ECLI:NL:RBDHA:2026:30526

Datum uitspraak
16-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/697136 / FA RK 25-9991
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Overeenstemming zorgregeling co-ouderschap. Door co-ouderschap geen vaststelling hvp, wel overeenstemming inschrijving op adres moeder. Vaststelling kinderalimentatie.

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-9991

Zaaknummer: C/09/697136

Datum beschikking: 16 september 2026

Hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie

Beschikking op het op 29 december 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A. Hansma te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. M.J. Boers te ‘s-Gravenzande.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

  • het verzoekschrift, met bijlagen, namens de moeder;

  • het bericht van 7 januari 2026, met bijlagen, namens de moeder;

  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, namens de vader;

  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek, met bijlagen, namens de moeder;

  • de brief van 7 augustus 2026, met bijlagen, namens de moeder;

  • de brief van 7 augustus 2026, met bijlagen, namens de vader;

  • de brief van 10 augustus 2026, met bijlagen, namens de moeder;

  • de brief van 10 augustus, met bijlagen, namens de vader.

Op 19 augustus 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat, de vader met zijn advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming. Van de zijde van de moeder zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.

  • Zij zijn de ouders van de volgende nu nog minderjarige kinderen:

- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;

- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 2] .

  • De vader heeft de kinderen erkend.

  • De vader en de moeder zijn gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de kinderen belast, ingevolge de aantekeningen in het gezagsregister van 9 oktober 2020 en 10 augustus 2021.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt de rechtbank:

Hoofdverblijfplaats

- de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bij de moeder te bepalen;

Zorgregeling

  • primair een zorgregeling vast te stellen conform het schema opgenomen in het verzoekschrift;

  • subsidiair een zorgregeling vast te stellen zoals de rechtbank in goede justitie geraden acht;

  • zowel primair als subsidiair de zorgregeling vast te stellen op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of per keer dat de vader in gebreke blijft om aan de in deze te geven beschikking te voldoen, althans een dwangsom zoals de rechtbank in goede justitie geraden acht;

Vakantieregeling

  • een regeling voor de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen vast te stellen conform het als bijlage toegevoegde schema, inhoudende dat deze dagen bij helfte gedeeld worden tussen partijen, waarbij de wisselmomenten op vrijdagavond om 19.00 uur plaatsvinden, dan wel een regeling zoals de rechtbank in goede justitie geraden acht;

  • de regeling voor de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen vast te stellen op verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of per keer dat de vader in gebreke blijft om aan de in deze te geven beschikking te voldoen, althans een dwangsom zoals de rechtbank in goede justitie geraden acht;

Kinderalimentatie

- de vader te bevelen om binnen een door de rechtbank te bepalen termijn aan de moeder te verschaffen:

- zijn loonstroken over 2025 (en 2026 indien beschikbaar)

- zijn jaaropgave over 2025 (indien beschikbaar)

- zijn huidige arbeidscontract,

dan wel door de rechtbank in goede justitie te bepalen stukken, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- dan wel een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, per dag of dagdeel dat de vader in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 250.000,-;

Primair

  • de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 januari 2025 vast te stellen op € 311,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen op een door de moeder aan te wijzen bankrekening;

  • de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 maart 2025 vast te stellen op € 154,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen op een door de moeder aan te wijzen bankrekening;

  • de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 mei 2025 vast te stellen op € 147,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen op een door de moeder aan te wijzen bankrekening;

  • de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 juli 2025 vast te stellen op € 422,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen op een door de moeder aan te wijzen bankrekening;

  • de bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 15 september 2025 vast te stellen op € 252,- per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen, op een door de moeder aan te wijzen bankrekening;

  • te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage jaarlijks geïndexeerd dient te worden, voor het eerst per 1 januari 2026;

Subsidair

  • te bepalen dat de vader dient bij te dragen in de kosten van de kinderen met een vast te stellen bedrag, per een ingangsdatum, zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;

  • te bepalen dat de door de vader te betalen bijdrage jaarlijks geïndexeerd dient te worden, voor het eerst per 1 januari 2026;

Algemeen

- een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt zelfstandig de rechtbank:

  • een regeling ter zake schoolvakanties, feestdagen en bijzondere dagen vast te stellen conform het door het als bijlage toegevoegde overzicht;

  • te bepalen dat de moeder met ingang van 20 februari 2026, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen aan de vader doet toekomen, groot € 78,50 per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen en te vermeerderen met de door de moeder ten behoeve van de minderjarige kinderen van partijen ontvangen kinderbijslag, thans (in 2026) zijnde € 217,79 per maand;

voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Beoordeling

Hoofdverblijfplaats

Wettelijk kader

Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen, in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag, geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank kan onder meer beslissen over de hoofverblijfplaats van de minderjarige.

Inhoudelijke beoordeling

De moeder stelt dat het wenselijk en in het belang van de kinderen is dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij haar hebben

De vader stelt dat de ouders uitvoering geven aan een co-ouderschapsregeling. Hierdoor is er voor de vader geen reden om een hoofdverblijfplaats vast te stellen. De vader benoemt dat de moeder in september 2025 de kinderen op haar adres heeft ingeschreven zonder zijn toestemming.

De rechtbank volgt de stelling van de vader. Gezien de co-ouderschapsregeling van partijen hebben de kinderen bij beide partijen hun hoofdverblijfplaats. De rechtbank zal hierom geen hoofdverblijfplaats van de kinderen vaststellen. Partijen zijn het erover eens dat de kinderen staan ingeschreven op het adres van de moeder.

Zorgregeling

Wettelijk kader

Op grond van artikel 1:253a tweede lid onder a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van één van hen een zorgregeling vaststellen. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Inhoudelijke beoordeling

De moeder acht het wenselijk en in het belang van de kinderen dat er de zorgregeling wordt vastgelegd waar sinds 1 maart 2025 uitvoering aan wordt gegeven. De vader staat achter de lopende zorgregeling en kan zich vinden in vaststelling daarvan door de rechtbank. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen, nu zij dit ook in het belang van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] acht.

Vakantie- en feestdagenregeling

De moeder wenst de vakanties en feestdagen bij helfte te verdelen. Ze wenst duidelijke afspraken te maken om onrust te voorkomen. Eerdere vakantieverdelingen zijn wisselend verlopen. De moeder wil graag een verdeling waarbij de wisselmomenten op vrijdagavond om 19.00 uur plaatsvinden zodat beide ouders een volledige week met de kinderen op vakantie kunnen gaan en de reguliere zorgregeling direct weer van kracht kan zijn vanaf vrijdag 19.00 uur na een vakantieperiode. Volgens de moeder is dit onderschreven door betrokken hulpverlening.

De vader stelt dat sinds 2024 de moeder degene is die bepaalt waar de kinderen zijn tijdens de vakanties en feestdagen. Hij durft door de onzekerheid en onrust die hiermee gepaard gaan geen vakanties meer te boeken. De vader wenst een heldere regeling zodat iedereen weet waar ze aan toe zijn.

Op de zitting hebben de ouders over de volgende punten overeenstemming bereikt. De kinderen zullen elk jaar tijdens de voorjaarsvakantie bij de vader zijn en tijdens de herfstvakantie bij de moeder. Ook zijn de ouders het erover eens dat de verjaardag van [de minderjarige 2] het ene jaar bij de ene ouder en het andere jaar bij de andere ouder gevierd zal worden. Nu de ouders geen overeenstemming hebben bereikt over de overige punten zal de rechtbank een regeling vaststellen zoals zij in het belang van de kinderen acht. De rechtbank zal hierbij de volgende uitgangspunten hanteren. Het grootste geschilpunt tussen de ouders is het wisselmoment tijdens de vakanties die door de ouders gedeeld worden, te weten de zomervakantie, meivakantie en kerstvakantie. De rechtbank zal bij de verdeling van de lange vakanties het wisselmoment van de kinderen bepalen op zaterdagavond om 19.00 uur. Door dit wisselmoment zijn de vakanties precies bij helfte verdeeld. De vakanties vangen aan op vrijdag uit school en eindigen op maandag naar school. Dit betekent dat de ouder bij wie de kinderen in de eerste vakantieweek zijn, hen op vrijdag uit school/opvang haalt. De ouder bij wie de kinderen in de laatste vakantieweek zijn, brengt de kinderen op maandag naar school. Met uitzondering van de kerstdagen en Vader- en Moederdag zullen de bijzondere dagen conform de reguliere zorgregeling verdeeld worden.

Dwangsom

De moeder wenst een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de zorg- en vakantie- en feestdagenregeling. De moeder stelt dat de vader gemaakte afspraken over de zorg- en vakantieregeling uitlegt op een manier die hem uitkomt. Een dwangsom zou de moeder zekerheid geven dat dit wel gebeurt.

De vader stelt dat hij geen financiële prikkel nodig heeft om de kinderen bij zich te hebben, of om ze naar hun moeder te brengen. Er is daarom geen reden om een dwangsom op te leggen.

De rechtbank oordeelt als volgt. Op de zitting is gebleken dat het verzoek van de moeder is voornamelijk is gelegen in het feit dat de moeder de afgelopen tijd het gevoel heeft gehad dat zij er niet op aan kon dat de gemaakte afspraken door de vader werden nageleefd. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat het ooit is voorgekomen dat de vader de kinderen niet naar moeder heeft teruggebracht. De rechtbank ziet hierom geen reden om de verzochte dwangsom op te leggen. Zij zal het verzoek van de moeder hierom afwijzen.

Kinderalimentatie

Gelet op de omstandigheid dat de vader een hoger inkomen geniet dan de moeder ligt het naar oordeel van de rechtbank voor de hand dat de vader een bijdrage aan de moeder voldoet in de kosten van de kinderen. het gevolg hiervan is dat de moeder de verblijf overstijgende kosten van de kinderen betaalt. De verblijf overstijgende kosten zijn de kosten waarover partijen het eens zijn dat die gemaakt moeten worden ten behoeve van de kinderen.

Ingangsdatum

De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn gewijzigd, de datum van het verzoekschrift en de datum waarop de rechter beslist. De rechter kan dus een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.

De rechtbank zal de datum van de indiening van het verzoekschrift hanteren als ingangsdatum, te weten 29 december 2025. De vader had vanaf dat moment rekening kunnen houden met een te betalen bedrag aan kinderalimentatie.

Behoefte

Voor het bepalen van de behoefte van de kinderen moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. Tussen de ouders is in geschil in welk jaar de behoefte van de kinderen berekend zou moeten worden. De rechtbank gaat uit van het jaar waarin de ouders en de kinderen voor het laatst in gezinsverband hebben samengeleefd. Vast is komen te staan dat de ouders in maart 2024 uit elkaar zijn gegaan en in december 2024 de samenleving is beëindigd. De rechtbank zal hierom de behoefte van de bereken in het jaar 2024.

De moeder heeft de door de vader overgelegde behoefteberekening over 2024 niet inhoudelijk betwist. De rechtbank zal hierom de behoefte van beide kinderen in 2024 vaststellen op € 1.470,-, conform de behoefteberekening van de vader. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.566,- per maand, te weten € 783,- per maand per kind.

Draagkracht

De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders moet conform de aanbevelingen uit het rapport 2025 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.310)].

Draagkracht moeder

Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.579,- bruto per maand, zoals blijkt uit haar salarisstroken van september en oktober 2025. Verder houdt de rechtbank rekening met 8% vakantiegeld, een eindejaarsuitkering van € 298,- per maand, de pensioenpremie van € 407,- per maand en de volgende aanvullende premies: arbeidsongeschiktheidspensioen van € 4,- per maand en aanvullend pensioen van € 3,- per maand. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 3.873,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

De draagkracht van de moeder bedraagt volgens de formule € 981,- per maand, te weten 70% x [3.873 - (0,3 x 3.873 + 1.310)].

Draagkracht vader

De draagkracht van de vader is in geschil. De vader heeft in 2025 een baan aangenomen waarbij hij minder uur is gaan werken. De moeder stelt dat er gerekend moet worden met de hogere verdiencapaciteit van de vader nu de vader vrijwillig heeft ingestemd met een baan met minder arbeidsuren dan hij voorheen gewend was. De vader betwist dit. De vader moest vanwege de tijdelijkheid van zijn vorige contract op zoek naar een nieuwe baan. Hij heeft deze baan aangenomen nu er weinig banen in zijn werkveld te vinden zijn en om dichtbij huis te zijn om de kinderen de helft van de tijd te kunnen verzorgen en opvoeden.

De rechtbank stelt voorop dat partijen een co-ouderschapsregeling hebben en dat ook de moeder parttime werkt (25,5 uur per week volgens de loonstroken). De vader werkte eerst 80% en heeft dit teruggebracht van 605 (27 uur per week). De rechtbank acht het niet onredelijk dat ook de vader minder is gaan werken om de zorg voor de kinderen op zich te kunnen nemen. Verder kunnen de kosten van de kinderen volledig uit de parttime inkomens van de ouders worden voldaan. De rechtbank zal daarom niet rekenen met de verdiencapaciteit van de vader maar zijn huidige inkomen tot uitgangspunt rekenen.

Daarnaast stelt de moeder dat de door de vader overlegde financiële stukken onjuist zijn, de vader zou extra diensten draaien waardoor hij meer inkomen zou genereren dan zijn financiële stukken vermelden. De vader heeft dit gemotiveerd betwist. De rechtbank leidt niet uit de loonstroken af dat de vader diensten draait en ziet geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de werkgeversverklaring en de loonstroken van de vader onjuist zijn.

Tot slot stelt de moeder dat er bij het inkomen van de vader zijn functie gebonden budget moet worden meegenomen. De vader betwist dit. Het functie gebonden budget is een budget wat de vader van zijn werkgever krijgt om de kosten van de opleiding en studie die hij verplicht moet volgen te vergoeden. De rechtbank zal het functie gebonden budget van de vader niet meenemen in de berekening. Tegenover het functie gebonden budget staan studiekosten die de vader verplicht is te maken. Dit is daarmee geen inkomen wat resteert om aan de kinderen te besteden.

Gezien het bovenstaande gaat de rechtbank bij de berekening van de financiële draagkracht van de vader uit van een inkomen € 6.343,- per maand, zoals blijkt uit zijn salarisstroken van november en december 2025. Verder houdt de rechtbank rekening met 8% vakantiegeld, de pensioenpremie van € 673,- per maand en de volgende aanvullende premies: WGA-hiaat premie van € 9,- per maand, aanvullende pensioenpremie van € 9,- per maand en de arbeidsongeschiktheidspremie van € 41,- per maand. Rekening houdende met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.189,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.

De draagkracht van de vader bedraagt volgens de formule € 1.135,- per maand, te weten 70% x [4.189 - (0,3 x 4.189 + 1.310)].

Zorgkorting

Gelet op de gezamenlijke draagkracht van partijen van (€ 981,- + € 1.135,- =) € 2.116,- per maand bedraagt het eigen aandeel van de man in de kosten van de kinderen naar rato van zijn draagkracht (€ 1.135,- / € 2.116,- x € 1.566,- =) € 840,- per maand.

Op de door de vader te betalen bijdrage dient in beginsel een zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Er is een co-ouderschapsregeling zodat de rechtbank rekening houdt met een zorgkorting van 35%. Dat bedrag aan zorgkorting bedraagt € 548,- per maand (35% van € 1.566,-). De rechtbank zal daarom een bedrag aan kinderalimentatie van € 292,- per maand vaststellen, zijnde € 146,- per maand per kind.

Indexering

De rechtbank zal de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vaststellen. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 305,- per maand, te weten € 153,- per maand per kind. Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.

Dwangsom

De moeder wenst om aan een gerechtelijk bevel om financiële stukken van de vader een dwangsom te verbinden. Nu de vader zijn financiële stukken in deze procedure heeft ingediend ziet de rechtbank geen reden om de vader een dwangsom op te leggen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt er een reguliere zorgregeling zal gelden waarbij de minderjarigen:

  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats 1] ;

  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 2] ;

bij de vader zullen zijn:

  • in de ene week van dinsdag om 19.00 uur tot donderdag om 19.00 uur;

  • in de andere week van dinsdag om 19.00 uur tot maandag naar school;

en voor de overige tijd bij de moeder zullen zijn;

stelt de volgende vakantie- en feestdagen regeling vast:

  • tijdens de zomervakantie verblijven de kinderen in de oneven jaren de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder waarbij het wisselmoment op zaterdagavond 19.00 uur is, in de even jaren is dit andersom;

  • de verjaardag van [de minderjarige 2] wordt door de kinderen om het jaar wisselend bij de vader en de moeder gevierd;

  • tijdens de herfstvakantie verblijven de kinderen bij de moeder van vrijdag uit school tot de maandag naar school;

  • tijdens de kerstvakantie verblijven de kinderen in de oneven jaren de eerste week bij vader en de tweede week bij de moeder waarbij het wisselmoment op zaterdagavond 19.00 uur is, in de even jaren is dit andersom; de vakantie start vrijdag uitschool en eindigt maandag naar school;

  • tijdens de kerstdagen zijn de kinderen in de oneven jaren op eerste kerstdag bij de vader en op tweede kerstdag bij de moeder, dit is in de even jaren andersom;

  • tijdens de voorjaarsvakantie verblijven de kinderen bij de vader vrijdag uit school tot de maandag naar school;

  • tijdens de meivakantie verblijven de kinderen in de oneven jaren de eerste week bij vader en de tweede week bij de moeder waarbij het wisselmoment op zaterdagavond 19.00 uur is, in de even jaren is dit andersom; de vakantie start vrijdag uit school en eindigt maandag naar school;

  • in het weekend van Moederdag verblijven de kinderen bij de moeder van zaterdagavond 19.00 uur tot maandagochtend naar school;

  • in het weekend van Vaderdag verblijven de kinderen bij de vader van zaterdagavond 19.00 uur tot maandagochtend naar school;

  • tijdens de overige bijzonder dagen zullen de kinderen conform de reguliere zorgregeling bij de vader dan wel bij de moeder verblijven;

*

bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 29 december 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , van € 146,- per maand per kind, en met ingang van 1 januari 2026 € 153,- per maand per kind zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en verklaart de bepaling van deze bijdrage uitvoerbaar bij voorraad;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, bijgestaan door mr. C.A.E. de Koning als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 september 2026.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »