RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.18630 (beroep) en NL26.18631 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. D.G. Metselaar),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. W.J. Poot).
Samenvatting
1. De rechtbank heeft de zaak van [eiser] op zitting behandeld en een uitspraak geschreven. De rechtbank zal hieronder een samenvatting geven van de uitspraak. Die is bedoeld voor [eiser] . De rechtbank zal hem hierna eiser noemen.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarvoor argumenten gegeven. Deze argumenten noemt de rechtbank de beroepsgronden. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister (hierna: verweerder) heeft voldoende gemotiveerd dat de handelingen waarmee eiser in verband wordt gebracht en waarvoor hij is veroordeeld in Turkije, misdrijven zijn als bedoeld in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag1 (Vv). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van corruptie of omkoping in zijn Turkse strafzaken. Verweerder heeft eisers asielaanvraag daarom terecht afgewezen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 9 november 2024 zijn asielaanvraag ingediend in Nederland. Bij besluit van 27 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt om hem niet uit te zetten zolang zijn beroep loopt.
Verweerder heeft op 14 september 2026 een verweerschrift ingediend.
Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 17 september 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Ileri. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij voert aan dat hij onterecht is veroordeeld wegens poging tot doodslag in Turkije. Eiser heeft verklaard dat op 13 mei 2015 een schietpartij heeft plaatsgevonden en dat hij onterecht is aangewezen als schutter. Op 12 maart 2021 is eiser door de rechtbank [naam rechtbank] veroordeeld tot 9 jaar gevangenisstraf. Deze straf is op 12 april 2022 door het Gerechtshof Diyarbakir, en op 23 september 2024 door de Hogere Raad in Ankara, bekrachtigd. Eiser heeft verklaard dat hij onterecht is veroordeeld omdat hij doelwit is van de familie van het slachtoffer, [naam ] , wegens een eerwraakkwestie. De familie [familienaam] heeft het op eiser gemunt omdat zijn familie in verband wordt gebracht met de moord op [naam slachtoffer] . [naam slachtoffer] is in 2014 doodgeschoten in Istanbul. Eisers vader was verdachte, maar is vrijgesproken van de aanklachten. De dader komt uit eisers woonplaats [woonplaats] en zit een levenslange gevangenisstraf uit in Turkije. De familie [familienaam] houdt eisers vader nog altijd (mede) verantwoordelijk voor de moord. Eiser heeft verklaard dat de familie [familienaam] wegens eerwraak achter hem aan zit omdat hij de oudste zoon van de familie is. De familie [familienaam] is een machtige, vermogende familie in Turkije, aldus eiser. Hij stelt dat deze familie (meer specifiek [naam 2] ) zijn strafprocedure in Turkije via steekpenningen heeft beïnvloed. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiser ook voor de PKK2 omdat hij op een dodenlijst staat.
Het bestreden besluit
4. Verweerder wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw)3 zoals dat op het moment van het bestreden besluit luidde. Eiser is namelijk een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vanwege de toepasselijkheid van artikel 1(F) onder b van het Vv. Eiser kan daarom geen aanspraak maken op de bescherming die de overige artikelen van het Vv bieden, of als vluchteling worden aangemerkt. Volgens verweerder bevat eisers asielrelaas de volgende relevante asielmotieven:
-
identiteit, nationaliteit en herkomst;
-
veroordeling tot een gevangenisstraf van 9 jaar wegens poging tot doodslag;
-
problemen met de familie [familienaam] wegens eerwraak;
-
dat eiser gezocht wordt door de PKK.
Verweerder acht de eerste twee asielmotieven geloofwaardig. Verweerder vindt de problemen met de familie [familienaam] wegens eerwraak niet geloofwaardig. Dat eiser wordt gezocht door de PKK vindt verweerder evenmin geloofwaardig. Gelet op de geloofwaardig geachte asielmotieven is niet aannemelijk dat eiser een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM.4 Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Ook krijgt eiser een inreisverbod voor de duur van 10 jaar omdat hij een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid vormt. Omdat eisers gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, heeft verweerder ook besloten om eiser voor de duur van tien jaar te laten registeren in het SIS.5
Juridisch kader
5. Op grond van artikel 1(F) van het Vv zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:
a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;
b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;
c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.
In het beleid van verweerder als destijds opgenomen in paragraaf C2/7.10.7.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat dat de beoordeling of een misdrijf ‘ernstig’ is in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vv, een individuele beoordeling betreft aan de hand van de individuele omstandigheden. De volgende elementen kunnen daarbij van belang zijn:
a. aard van het gepleegde feit/handeling;
b. omvang van de gevolgen c.q. de schade die is teweeggebracht;
c. strafmaat;
d. internationale (rechterlijke) consensus dat het gepleegde feit is aan te merken als ernstig misdrijf;
e. de gevolgde strafprocedure.
Volgens het beleid van verweerder is het afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden welke van deze elementen - al dan niet in samenhang - relevant zijn en moeten worden betrokken in de beoordeling. Daarna beoordeelt verweerder of ten aanzien van de vreemdeling kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van een misdrijf (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’), bijvoorbeeld door het plegen of faciliteren van dergelijke misdrijven of het opdracht geven daartoe. Wanneer is vastgesteld dat van het voorgaande sprake is, beoordeelt verweerder tot slot of sprake is van omstandigheden die de vreemdeling vrijwaren van zijn verantwoordelijkheid voor de gepleegde misdrijven. Dit kan het geval zijn wanneer de vreemdeling handelde op bevel, onder dwang of ter zelfverdediging.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling een van de zeer ernstige misdrijven, bedoeld in artikel 1(F) van het Vv, heeft gepleegd. Wegens enerzijds de ernst van de misdrijven waarop artikel 1(F) van het Vv betrekking heeft en anderzijds het verstrekkende karakter van de vaststelling dat die bepaling op een vreemdeling van toepassing is, worden aan de bewijsvoering en de motivering van verweerder strenge eisen gesteld. De bewijslast die op verweerder rust gaat echter niet zo ver dat hij moet aantonen dat is uit te sluiten dat de vreemdeling dergelijke misdrijven heeft gepleegd.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij onterecht is veroordeeld in Turkije?
6. Eiser voert aan dat hij onschuldig is en is veroordeeld als gevolg van corruptie. Dat kan worden afgeleid uit hoe de rechtbank en het hof (onterecht) tot een veroordeling zijn gekomen. Zo ontbreekt het causaal verband tussen de verwonding van het slachtoffer en verwijtbaar handelen van eiser. Voorts is niet bewezen dat gericht is geschoten op de bestuurder. Ook is niet bewezen dat sprake zou zijn van opzet of voorwaardelijk opzet. Uit het summiere forensische rapport volgt dat er ook andere scenario’s mogelijk zijn. Deze zijn niet onderzocht. Er is daarbij pas op 24 mei 2019 forensisch onderzoek gedaan zodat niet meer was vast te stellen wat er in 2015 precies heeft plaatsgevonden. Het vonnis is niet gebaseerd op directe bewijsmiddelen. De rechtbank heeft het ontlastende bewijs ten onrechte niet meegenomen in het vonnis. Er zijn immers geen vuurwapen of kruitsporen gevonden bij eiser of in zijn huis. Er zijn geen camerabeelden. Uit het forensisch rapport blijkt dat er met één vuurwapen is geschoten terwijl er vier verdachten zijn aangemerkt, zodat niet is vast te stellen wie er daadwerkelijk heeft geschoten. Het staat niet vast dat vanuit het appartement van eiser op de vijfde verdieping is geschoten. De getuigen zijn onbetrouwbaar. Het slachtoffer [naam ] heeft zijn getuigenverklaring ingetrokken en het andere slachtoffer is niet objectief omdat deze behoort tot de familie waarmee een vete was. Het enkele feit dat er een familievete was, is onvoldoende om het tenlastegelegde te bewijzen. Eiser had dan ook moeten worden vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Volgens de Practical Guide on Exclusion for serious non political crimes van de EUAA van december 2021 is verweerder gehouden om zich uit te laten over de inhoud van de uitspraak van een (Turkse) rechter en de overwegingen op basis waarvan die rechtbank tot een uitspraak is gekomen.
De rechtbank stelt op basis van de door eiser overgelegde drie Turkse (en vertaalde) strafvonnissen vast dat hij is veroordeeld tot poging doodslag en dat dit tot in de hoogste instantie is bevestigd. Eiser heeft in het geheel geen documenten of andere onderbouwing overgelegd waaruit blijkt dat de rechtbank [naam rechtbank] , het Gerechtshof van Diyarbakir en/of de Hoge Raad in Ankara zijn omgekocht door de familie [familienaam] . Zo heeft eiser bijvoorbeeld niet gewezen op landeninformatie waaruit blijkt dat corruptie (veelvuldig) voorkomt en ook anderszins geen bewijs voor zijn stelling aangedragen. Ook als een andere waardering van de bewijsmiddelen in de Turkse strafzaken mogelijk zou zijn, is daarmee niet onderbouwd dat sprake is geweest van omkoping. Verweerder heeft daarbij verder terecht betrokken dat uit het vonnis van de rechtbank [naam rechtbank] blijkt dat eiser en een aantal van zijn familieleden voor een deel van de tenlastegelegde feiten zijn vrijgesproken. Ook is [naam 2] zelf door de Eerste Zware Strafkamer van de rechtbank van [naam rechtbank] veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar en 18 maanden. Niet valt in te zien dat [naam 2] wel in eisers zaak steekpenningen zou betalen zodat hij ten onrechte wordt veroordeeld, maar zich niet uit zijn eigen strafzaak zou vrijkopen. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat dit afbreuk doet aan eisers stelling dat sprake is van omkoping. Daarom gaat de rechtbank uit van een definitieve Turkse strafveroordeling zonder dat sprake is geweest van omkoping of corruptie. De rechtbank zal zich daarom niet inhoudelijk uitlaten over de (waardering van de) bewijsmiddelen in eisers Turkse strafzaak. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van een ernstig, niet-politiek misdrijf?
Strafmaatvergelijking
7. Eiser voert aan dat ten onrechte geen strafmaatvergelijking heeft plaatsgevonden zoals is vereist volgens verweerders beleid ten tijde van het bestreden besluit in paragraaf C2/7.10.7.2.3. van de Vc. Dat houdt volgens eiser in: een onderzoek door het Openbaar Ministerie (OM) op verzoek van de IND6 om een in het buitenland opgelegde straf te vertalen naar een vergelijkbare Nederlandse straf. Ten onrechte is het OM niet geraadpleegd en wordt in de beschikking slechts verwezen naar artikel 287 van het WvS7 (doodslag). Het gaat hier echter om een poging. Er dient verder te worden gekeken of sprake was van strafverzwarende of juist strafverminderende omstandigheden. Ook dienen alle persoonlijke omstandigheden te worden meegenomen, zoals het feit dat eiser een “first offender” is, het betreft een oud feit en er is geen sprake van recidive. Daarbij vallen de straffen in Turkije hoger uit omdat men na twee derde van de straf voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld.
De rechtbank stelt vast dat in eisers zaak geen gebruik is gemaakt van een strafmaatvergelijking zoals beschreven in paragraaf C2/7.10.7.2.3. van de Vc (oud). Hierin staat dat de IND een strafmaatvergelijking opvraagt bij het OM. Op basis van deze strafmaatvergelijking betrekt de IND de in het buitenland gepleegde strafbare feiten bij de openbare orde-toets. Verweerder heeft in zijn besluitvorming en op de zitting toegelicht dat wel is geprobeerd een strafmaatvergelijking door het OM te laten opstellen maar dat het OM aangaf geen tijd te hebben. Verweerder heeft naar aanleiding van een telefoongesprek met een medewerker van het OM, zelf een strafmaatvergelijking opgesteld. De rechtbank constateert dat verweerder hiermee zijn eigen beleid niet heeft gevolgd. Daarmee is sprake van een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming. De rechtbank is echter van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd omdat niet is gebleken dat eiser hierdoor is benadeeld.8 De rechtbank is namelijk van oordeel dat verweerder alle relevante feiten heeft betrokken en dat duidelijk is waarom verweerder vindt dat sprake is van een ernstig misdrijf. De rechtbank licht dit hierna toe. Eiser is in Turkije veroordeeld voor een ‘poging tot doodslag’, gepleegd op 13 mei 2015, waarbij met een vuurwapen is geschoten en het slachtoffer dat reed in een auto, licht gewond is geraakt. Verweerder heeft toegelicht dat de medewerker van het OM in het telefoongesprek aangaf dat, gelet op het feitencomplex, in een strafmaatvergelijking zou komen te staan dat eiser in Nederland op basis van artikel 289 of 287 van het WvS zou worden veroordeeld. Verweerder heeft ook verwezen naar artikel 45 van het WvS waaruit volgt dat een ‘poging tot’ de maximumstraf met een derde vermindert. Verweerder heeft er verder op gewezen dat op grond van de richtlijnen voor strafvordering van het OM in Nederland voor een poging tot doodslag door middel van het schieten met een vuurwapen in de richting van een persoon een gevangenisstraf van 42 tot 58 maanden wordt geëist bij een ‘first offender’. Dat betekent dat tegen eiser in Nederland hoogstwaarschijnlijk minimaal een gevangenisstraf van 3,5 jaar zou worden geëist. Daarmee staat voor de rechtbank voldoende vast dat eiser ook in Nederland een zware straf zou kunnen hebben gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daaruit kunnen concluderen dat in eisers geval sprake is van een ernstig misdrijf in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vv. De stelling dat er geen rekening is gehouden met het feit dat men in Turkije na het uitzitten van twee derde van de straf voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft dit niet onderbouwd en kon hier desgevraagd op de zitting ook geen toelichting op geven.
Internationale (rechterlijke) consensus dat het gepleegde feit is aan te merken als ernstig misdrijf
8. Eiser voert aan dat het misdrijf waarvoor hij is veroordeeld niet kan worden gekwalificeerd als misdrijf als bedoeld in artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vv omdat poging tot doodslag niet voorkomt op de lijst met misdrijven die in ieder geval moeten worden aangemerkt als ernstige, niet-politieke misdrijven (zie paragraaf C2/7.10.7.2.2 van de Vc (oud)).
De rechtbank volgt verweerders standpunt dat het door eiser gepleegde feit volgens internationale consensus is aan te merken als een ernstig, niet-politiek misdrijf. Dat poging tot doodslag niet op de lijst voorkomt in de Vc maakt niet dat het daarom geen ernstig, niet-politiek misdrijf betreft. De lijst in de Vc is immers niet uitputtend en spreekt van misdrijven die ‘in ieder geval’ kunnen worden beschouwd als ernstige misdrijven (waaronder ook doodslag). Het door eiser begane feit betreft een levensdelict waarbij een vuurwapen is gebruikt. Dat het bij een poging is gebleven maakt niet dat het feit niet meer ernstig is.
Omvang van de gevolgen c.q. schade die is teweeggebracht
9. Eiser voert aan dat zijn veroordeling niet onder de reikwijdte van artikel 1(F), aanhef en onder b, van het Vv valt omdat slechts heel gering letsel aanwezig was bij het slachtoffer.
De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel het letsel bij het slachtoffer gelukkig beperkt is gebleven, blijkt uit eisers Turkse strafzaken dat bewezen is verklaard dat er negen keer gericht is geschoten op de bestuurderszijde van het voertuig en het slachtoffer de auto op dat moment bestuurde. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de omstandigheid dat het slachtoffer slechts lichtgewond is geraakt niet of nauwelijks afdoet aan de ernst van het door eiser begane feit.
De gevolgde strafprocedure en aard van het gepleegde feit/handeling
10. De rechtbank stelt vast dat eisers gronden gericht tegen de aard van de gepleegde handeling en de gevolgde strafprocedure verder neerkomen op de stelling dat hij onterecht is veroordeeld. De rechtbank verwijst voor haar oordeel hierover naar rechtsoverweging 6.1.
Gelet op het bovenstaande heeft verweerder kunnen oordelen dat sprake is van een ernstig, niet-politiek misdrijf. De beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van ‘knowing en personal participation’?
11. Eiser stelt dat geen sprake is van ‘knowing participation’ omdat hij geen enkele betrokkenheid heeft bij het feit. Er is geen bewijs en hij had moeten worden vrijgesproken. Hij is alleen veroordeeld omdat sprake is van omkoping. Ook stelt eiser dat er geen bewijs is dat hij op enige wijze persoonlijk heeft deelgenomen aan het misdrijf.
Eisers beroepsgrond gericht tegen de ‘knowing en personal participation’ is gestoeld op de stelling dat hij als gevolg van corruptie is veroordeeld. De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat hier geen aanknopingspunten voor zijn. Eisers enkele ontkenning van betrokkenheid bij het misdrijf is onvoldoende om ten aanzien van hem geen ‘knowing participation’ aan te nemen. De rechtbank is verder met verweerder van oordeel dat ook ‘personal participation’ kan worden aangenomen. Uit het Turkse strafvonnis blijkt dat eiser als schutter is aangemerkt. De enkele ontkenning hiervan is onvoldoende om geen ‘personal participation’ aan te nemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder kunnen vinden dat van eiser een gevaar voor de openbare orde uitgaat?
12. Eiser voert aan dat verweerder zijn aanvraag niet op grond van artikel 30b, eerste lid aanhef en onder j, van de Vw heeft kunnen afwijzen. Hij vormt geen gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Verweerder heeft niet gemotiveerd op welke wijze en in welke mate de rechtsorde van de samenleving is aangetast zoals is vereist in WI 2026/1.9 Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom hij een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. De enkele omstandigheid dat hij zich schuldig zou hebben gemaakt aan een 1(F)-misdrijf is daarvoor onvoldoende. Er is geen enkele concrete onderbouwing voor de vrees voor recidive en onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat eisers enkele aanwezigheid op het Nederlandse grondgebied een bedreiging voor de openbare orde vormt.
Verweerder heeft de aanvraag kennelijk ongegrond verklaard en voorts onderzocht of eiser op grond van de openbare orde een vertrektermijn kan worden onthouden en of aan hem een inreisverbod kan worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Verweerder heeft artikel 1(F) van het Vv kunnen tegenwerpen. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser in verband wordt gebracht met het persoonlijk plegen van een poging tot doodslag. Dit is een misdrijf dat de Nederlandse rechtsorde zou hebben geschokt en ook internationaal wordt dit gezien als een zeer ernstig misdrijf. Nu eiser het misdrijf persoonlijk heeft gepleegd kan dit misdrijf hem ook verweten worden. Er is niet gebleken of aangetoond dat er sprake is van omstandigheden die eisers strafrechtelijke verantwoordelijkheid zouden kunnen uitsluiten. Eiser is verder twee maanden na de veroordeling door de Hoge Raad in Ankara vertrokken uit Turkije. De reden dat eiser Turkije heeft verlaten is grotendeels gelegen in de omstandigheid dat hij strafrechtelijk wordt vervolgd. Dit rekent verweerder eiser in hoge mate aan. Door zich te onttrekken aan strafrechtelijke vervolging vormt eiser een gevaar voor de openbare orde. De rechtbank kan dit volgen, met die nuancering dat het niet meer om strafrechtelijke vervolging gaat maar om strafrechtelijke veroordeling. Dat weegt naar het oordeel van de rechtbank nog zwaarder. Ook heeft verweerder betrokken dat het misdrijf is gepleegd op 13 mei 2015 en de uitspraak van de Hoge Raad van Ankara dateert van 23 september 2024. De veroordeling is dus van relatief kort geleden en bovendien betreft dit een misdrijf dat naar zijn aard zeer lang actueel blijft, waardoor het sindsdien verstreken tijdsverloop slechts een marginale betekenis heeft. Verweerder heeft tot slot mogen meewegen dat eisers houding ten aanzien van het misdrijf geen aanleiding geeft om te oordelen dat hij niet langer als een actueel gevaar voor de openbare orde zou moeten worden gezien. Eiser blijft immers ontkennen dat hij betrokken is geweest bij de poging tot doodslag. Gelet hierop volgt de rechtbank verweerders standpunt dat eiser een actueel gevaar is voor de openbare orde. Verweerder heeft eisers aanvraag daarom kunnen afwijzen op grond van artikel 30b, eerste lid aanhef en onder j, van de Vw en een terugkeerbesluit en een inreisverbod kunnen uitvaardigen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade?
13. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op ernstige schade. Hij vreest bij terugkeer voor de familie [familienaam] vanwege bloedwraak. Het staat vast dat er een familievete is. Dit wordt ook in het strafvonnis genoemd. Dit asielmotief is ten onrechte niet getoetst op zwaarwegendheid. Bij terugkeer vreest eiser ook voor vervolging van de zijde van de PKK. Ten onrechte wordt aan de brieven die eiser heeft overgelegd als bewijs van deze stelling geen waarde toegekend omdat het kopieën zijn. In de beschikking wordt enkel gesteld dat de door eiser overgelegde documenten relevant zijn, maar uit de motivering van de beschikking blijkt niet op welke wijze deze documenten zijn meegewogen. Eiser heeft verklaard dat hij op de dodenlijst van de PKK terecht is gekomen door toedoen van de familie [familienaam] . Tot slot stelt eiser ook dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade omdat hij bij terugkeer een gevangenisstraf zal moeten uitzitten. De gevangenissen in Turkije zijn overbevolkt en eiser loopt daarbij een reëel risico op mishandeling. Eiser verwijst hiervoor naar het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 over Turkije.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft terecht ongeloofwaardig geacht dat eiser te vrezen heeft vanwege problemen met de familie [familienaam] wegens eerwraak. Hiervoor is reeds overwogen dat er geen reden is aan te nemen dat eiser ten onrechte is veroordeeld, of dat sprake is geweest van corruptie, omkoping of politieke inmenging. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser in het geheel niet aannemelijk heeft gemaakt dat de familie [familienaam] dermate machtig is dat zij Turkse rechters kan omkopen. Bovendien is [naam 2] zelf eveneens veroordeeld door de Eerste Zware Strafkamer van [naam rechtbank] tot een lange gevangenisstraf en eiser heeft verklaard dat hij afgezien van de onterechte beschuldiging verder geen problemen heeft gehad met de familie [familienaam] . Dat eiser wordt gezocht door de PKK vindt de rechtbank met verweerder evenmin geloofwaardig. Eiser heeft ter onderbouwing van deze stelling twee documenten overgelegd, te weten een brief van de gendarmerie [naam rechtbank] van 8 maart 2023 en een brief van de Directie van de Afdeling Bescherming van de Provinciale Directie Veiligheid [naam rechtbank] van 9 maart 2023, waarin staat dat hij wordt gezocht door de PKK. De rechtbank stelt vast dat verweerder deze documenten, anders dan eiser aanvoert, kenbaar heeft betrokken in de besluitvorming. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de documenten eisers gestelde vrees niet voldoende onderbouwen. Ook volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat eisers verklaringen hierover niet aannemelijk en samenhangend zijn en niet overeenkomen met de documenten. Eiser heeft namelijk enerzijds verklaard dat de PKK hem wil vermoorden omdat hij zich niet wil aansluiten bij de PKK. Anderzijds heeft eiser verklaard dat de PKK achter hem aan zit omdat [naam 2] dit zou hebben geregeld. Deze verklaringen zijn wisselend en daarbij heeft eiser nog meerdere jaren in zijn woonplaats in Turkije gewoond sinds hij erachter is gekomen dat hij wordt gezocht door de PKK. Indien de datum van de laatstgenoemde brief wordt aangehouden, betekent dit dat eiser nog ruim anderhalf jaar in Turkije heeft verbleven zonder dat hem iets is overkomen. Verweerder heeft kunnen stellen dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van eisers verklaring dat hij wordt gezocht door de PKK. Tot slot overweegt de rechtbank dat uit openbare bronnen weliswaar blijkt dat de gevangenissen in Turkije overbevolkt zijn, maar dit niet betekent dat eiser daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan het evenredigheidsbeginsel?
14. Eiser heeft aangevoerd dat ten onrechte niet is getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. De afwijzing van zijn asielaanvraag is buitenproportioneel en voldoet niet aan het noodzakelijkheidsbeginsel.
De rechtbank is van oordeel dat dit betoog niet kan slagen. Verweerder heeft artikel 1(F) van het Vv kunnen tegenwerpen en ook voldoende gemotiveerd dat eiser een actueel gevaar is voor de openbare orde. Uit het arrest B. en D. van het Hof van Justitie van de Europese Unie10 volgt dat de bevoegde autoriteit bij de ernst van de gestelde daden en van de individuele verantwoordelijkheid van een vreemdeling al rekening heeft gehouden met alle omstandigheden die deze daden en de situatie van deze persoon kenmerken. Als de bevoegde autoriteit tot de conclusie komt dat de vreemdeling een ernstig niet-politiek misdrijf heeft gepleegd, dan hoeft de bevoegde autoriteit niet vervolgens een evenredigheidstoetsing te verrichten die impliceert dat zij de ernst van de gestelde daden nogmaals beoordeelt.11 Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
16. Gezien deze beslissing van de rechtbank, is er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
17. De rechtbank heeft artikel 6:22 van de Awb toegepast en daarom bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L Roubos, voorzitter, en mr. B.V.A. Corstens en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met de uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 2 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.