ECLI:NL:RBDHA:2026:30013

Datum uitspraak
11-09-2026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Zaaknummer
C/09/710022 / JE RK 26-1349
Type
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Wetsartikelen die in deze uitspraak worden aangehaald

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/710022 / JE RK 26-1349

Datum uitspraak: 11 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige 2],

hierna ook gezamenlijk te noemen: de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats],

[de grootmoeder (mz)],

hierna te noemen: de grootmoeder (moederszijde).

wonende in [woonplaats],

advocaat mr. P. Drenth uit Den Haag.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 juli 2026;

- het aangepaste verzoekschrift van de gecertificeerde instelling van 29 juli 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader;

  • de grootmoeder met haar advocaat;

- [naam 1] en [naam 2], namens de gecertificeerde instelling.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een e-mailbericht gestuurd. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

Het huwelijk van de ouders is door echtscheiding ontbonden.

2.2.

De moeder ([de moeder]) is overleden.

2.3.

De vader is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.4.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven bij de grootmoeder moederszijde.

2.5.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 13 september 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg.

3 Het verzoek

3.1.

De gecertificeerde instelling verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling een

machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling motiveert het verzoek als volgt.

3.2.

De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing zijn ingezet om de actuele veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te waarborgen. De kinderen hebben veel meegemaakt, waaronder huiselijk geweld tussen de ouders, het overlijden van hun moeder en de spanningen tussen de vader en de grootmoeder. Hierdoor was inzet vanuit gecertificeerde instelling nodig om een veilige en stabiele opvoedsituatie te creëren. De afgelopen periode is ingezet op het bieden van rust en stabiliteit bij de grootmoeder en het vergroten van de veiligheid van de kinderen. Daarnaast is er ingezet op het begeleiden van de omgang tussen de vader en de kinderen en het verbeteren van de samenwerking tussen de vader en de grootmoeder. Tijdens de bespreking van de opvoedvisie op 13 november 2025 is vastgesteld dat het opvoedperspectief van beide kinderen bij de grootmoeder ligt. De kinderen ontwikkelen zich goed binnen de thuissituatie van de grootmoeder. Voor [minderjarige 1] blijft aandacht nodig voor het uiten van zijn gevoelens en emoties. Samen met pleegzorg wordt bekeken of en op welke manier [minderjarige 1] hierin nog ondersteund kan worden. Verder is de communicatie tussen de vader en de grootmoeder verbeterd en zijn de bedreigingen vanuit de vader richting de grootmoeder gestopt. De omgang tussen de vader en de kinderen verloopt positief. [minderjarige 1] heeft onbegeleide omgang met de vader. De begeleiding tijdens de omgang tussen [minderjarige 2] en de vader wordt vanwege de positieve ontwikkelingen geleidelijk afgebouwd en er wordt toegewerkt naar onbegeleide omgang. Ondanks de positieve ontwikkelingen lukt het de vader en de grootmoeder nog niet om zelfstandig afspraken te maken over de kinderen. De grootmoeder ervaart nog spanning door de voorgeschiedenis met de vader. Daarom blijft de ondersteuning vanuit pleegzorg en de gecertificeerde instelling nog nodig. De vader en de grootmoeder zijn in dit kader aangemeld voor het traject Ouderschap Blijft bij [zorginstantie]. Er wordt op dit moment gekeken of de vader en de grootmoeder versneld kunnen starten. De komende zes maanden zullen benut worden om Ouderschap Blijft te laten starten en te monitoren, de samenwerking tussen de vader en de grootmoeder verder te versterken, beschermende factoren te vergroten en te beoordelen of zij de afspraken rondom de kinderen zelfstandig kunnen oppakken. Als dit goed verloopt, kan worden toegewerkt naar beëindiging van de ondertoezichtstelling en overdracht naar het vrijwillig kader. Hiervoor is het wel noodzakelijk dat de vader emotionele toestemming geeft voor de plaatsing van de kinderen bij de grootmoeder. De machtiging tot uithuisplaatsing is nog noodzakelijk voor de duur van de ondertoezichtstelling. Het opvoedperspectief van de kinderen is bij de grootmoeder bepaald en zij ontwikkelen zich daar goed. Ook was dit de wens van moeder voor haar overlijden. Een terugplaatsing naar vader is daarom niet aan de orde.

3.3.

De gecertificeerde instelling is van mening dat in de huidige situatie geen grondslag bestaat voor een verlenging van de maatregelen voor de duur van jaar, zoals door de grootmoeder wordt verzocht. Wel kan de gecertificeerde instelling het verzoek tot verlenging van de maatregelen aanpassen naar een duur van negen maanden, zodat voldoende tijd bestaat voor Ouderschap Blijft om te starten en om te kijken hoe dit traject verloopt.

4 De standpunten

4.1.

De vader heeft ter zitting aangegeven dat het contact met de kinderen goed verloopt, maar dat hij vindt dat hij te weinig omgang met hen heeft. Hij zou de kinderen het liefst bij hem hebben, maar hij heeft het gevoel dat hij er toch niks aan kan doen dus hij laat het erbij zitten.

4.2.

Er is door en namens de grootmoeder verzocht de maatregelen te verlengen voor de duur van een jaar. De kinderen wonen al voordat hun moeder overleed bij de grootmoeder. Het gaat daar goed met hen en hun opvoedperspectief is bij haar bepaald. Als de maatregelen worden verlengd voor de duur van een jaar, in plaats van de verzochte 6 maanden, zou dit toch voor meer duidelijkheid en rust bij de kinderen zorgen.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.1 Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.2 De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.

5.2.

De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De zorgen over de opvoedsituatie van de kinderen zijn nog niet volledig weggenomen. De kinderen hebben in hun leven veel meegemaakt en zijn blootgesteld aan veel onrust. De kinderrechter vindt het erg positief dat de kinderen op hun plek zitten bij de grootmoeder en dat zij zich hier goed ontwikkelen. Het opvoedperspectief van de kinderen is dan ook bij de grootmoeder bepaald en het is duidelijk dat de kinderen hier zullen opgroeien. Desalniettemin is door en namens de grootmoeder ter zitting gesteld dat er toch nog onrust en onduidelijkheid bestaat bij de kinderen rondom de maatregelen, wanneer deze voor de duur van zes maanden zullen worden toegewezen. De kinderrechter is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is om zoveel mogelijk rust en duidelijkheid te creëren voor hen. Ook is het van belang dat de gecertificeerde instelling nog betrokken blijft voor de start van Ouderschap Blijft en dat zij de voortgang van de vader en de grootmoeder hierin nog kunnen monitoren. Gelet op de wachtlijsten en de duur van het traject ziet de kinderrechter daarom aanleiding om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van negen maanden.3 In deze periode kan het traject van Ouderschap Blijft van de grond komen en worden gemonitord, kan worden ingezet op de omgang tussen de vader en de kinderen en kan worden onderzocht of de kinderen, en dan in het bijzonder [minderjarige 1], nog aanvullende hulpverlening nodig hebben.

5.3.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.4

5.4.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 13 juni 2027;

6.2.

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootmoeder moederszijde, voor de duur van de ondertoezichtstelling;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026 door mr. M.M. Meijers, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 22 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Andere uitspraken die naar dezelfde wetsartikelen verwijzen

Tekst: Rechtspraak.nl (gepseudonimiseerd). Links naar wetsartikelen en uitspraken zijn toegevoegd door wetboek.org. Origineel op uitspraken.rechtspraak.nl »