RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 26/1664
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. G.A.R. Wieleman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: dhr mr. H.J.J. Verhoeven).
Samenvatting
1. Eiser heeft een uitkering aangevraagd op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW) per 30 juni 2025. Deze is door het UWV afgewezen, omdat eiser niet zou voldoen aan de referte-eis (ook wel wekeneis genoemd). Eiser is het niet eens met de afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat inmiddels is komen vast te staan dat eiser wel voldoet aan de wekeneis. Het UWV dient een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser heeft op 28 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering per 30 juni 2025. Deze aanvraag is door het UWV afgewezen op 29 juli 2025, omdat eiser in de 36 weken voorafgaand aan de eerste werkloosheidsdag geen loon heeft ontvangen. Op grond van artikel 17 lid 1 van de WW moet een werknemer in de 36 weken voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid ten minste 26 weken minimaal een uur per week hebben gewerkt, om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering (de wekeneis).
2.1. Op 15 september 2025 heeft eiser opnieuw een WW-uitkering aangevraagd per 30 juni 2025. In het besluit van 17 september 2025 staat dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn en er daarom geen reden is voor het UWV om de beslissing van 29 juli 2025 opnieuw te beoordelen. Eiser gaat tegen dit besluit in bezwaar.
2.2. In bezwaar voert eiser aan dat hij van 26 februari 2024 tot 28 juni 2025 werkzaam is geweest bij [b.v.] Eiser levert hierbij een arbeidsovereenkomst, een getuigschrift van zijn voormalig werkgever en loonstroken aan; een viertal loonstroken van weken in 2024 (weken 47, 50, 51 en 52) alsmede een zestal loonstroken van vierwekenperiodes in 2025 (periodes 2 tot en met 7).
2.3. Met het bestreden besluit van 23 januari 2026 is eisers bezwaar kennelijk ongegrond verklaard omdat nog altijd niet vastgesteld kan worden dat eiser voldoet aan de wekeneis. Op basis van de overgelegde loonstroken in combinatie met nieuwe registraties in de polisadministratie is slechts aangetoond dat eiser in de 36 weken voorafgaand aan zijn eerste werkloosheidsdag, in 22 weken loon heeft ontvangen. Ten overvloede merkt het UWV op dat eiser niet in de Basisregistratie Personen (BRP) geregisteerd staat op een Nederlands adres. Om in aanmerking te kunnen komen voor een WW-uitkering, is eiser volgens het UWV gehouden om de registratie in de BRP te corrigeren.
2.4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5. De rechtbank heeft het beroep op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Het beroep
3. Eiser voert aan dat het UWV het bezwaar niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren, omdat er nog informatie ontbrak en nader onderzoek nodig was. Dit heeft ertoe geleid dat onterecht is afgezien van het houden van een hoorzitting. Het besluit van het UWV is dus onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd.
3.1. Verder voert eiser aan dat hij wel voldoet aan de wekeneis. Hij heeft een vijftal aanvullende loonstroken aangeleverd (van vijf weken in 2024) waaruit blijkt dat hij van de 36 weken voorafgaand aan zijn eerste werkloosheidsdag, in 27 weken heeft gewerkt. Dat eiser niet ingeschreven staat in Nederland zou, ten slotte, evenmin kunnen leiden tot een kennelijk ongegrond bezwaar.
Beoordeling door de rechtbank
4 Het onderzoek op de terechtziting
Ter zitting verklaart het UWV dat niet langer in geschil is of eiser voldoet aan de wekeneis. Voorafgaand aan de zitting bleek de polisadministrate bijgewerkt te zijn en op basis van de huidige gegevens blijkt dat eiser van de 36 weken voorafgaand aan zijn laatste werkloosheidsdag, in 32 weken heeft gewerkt.
Ook de inschrijving in de BRP is door het UWV voorafgaand aan de zitting gecontroleerd. Eiser staat nog steeds niet ingeschreven. Het UWV verklaart dat de BRP-inschrijving niet het enige is dat nog moet gebeuren om de uitkering toe te kennen. Er moet nog worden onderzocht of eiser de volledige periode in Nederland heeft gewoond en of eiser verwijtbaar werkloos is geraakt.
5 Is de hoorplicht geschonden in de bezwaarfase?
Het bestuursorgaan dient belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord, alvorens een beslissing op bezwaar te nemen. Dit is een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Slechts in de gevallen genoemd in artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan hiervan worden afgezien. Als een bestuursorgaan ten onrechte heeft afgezien van het horen, dan levert dat een gebrek op in de bezwaarprocedure.
De rechtbank oordeelt dat de beslissing op bezwaar is genomen in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb, aangezien, zoals het UWV in deze procedure heeft erkend, ten onrechte is afgezien van een hoorzitting. De rechtbank volstaat met een constatering van dit gebrek, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad aangezien hij in beroep alsnog zijn standpunt mondeling heeft kunnen toelichten en bovendien de in bezwaar nog ontbrekende stukken heeft kunnen overleggen.
Deze broepsgrond slaagt.
6 De wekeneis
Aan de hand van hetgeen ter zitting is besproken, concludeert de rechtbank dat aan de wekeneis is voldaan. De polisadministratie komt (inmiddels) overeen met de loonstroken die door eiser zijn aangeleverd.
Deze beroepsgrond slaagt.
7 Moet eiser ingeschreven staan in de BRP?
Het UWV heeft ten slotte opgemerkt dat eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering, omdat hij niet ingeschreven staat in de BRP. In beroep heeft het UWV daarbij verwezen naar artikel 30a WW. De rechtbank volgt het UWV daarin echter niet, omdat die bepaling geen toekenningsvereiste(n) bevat. Het niet ingeschreven staan in de BRP staat de toekenning van een WW uitkering dus niet in de weg; het kan hooguit leiden tot opschorting van de betaling.
Deze beroepsgrond slaagt.
8 Hoe nu verder?
Op de zitting is besproken welke vervolgstappen moeten worden genomen. Door het UWV moet nog nader onderzoek worden verricht. Hiervoor dient eiser stukken aan te leveren.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen, omdat het UWV nog nader onderzoek dient te verrichten om tot een nieuw besluit te komen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het UWV hiervoor tien weken.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 23 januari 2026;
- draagt het UWV op binnen 10 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.S.S. Obispo, rechter, in aanwezigheid van H.D. Sebel, griffier, op 29 september 2026 en openbaar bekend gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
|
griffier |
rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:2
-
Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
-
Het bestuursorgaan stelt daarvan in ieder geval de indiener van het bezwaarschrift op de hoogte alsmede de belanghebbenden die bij de voorbereiding van het besluit hun zienswijze naar voren hebben gebracht.
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
-
het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
-
het bezwaar kennelijk ongegrond is,
-
de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord,
-
e belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord, of
-
aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad.
Werkloosheidswet
Artikel 17
-
Recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft.
-
Indien artikel 19, derde of vierde lid, toepassing heeft gevonden, ontstaat in afwijking van het eerste lid het recht op uitkering indien de werknemer in 36 kalenderweken onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop het arbeidsurenverlies is ingetreden in ten minste 26 kalenderweken ten minste één arbeidsuur per kalenderweek heeft.
Artikel 30a
-
Is van de aanvrager of ontvanger van een uitkering bij het UWV een adres in Nederland bekend, terwijl in de basisregistratie personen ambtshalve is opgenomen dat hij is vertrokken naar een onbekend land van verblijf, dan verzoekt het UWV hem de afwijkende registratie in de basisregistratie personen binnen een redelijke termijn ongedaan te laten maken.
-
Wanneer na afloop van deze termijn, de afwijkende registratie niet is beëindigd of als uit de basisregistratie personen niet blijkt dat het college van burgemeester en wethouders van de desbetreffende gemeente de gegevens over het adres in onderzoek heeft genomen, schort het UWV de betaling van de uitkering aan de persoon, die recht heeft op de uitkering, op.
-
De opschorting wordt beëindigd zodra is vastgesteld dat de persoon, bedoeld in het tweede lid, in het buitenland woont of verblijft of dat een adres in Nederland in de basisregistratie personen is opgenomen.
-
Indien het onderzoek van het college van burgemeester en wethouders is afgerond en de persoon, bedoeld in het tweede lid, in de basisregistratie personen ambtshalve opgenomen blijft met gegevens over het vertrek uit Nederland, schort het UWV de betaling van de uitkering op tot verblijf in het buitenland kan worden vastgesteld of een adres in Nederland in de basisregistratie personen is opgenomen.
Beleidsregels UWV gebruik polisgegevens 2018
Artikel 2
1. Behoudens het bepaalde in artikel 3, gebruikt UWV voor besluiten over de vaststelling van het dagloon, het gemiddeld aantal arbeidsuren, het arbeidsverleden, de wekeneis, het verrekenen van inkomsten, het maatmaninkomen, voor besluiten over de toetsing aan de inkomenseis, alsmede voor de vaststelling of iemand werknemer is voor de werknemersverzekeringen, de gegevens die aanwezig zijn in de polisadministratie.
(..)
Artikel 3
Indien UWV vaststelt dat de gegevens in de polisadministratie niet kunnen worden gebruikt, gebruikt UWV gegevens uit een andere bron.