202500968/1/R3.
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 januari 2025 in zaak nr. 22/8241 in het geding tussen:
[wederpartij]
en
het college.
Procesverloop
In het besluit van 27 juli 2022 heeft het college het handhavingsverzoek van [wederpartij] van 2 juni 2022 tegen een geplaatste zeecontainer in de nabijheid van [locatie 1] afgewezen.
In het besluit van 10 november 2022 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
In de uitspraak van 13 januari 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 juli 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.W. van Amerongen, mr. H. Smit en mr. M.C. Remeijer-Schmitz, en [wederpartij] zijn verschenen.
Overwegingen
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 2 juni 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [wederpartij] woont aan het [locatie 2] in Den Haag. Op 2 juni 2022 heeft hij het college verzocht om handhavend op te treden tegen een zeecontainer die op het gras in de nabijheid van [locatie 1] was geplaatst. Bij een controle op 8 juli 2022 heeft het college geconstateerd dat de zeecontainer verwijderd was en er daarom geen sprake was van een overtreding. Het college heeft het verzoek van [wederpartij] daarom afgewezen. Bij besluit van 10 november 2022 heeft het college het door [wederpartij] hiertegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van [wederpartij] ongegrond verklaard en het college veroordeeld in de proceskosten omdat het college volgens de rechtbank ten onrechte zelfstandig heeft beslist om [wederpartij] niet te horen. Het college heeft hoger beroep ingesteld.
Beoordeling van het hoger beroep
3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet zelfstandig, zonder tussenkomst van de adviescommissie bezwaarschriften, mocht afzien van een hoorzitting. Volgens het college is de rechtbank er ten onrechte aan voorbij gegaan dat op grond van artikel 7:13, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de adviescommissie bezwaarschriften niet betrokken hoeft te worden wanneer dit bij wettelijk voorschrift zo is bepaald. Dit is volgens het college het geval nu artikel 17 van de Regeling behandeling bezwaarschriften 2011 (de regeling) in samenhang gelezen met artikel 1, aanhef en onder c, van het Aanwijzingsbesluit ambtelijk horen bezwaarschriften Den Haag 2020 (het aanwijzingsbesluit ambtelijk horen) bepaalt dat bij kennelijk ongegronde bezwaren de advisering door de adviescommissie bezwaarschriften niet vereist is. Gelet daarop kon het college zelfstandig beslissen om van het horen af te zien. Om die reden is er geen sprake van een zorgvuldigheidsgebrek en is het college ten onrechte veroordeeld in de proceskosten. Volgens het college volgt dit ook uit de uitspraken van de Afdeling van 12 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1015 en ECLI:NL:RVS:2025:1012.
3.1. Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb luidt:
"1. Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord."
Artikel 7:3 luidt:
"Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
[…]
b. het bezwaar kennelijk ongegrond is,
[…]."
Artikel 7:13, vierde lid, luidt:
"4. De commissie beslist over de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, van artikel 7:5, tweede lid, en, voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, van artikel 7:3."
Artikel 17 van de regeling luidt:
"Burgemeester en wethouders kunnen categorieën van bezwaarschriften aanwijzen waarbij kan worden afgezien van het horen en adviseren door de commissie, en waarbij het horen ambtelijk plaatsvindt. In dat geval vindt het horen plaats door een medewerker van de afdeling Juridische Zaken van de Bestuursdienst, die daartoe door het hoofd van deze afdeling is aangewezen."
Artikel 1, aanhef en onder c, van het aanwijzingsbesluit ambtelijk horen luidt:
"Als categorieën van bezwaarschriften als bedoeld in artikel 17 van de Regeling behandeling bezwaarschriften 2011 worden aangewezen:
[…]
c. bezwaarschriften waar van het horen van de belanghebbenden kan worden afgezien op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht;
[…]."
3.2. Uit het voorgaande volgt dat van het horen kan worden afgezien bij kennelijk ongegronde bezwaarschriften. In beginsel beslist de commissie over het afzien van horen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Daarin heeft het college getracht te voorzien door daarvoor categorieën aan te wijzen. Eén van die categorieën betreft kennelijk ongegronde bezwaarschriften, zo blijkt uit artikel 1, aanhef en onder c, van het aanwijzingsbesluit ambtelijk horen. Weliswaar is sprake van een dergelijk bezwaarschrift, maar uit artikel 17 van de regeling volgt dat in dat geval het horen plaatsvindt door een medewerker van de afdeling Juridische Zaken van de Bestuursdienst. De uitspraken waarnaar het college verwijst maken dit niet anders. Uit deze uitspraken volgt niet dat het college zonder advies van de adviescommissie bezwaarschriften én zonder ambtelijk horen mag beslissen op bezwaar. Gelet hierop is [wederpartij] in de bezwaarfase ten onrechte niet gehoord. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie en proceskosten
4. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
5. Het college moet de proceskosten vergoeden. [wederpartij] heeft verzocht om vergoeding van verletkosten. De verletkosten in verband met het bijwonen van de zitting in hoger beroep worden forfaitair vastgesteld op zes uur. [wederpartij] heeft de hoogte van zijn verletkosten niet nader onderbouwd. Daarom wordt het laagste uurtarief van € 9,00 toegekend. De totale verletkosten worden vastgesteld op € 54,00.
6. Gelet op artikel 8:109, tweede lid, van de Awb wordt van het college griffierecht geheven.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;
II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 54,00;
III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Buskermolen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2026
896-1200