wat er door Gedaagden met de exploitatie van Vamos A La Playa, Bailando en Slimando en alle remixen, versies, uploads en reproducties daarvan (bruto) is verdiend, binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking;
C. Gedaagden te verplichten om [eisende partij] als rechthebbende met een aandeel van 50% toe te voegen in hun Feiyr-account met betrekking tot Vamos A La Playa, Bailando en Slimando en alle remixen, versies, uploads en reproducties daarvan, zoals door partijen samen gemaakt en toe te staan dat [eisende partij] zijn 50%-aandeel rechtstreeks van Feiyr ontvangt;
D. Voor zover het verzochte onder A en/of B en/of C wordt toegewezen, dit te doen op straffe van een onmiddellijk en hoofdelijk (bij zowel [verweerder 2] als Moonlight Music) opeisbare dwangsom voor Gedaagden ten behoeve van [eisende partij] van € 20.000 per overtreding, vermeerderd met € 1.000 per dag (waarbij een deel van een dag als gehele dag wordt gezien) dat de niet-nakoming voortduurt, met een maximum van € 200.000;
E. Voor zover afschrift of inzage van de bescheiden wordt toegewezen, de kosten die daarmee gemoeid gaan en de kosten voor de accountant volledig of althans grotendeels voor rekening van Gedaagden te laten;
F. Gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de primair de volledige juridische kosten, nader op te maken bij staat en subsidiair de forfaitaire kosten van dit incident, te vermeerderen met de nakosten, één en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
Moonlight c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van [eisende partij] , uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure conform artikel 1019h Rv.
in de hoofdzaak en in het incident
Op de gevoerde stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, ingegaan.
4. De beoordeling in de hoofdzaak en in het incident
Inleiding
Behalve de in het petitum (in de hoofdzaak en in het incident) genoemde muzieknummers worden in het lichaam van de dagvaarding nog verschillende andere nummers en remixen daarvan behandeld. Op de zitting heeft de advocaat van [eisende partij] desgevraagd verduidelijkt dat slechts ten aanzien van de titels die het petitum expliciet noemt – te weten: ‘Vamos a la Playa’, ‘Bailando’ en ‘Slimando’ – inzage in exploitatiegegevens of afgifte van inkomsten wordt gevorderd. De dagvaarding bevat verder tal van mogelijke grondslagen voor de verschillende vorderingen. Behalve op de overeenkomst van 1 juni 2010 en afspraken die in 2013, 2017 en 2018 zouden zijn gemaakt, beroept [eisende partij] zich op verschillende artikelen uit de Auteurswet (Aw) en de Wet op de naburige rechten (Wnr). Het verband tussen de aangehaalde wetsartikelen, de gestelde feiten en de verschillende (niet altijd even begrijpelijk en secuur geformuleerde) vorderingen blijft echter, ook na herhaalde en zorgvuldige lezing van de dagvaarding, onduidelijk. Overigens is ook voor het eerst in de dagvaarding een beroep gedaan op de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten; in de (sommatie)brieven/e-mails van de advocaat van [eisende partij] (zie 2.9, 2.10 en 2.11) wordt een auteursrechtelijke grondslag niet genoemd. In die berichten wordt overigens ook geen melding gemaakt van nadere afspraken die in 2013 zouden zijn gemaakt.
Hieronder wordt eerst uitgelegd dat de tijdelijke overeenkomst van 1 juni 2010 in juni 2011 van rechtswege is geëindigd en dat vorderingen uit hoofde van deze overeenkomst zijn verjaard. Daarna volgt de toelichting dat [eisende partij] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht en bewijslast ten aanzien van enige latere (nadere) afspraak op grond waarvan Moonlight c.s. exploitatiegegevens of -inkomsten met [eisende partij] zou moeten delen. Tot slot komen de auteursrechtelijke grondslagen aan de orde. Daarvoor geldt dat het bij gebrek aan een coherente onderbouwing onduidelijk is op welke wettelijke bepalingen de vorderingen zijn gebaseerd en waaraan deze moeten worden getoetst. Voor zover de bedoeling van (de advocaat van) [eisende partij] tijdens de mondelinge behandeling enigszins duidelijk is geworden, kunnen de feiten of rechten waarop hij zich beroept niet leiden tot toewijzing van de vorderingen. De slotsom is dan ook dat zowel de vorderingen in de hoofdzaak als in het incident worden afgewezen. Vanwege de samenhang tussen de vorderingen worden deze gezamenlijk beoordeeld.
De 2010-overeenkomst
[eisende partij] baseert zijn vorderingen mede op artikel 5 onder c van de overeenkomst van 1 juni 2010. De looptijd van deze overeenkomst bedroeg ingevolge artikel 3 twaalf maanden te rekenen vanaf “the release of the SINGLE” (zie 2.5). Het nummer is in juni 2010 uitgebracht, zodat de overeenkomst in beginsel van rechtswege eindigde in juni 2011. Volgens [eisende partij] hebben partijen echter in 2013 grotendeels mondeling afgesproken om qua exploitatie op dezelfde voet verder te gaan. Moonlight c.s. heeft dat betwist.
De stelplicht en bewijslast ten aanzien van de afspraak dat de overeenkomst na juni 2011 zou worden voortgezet rusten op grond van artikel 150 Rv op [eisende partij] . In dat kader moet hij naar voren brengen wat partijen precies hebben besproken en waaruit het bestaan van deze afspraak blijkt. Deze concretisering ontbreekt in de dagvaarding en is ook tijdens de mondelinge behandeling niet gekomen. [eisende partij] heeft veel (en omvangrijke) producties overgelegd met correspondentie die partijen over de jaren hebben gevoerd, maar niet op één specifieke e-mail- of whatsappbericht gewezen waaruit valt af te leiden dat Moonlight c.s. met verlenging van de overeenkomst heeft ingestemd – en die instemming is in de producties ook niet te vinden. Dat betekent dat [eisende partij] niet aan zijn stelplicht en bewijslast heeft voldaan, zodat zijn standpunt dat de overeenkomst na juni 2011 voortduurde wordt gepasseerd.
Voor zover [eisende partij] op grond van artikel 5 onder c van de overeenkomst van 1 juni 2010 inzage in gegevens over de exploitatie van ‘Vamos a la Playa’ gedurende de overeengekomen looptijd – dat wil zeggen tot en met juni 2011 – vordert, is deze vordering volgens Moonlight c.s. verjaard. Dit beroep op verjaring moet worden beoordeeld naar Duits recht. Partijen hebben namelijk in artikel 9 van de overeenkomst een keuze gemaakt voor de toepassing van Duits recht. Artikel 3 van Rome I1 bepaalt dat een overeenkomst wordt beheerst door het recht dat partijen hebben gekozen.
Naar Duits recht is de reguliere verjaringstermijn voor nakomingsvorderingen drie jaar. De termijn begint aan het einde van het jaar waarin de vordering is ontstaan en de schuldeiser kennis heeft gekregen van de omstandigheden die de vordering rechtvaardigen en van de persoon van de schuldenaar, of daar zonder grove nalatigheid kennis van had moeten krijgen. Ongeacht bekendheid of grof nalatige onbekendheid, verjaart een vordering tien jaar na het ontstaan ervan. Zie § 195 in samenhang met § 199 van het Bürgerliches Gesetzbuch (hierna: BGB):
§ 195 Regelmäßige Verjährungsfrist
Die regelmäßige Verjährungsfrist beträgt drei Jahre.
(…)
§ 199 Beginn der regelmäßigen Verjährungsfrist und Verjährungshöchstfristen
(1) Die regelmäßige Verjährungsfrist beginnt, soweit nicht ein anderer Verjährungsbeginn bestimmt ist, mit dem Schluss des Jahres, in dem
1. der Anspruch entstanden ist und
2. der Gläubiger von den den Anspruch begründenden Umständen und der Person des Schuldners Kenntnis erlangt oder ohne grobe Fahrlässigkeit erlangen müsste.
(2) Schadensersatzansprüche, die auf der Verletzung des Lebens, des Körpers, der Gesundheit oder der Freiheit beruhen, verjähren ohne Rücksicht auf ihre Entstehung und die Kenntnis oder grob fahrlässige Unkenntnis in 30 Jahren von der Begehung der Handlung, der Pflichtverletzung oder dem sonstigen, den Schaden auslösenden Ereignis an.
(3) Sonstige Schadensersatzansprüche verjähren
1. ohne Rücksicht auf die Kenntnis oder grob fahrlässige Unkenntnis in zehn Jahren von ihrer Entstehung an und
2. ohne Rücksicht auf ihre Entstehung und die Kenntnis oder grob fahrlässige Unkenntnis in 30 Jahren von der Begehung der Handlung, der Pflichtverletzung oder dem sonstigen, den Schaden auslösenden Ereignis an.
Maßgeblich ist die früher endende Frist.
(3a) Ansprüche, die auf einem Erbfall beruhen oder deren Geltendmachung die Kenntnis einer Verfügung von Todes wegen voraussetzt, verjähren ohne Rücksicht auf die Kenntnis oder grob fahrlässige Unkenntnis in 30 Jahren von der Entstehung des Anspruchs an.
(4) Andere Ansprüche als die nach den Absätzen 2 bis 3a verjähren ohne Rücksicht auf die Kenntnis oder grob fahrlässige Unkenntnis in zehn Jahren von ihrer Entstehung an. (…).
De verjaringstermijn wordt opgeschort zolang de schuldeiser en de schuldenaar met elkaar in onderhandeling zijn over de vordering (§ 203 BGB) of in een van de gevallen genoemd in § 204 BGB, zoals wanneer de schuldeiser een vordering instelt bij een gerecht:
§ 203 Hemmung der Verjährung bei Verhandlungen
Schweben zwischen dem Schuldner und dem Gläubiger Verhandlungen über den Anspruch oder die den Anspruch begründenden Umstände, so ist die Verjährung gehemmt, bis der eine oder der andere Teil die Fortsetzung der Verhandlungen verweigert. Die Verjährung tritt frühestens drei Monate nach dem Ende der Hemmung ein.
(…)
§ 204 Hemmung der Verjährung durch Rechtsverfolgung
(1) Die Verjährung wird gehemmt durch
1. die Erhebung der Klage auf Leistung oder auf Feststellung des Anspruchs, auf Erteilung der Vollstreckungsklausel oder auf Erlass des Vollstreckungsurteils,
(…).
Voor het eerst bij e-mail van 7 december 2021 heeft [eisende partij] (bij monde van zijn advocaat) aanspraak gemaakt op nakoming van artikel 5 onder c van de exploitatieovereenkomst van 1 juni 2010 (zie 2.9). Deze e-mail geldt naar Duits recht echter niet als een stuitingshandeling (zie § 203 BGB en § 204 BGB). Bovendien was een vordering tot nakoming van de exploitatieovereenkomst op het moment van versturen van de e-mail al verjaard. Ingevolge § 199 lid 4 BGB eindigde de verjaringstermijn namelijk in ieder geval in juni 2021, tien jaar nadat de vordering uiterlijk is ontstaan. Dat betekent dat het beroep van Moonlight c.s. op verjaring slaagt.
Nadere afspraken
[eisende partij] stelt voorts dat partijen in maart 2017 aanvullende afspraken hebben gemaakt die erop neerkomen dat zij alle inkomsten uit de exploitatie van ‘Vamos a la Playa’ bij helfte zouden verdelen. In 2018 hebben zij vervolgens afgesproken om ook de exploitatie-inkomsten van ‘Bailando’ bij helfte te delen, aldus [eisende partij] . Volgens Moonlight c.s. is van nadere afspraken geen sprake.
De stelplicht en bewijslast ten aanzien van deze afspraken rusten ook hier op [eisende partij] . Ter onderbouwing dat partijen in 2017 zijn overeengekomen om alle inkomsten uit de exploitatie van ‘Vamos a la Playa’ gelijkelijk te verdelen wijst [eisende partij] op de correspondentie die als productie 11 bij de dagvaarding is overgelegd. Behalve twee e-mails uit 2015 van [eisende partij] zelf, bevat deze productie alleen een whatsappbericht van [verweerder 2] , waarin zij schrijft:
Over het verleden wil ik niet praten .. gewoon niet .. De cake is verdeeld jij krijgt uitbetalingen ik wil het niet weten. En ik verdien aan alles wat ik er voor doe. Daarmee is deze zaak voor mij echt gesloten… Ik doe tegenwoordig alleen maar joint ventures, de zogeheten 50/50 deal.
Over de achtergrond van dit bericht heeft [verweerder 2] ter zitting desgevraagd verklaard dat waar zij spreekt over een “50/50 deal”, zij doelt op samenwerkingen die zij met platenmaatschappijen is aangegaan en niet op enige afspraak met [eisende partij] . Verder bedoelt zij met de “uitbetalingen” die [eisende partij] krijgt, inkomsten die hij via derden (zoals Scorpio Music; zie 2.6) buiten Moonlight c.s. om genereerde. [eisende partij] heeft niet op deze uitleg gereageerd en ook niet nader toegelicht waarom volgens hem uit dit bericht volgt dat partijen een gelijke verdeling van exploitatie-inkomsten uit ‘Vamos a la Playa’ (en/of ‘Bailando’) zijn overeengekomen. In dit whatsappbericht kan dan ook redelijkerwijs geen (erkenning van een) afspraak worden gelezen op grond waarvan Moonlight c.s. exploitatiegegevens of -inkomsten moet delen met [eisende partij] .
Verder is onder het kopje “Exploitatie-afspraken van 2018” in de dagvaarding slechts te lezen dat vanaf 2018 de exploitatie van ‘Vamos a la Playa’ op platforms als Spotify, SoundCloud en iTunes via het Feiyr-account van [verweerder 2] verliep. Een onderbouwing – of zelfs een concrete stelling – dat partijen in 2018 ook hebben afgesproken om de inkomsten die [verweerder 2] via Feiyr ontving te verdelen ontbreekt. Ook tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] geen verdere toelichting gegeven over verdelingsafspraken die in 2018 zouden zijn gemaakt. Dat betekent dat dit standpunt eveneens als onvoldoende onderbouwd wordt gepasseerd.
Daarnaast staat meermaals in de dagvaarding dat [eisende partij] als mederechthebbende op exploitatie-inkomsten wil worden geregistreerd en dat hij verschillende voorstellen heeft gedaan om inkomsten van ‘Bailando’ en (remixen van) ‘Vamos a la Playa’ te verdelen. Nergens is echter te lezen dat Moonlight c.s. ook akkoord gaat met het verdelen van haar inkomsten. Dat [eisende partij] voorstellen heeft gedaan en de wens heeft uitgesproken om als mederechthebbende op exploitatie-inkomsten te worden geregistreerd bij muziekdistributeurs – zonder dat ergens uit blijkt dat Moonlight c.s. daarmee ook heeft ingestemd – maakt nog niet dat een overeenkomst tot stand is gekomen.
[eisende partij] wijst voorts op enkele whatsappberichten en transcripten van spraakberichten die [verweerder 2] tussen 2019 en 2021 naar hem heeft verstuurd. Daarin spreekt zij onder meer over het “verdelen van de buit”, het “aanpakken van het YouTube-verhaal” en het “doorsturen van geld”. Op de zitting heeft [verweerder 2] desgevraagd een toelichting op de berichten gegeven, die erop neerkomt dat zij moeten worden gelezen tegen de achtergrond van haar (destijds) vriendschappelijke relatie met [eisende partij] ; zij zou slechts hebben bedoeld dat zij aan hem zou denken als zij een nieuwe productieopdracht voor hem zou hebben. Zeker in het licht van deze verklaring zijn de vage en multi-interpretabele berichten van [verweerder 2] onvoldoende om te kunnen concluderen dat partijen een verdeling van exploitatie-inkomsten zijn overeengekomen. Daarbij speelt mee dat nergens in de vele pagina’s aan overgelegde correspondentie is te lezen dat Moonlight c.s. met verdeling van haar inkomsten heeft ingestemd en dat ook niet is gebleken dat ooit uitvoering is gegeven aan een dergelijke afspraak, in de zin dat Moonlight c.s. daadwerkelijk exploitatiegegevens of -inkomsten met [eisende partij] heeft gedeeld. Bovendien heeft [eisende partij] voor overige productiewerkzaamheden die hij in opdracht van Moonlight c.s. voor andere muzieknummers heeft verricht, facturen gestuurd en daarop betaling ontvangen (zie 2.7). Ook in het licht daarvan valt niet in te zien waarom en waarvoor Moonlight c.s. nu – jaren later – nog moet betalen aan [eisende partij] .
Auteursrechtelijke grondslagen
In de dagvaarding is tot slot veel aandacht besteed aan de vraag of [eisende partij] kan worden aangemerkt als fonogrammenproducent of uitvoerend kunstenaar. Een duidelijke toelichting waarom hij als zodanig recht zou hebben op exploitatie-inkomsten en inzage in exploitatiegegevens ontbreekt echter. In plaats daarvan gaat [eisende partij] uitvoerig in op feiten en omstandigheden waaraan geen rechtsgevolgen zijn verbonden en haalt hij verschillende wetsartikelen aan waarvan onduidelijk is hoe deze samenhangen met de vorderingen. Artikel 21 Aw is daarvan een sprekend voorbeeld: die bepaling biedt bescherming aan een geportretteerde tegen ongewenste openbaarmaking van het portret en houdt dus geen verband met de feiten in deze zaak. De overlegging van 67 producties, die samen honderden pagina’s beslaan en grotendeels niet relevant zijn voor de vorderingen, maakt dat de dagvaarding nog moeilijker te volgen is. In sommige producties, zoals 22 en 31, staat bovendien niet wat [eisende partij] stelt dat daarin staat, hetgeen in strijd is met artikel 21 Rv.
Vanwege de vele uitweidingen over irrelevante omstandigheden (waaronder diverse muzieknummers en remixen, zie 4.1) en het voortdurend door elkaar bespreken van contractuele en wettelijke grondslagen was het op basis van de dagvaarding voor gedaagden onduidelijk waartegen zij verweer moeten voeren en voor de rechtbank waaraan zij de vorderingen moet toetsen. De dagvaarding voldoet daarmee niet aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid is aan te merken als een obscuur libel. Ingevolge artikel 111 lid 2 onder d en artikel 120 Rv lid 1 is een dergelijke dagvaarding nietig. Aangezien Moonlight c.s. is verschenen in deze procedure en geen beroep gedaan heeft gedaan op nietigheid van de dagvaarding, heeft het niet voldoen aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid echter geen verdere gevolgen (artikel 122 Rv).
Tijdens de mondelinge behandeling zijn de auteursrechtelijke grondslagen van de vorderingen besproken en is daarover uiteindelijk wel enige duidelijkheid gekomen. Desgevraagd heeft de advocaat van [eisende partij] toegelicht dat een fonogrammenproducent op grond van artikel 7 lid 4 Wnr aanspraak zou kunnen maken op 50% van exploitatie-inkomsten. Dit artikel komt echter in de dagvaarding in het geheel niet voor en is pas tijdens de tweede termijn van de mondelinge behandeling, na een expliciete vraag van de rechter, voor het eerst door de advocaat van [eisende partij] genoemd. Moonlight c.s. heeft daardoor geen gelegenheid meer gehad om hierop te reageren, zodat het beroep op dit artikel reeds daarom moet worden verworpen. Het beroep op dit artikel kan [eisende partij] overigens hoe dan ook niet baten. Artikel 15 Wnr bepaalt namelijk dat de betaling van een in artikel 7 Wnr bedoelde vergoeding dient te geschieden aan een door “Onze Minister van Justitie en Veiligheid aan te wijzen representatieve rechtspersoon die met uitsluiting van anderen met de inning en verdeling van deze vergoeding is belast”. Slechts deze rechtspersoon kan dus (ten behoeve van uiteindelijk rechthebbenden) op grond van dit artikel aanspraak maken op een billijke vergoeding.
Ook werd tijdens de mondelinge behandeling pas duidelijk dat met de onder I en II in de hoofdzaak (zie 3.1) en onder C in het incident (zie 3.3) gevorderde afdracht van 50% van exploitatie-inkomsten uit ‘Vamos a la Playa’ en ‘Bailando’ (ook) is bedoeld een billijke vergoeding in de zin van artikel 25c Aw. Deze bepaling is echter ook niet relevant voor dit geschil, want niet van toepassing op de rechtsverhouding tussen Moonlight c.s. en [eisende partij] . Voor toepassing van deze bepaling moet sprake zijn van een overeenkomst waarbij een maker of uitvoerend kunstenaar de exploitatiebevoegdheid ten aanzien van zijn auteursrecht of naburig recht aan de wederpartij heeft verleend (artikel 25b Aw en 2b Wnr). Ingevolge artikel 2 lid 3 Aw moet een dergelijke overeenkomst schriftelijk zijn aangegaan. Anders dan [eisende partij] stelt, is in de overeenkomst van 1 juni 2010 niet te lezen dat [eisende partij] überhaupt maker of uitvoerend kunstenaar van ‘Vamos a la Playa’ is (hij levert op grond van deze overeenkomst “recording services” aan [verweerder 2] (de “artist”)) en dus al helemaal niet dat hij exploitatiebevoegdheden inzake deze rechten heeft verleend aan [verweerder 2] . Een andere schriftelijke overeenkomst die de verlening van exploitatiebevoegdheden inhoudt heeft [eisende partij] niet overgelegd. Zoals Moonlight c.s. terecht heeft aangevoerd, is er dus geen overeenkomst waarbij [eisende partij] auteurs- of naburige rechten aan haar heeft overgedragen, zodat ook een beroep op artikel 25c Aw [eisende partij] niet kan baten.
Voor het overige is het onduidelijk welke rechtsbetrekking [eisende partij] op grond van de Auteurswet of de Wet op de naburige rechten met Moonlight c.s. meent te hebben. Toen de advocaat van [eisende partij] tijdens de mondelinge behandeling daarnaar werd gevraagd, bleek dat de vorderingen hoofdzakelijk op de gestelde (mondelinge) verdelingsafspraken zijn gegrond. Zoals hiervoor al uitgebreid is toegelicht, heeft [eisende partij] onvoldoende gesteld en onderbouwd dat partijen dergelijke afspraken hebben gemaakt.
Conclusie en proceskosten
De conclusie van al het voorgaande is dat de vorderingen in de hoofdzaak en in het incident worden afgewezen.
Omdat [eisende partij] in de hoofdzaak en in het incident in het ongelijk gesteld is gesteld, moet hij de proceskosten van Moonlight c.s. betalen.
Moonlight c.s. heeft veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure gevorderd op de voet van artikel 1019h Rv. Dat artikel bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd wordt veroordeeld in redelijke en evenredige gerechtskosten en andere kosten die de in het gelijk gestelde partij heeft gemaakt, tenzij de billijkheid zich daartegen verzet. De rechtbanken hanteren in de regel indicatietarieven als praktisch handvat om de redelijkheid en evenredigheid van gemaakte proceskosten te beoordelen. In de versie van 1 februari 2026 van de Indicatietarieven in IE-zaken is het maximale tarief voor een bodemzaak vastgesteld op € 42.000 en voor een incident op € 6.000. Deze indicatietarieven behelzen echter slechts de rechter niet bindende richtlijnen, zodat daarvan kan worden afgeweken als de omstandigheden van het afzonderlijke geval daarom vragen.2 De rechtbank ziet aanleiding in dit geval van de richtlijnen af te wijken. Dit wordt hierna toegelicht.
In de proceskostenspecificatie die Moonlight c.s. heeft overgelegd is te lezen dat zij in totaal € 31.262,40 aan proceskosten heeft gemaakt, waarvan € 16.162,35 is toe te rekenen aan de hoofdzaak en € 15.100,05 aan het incident. Moonlight c.s. merkt daarbij op dat de aan de hoofdzaak toegerekende kosten aanzienlijk lager zijn uitgevallen doordat de argumenten die zij naar voren moest brengen in het kader van haar verweer in het incident, in belangrijke mate ook het verweer in de hoofdzaak uitmaken. Zij vordert daarom vergoeding van de volledige proceskosten van het incident. [eisende partij] heeft aangevoerd dat niet alle kosten verband houden met intellectueel eigendom en dat het niet duidelijk is voor welke kosten dat wel en niet geldt, zodat in ieder geval voor een deel van de proceskosten het liquidatietarief moet worden toegepast. Verder zijn de door Moonlight c.s. opgevoerde kosten en de inzet van een tweede advocaat volgens [eisende partij] onevenredig.
Ondanks de gemengde grondslagen van de vorderingen, wordt deze zaak in zijn geheel aangemerkt als een IE-zaak. De reden hiervoor is dat de dagvaarding is doordesemd met verwijzingen naar de Auteurswet en de Wet naburige rechten en de contractuele en auteursrechtelijke grondslagen volledig door elkaar heenlopen. Een splitsing van de zaak in een intellectuele-eigendomsdeel en een ‘normaal’ deel is daardoor ondoenlijk. Verder bestaat aanleiding om de volledige proceskosten toe te wijzen, ook voor zover de proceskosten van het incident het maximale tarief van € 6.000 uit de Indicatietarieven in IE-zaken overstijgen. Zoals hiervoor onder 4.15 en 4.16 is overwogen, bevat de dagvaarding vele uitweidingen over irrelevante omstandigheden, met verwijzingen naar honderden pagina’s aan producties, en voldoet zij niet aan de minimale eisen van leesbaarheid en begrijpelijkheid. Dat maakt dat de advocaten van Moonlight c.s. logischerwijs meer dan de gebruikelijke tijd nodig hebben gehad om de stellingen van [eisende partij] te doorgronden en daartegen verweer te voeren. Dat heeft overigens geresulteerd in relatief beknopte processtukken met een helder en overzichtelijk verweer aan de zijde van Moonlight c.s. In dit kader verdient bovendien opmerking dat de eigen proceskosten die de advocaat van [eisende partij] zijn cliënt in rekening heeft gebracht anderhalf keer zo hoog zijn als de proceskosten waarvan Moonlight c.s. vergoeding vordert, zo blijkt uit de akte aanvulling productie 67 van [eisende partij] (zie 1.2).
De door Moonlight c.s. opgevoerde proceskosten zijn dan ook redelijk en evenredig en zullen, gelet op het voorgaande, worden toegewezen zoals gevorderd.
5. De beslissing
De rechtbank
in de hoofdzaak
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 16.162,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in het incident
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 15.100,05, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in de hoofdzaak en in het incident
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als hij niet tijdig aan de veroordelingen in 5.2 en 5.4 voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, bijgestaan door mr. R.D. Lok, en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026. |
||