RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.45359
V-nummer: [V nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum] 1974, van Turkse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. E. Atabinen).
Procesverloop
Op 26 januari 2023 heeft de zoon van eiseres, [referent] (hierna: referent), een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) voor eiseres om gezinsleven uit te oefenen op grond van artikel 8 van het EVRM1.
De minister heeft deze aanvraag met een besluit van 8 november 2024 afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 22 augustus 2025 heeft de minister dit bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, zijn zus [persoon] , de gemachtigde van eiseres, E. Taskin als tolk in de Turkse taal en de gemachtigde van de minister.
Na afloop van de behandeling van de zaken op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
draagt de minister op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
-
bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
-
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Overwegingen
1. Deze zaak gaat over de gezinshereniging van een moeder bij haar meerderjarige zoon. Het bezwaar is kennelijk ongegrond verklaard en er is niet gehoord.
2. Het uitgangspunt van de wet is dat er wordt gehoord in bezwaar, tenzij er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een ander oordeel.
3. Het gaat hier om een zaak over artikel 8 van het EVRM en over gezinsleven. Dat gezinsleven is een dynamisch begrip, zeggen de Afdeling2 en het EHRM3, dat moet worden beoordeeld aan de hand van alle feiten en omstandigheden. Het gaat dan niet alleen om de feiten en omstandigheden op het moment van vertrek uit het land van herkomst, maar ook om het peilmoment. Dat is het besluit op de gezinsherenigingsaanvraag. Bovendien moet in bezwaar een volledige heroverweging plaatsvinden.4
4. De rechtbank is van oordeel dat er in deze zaak sprake is van veel feiten en omstandigheden die moeten worden meegewogen, zoals de samenwoning die vaststaat. Ook staat vast dat sprake is van een medische situatie, maar de ernst van de situatie staat niet vast. In bezwaar is aangevoerd dat de medische situatie ook nog is verslechterd. De vraag of de andere kinderen van eiseres in Turkije wel of niet betrokken kunnen zijn bij de zorg voor eiseres, kan ook nog een rol spelen. Er zijn dus veel omstandigheden waarvan niet op voorhand kan worden gezegd dat het bezwaar geen kans van slagen heeft. Daarom is de rechtbank van oordeel dat er wel had moeten worden gehoord in bezwaar. De uitzondering van artikel 7:3 van de Awb5 is niet van toepassing. Het besluit is genomen in strijd met artikel 7:2 van de Awb.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een bestuurlijke lus, omdat de gemachtigde van eiseres heeft aangegeven dat dat in de praktijk niet leidt tot een snellere beslissing.
6. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De minister moet eiseres in principe horen, en als dat niet kan, referent. De rechtbank geeft de minister een termijn van acht weken voor het nemen van een nieuw besluit die begint te lopen na verzending van dit proces-verbaal. Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten6 en het griffierecht.
Deze uitspraak is gedaan en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2026 door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.